Honderd verhalen in honderd dagen: 3. Nietzsche en Van Gogh wandelen door het Zwarte Woud

Charles Donker


Nietzsche en Van Gogh wandelen door het Zwarte Woud. Aan Van Goghs schouder hangt een klein, aftands rugzakje met schilderspullen. Nietzsche heeft alleen een opschrijfboekje in zijn broekzak, met een stompje potlood.

'Vind je dit dan niet prachtig?' zegt Van Gogh. De adem komt als uitlaatgas zijn mond uit. 'Die glooiende heuvels, die herfstkleuren, dat late licht...'

'Dit is wat iedereen mooi vindt. Verfrissend dat wel, maar het doet me niets. Een enorme bosbrand. Aangestoken door revolutionairen. Daar zou ik graag getuige van zijn.'

Ze rusten uit op een bankje. Talrijke wandelaars passeren, veelal kortgeknipte grijsaards, stellen met stoere schoenen en norse blikken.

'Wie had gedacht dat wandelen het medicijn tegen Corona zou worden?' zegt Nietzsche, rusteloos voorovergebogen wippend, met zijn benen over elkaar. 'Wie had gedacht dat de mens anno 2020 nog een been voor het andere zetten zou?'

Van Gogh wrijft in zijn handen. 'Nu had ik wel een broodje brie gelust.'

'Ik dacht dat jij voor proviand zou zorgen,' zegt Nietzsche, quasi geheimzinnig. 'Sta me toe een pijpje te stoppen.'

'Je gaat je gang maar... Ik vind het wel jammer trouwens dat je de tragiek van de schilderkunst niet inziet, dat er voor jou altijd een muzikaal of theatraal aspect moet zijn.'

'Ik zal voor jouw schilderijen een uitzondering maken,' zegt Nietzsche tussen het trekken aan zijn pijp door. 'Vooral voor je zelfportretten trouwens. Die zijn beslist tragisch. En heus niet alleen die met het afgesneden oor, alhoewel die misschien toch wel het meest.'

Van Gogh staat op, loopt het bos in en stuit op een piepklein appeltje. Hij bijt het rotte stuk eraf, spuugt het uit en gaat weer zitten, zijn buit trots bestuderend. 'Uit alles wat jij geschreven hebt spreekt de bijna fysieke pijn der eenzaamheid,' zegt hij, zonder Nietzsche aan te kijken. Hij neemt een muizenhapje. 'Maar je hebt humor. Die heb ik ook, maar niemand heeft er oog voor.'

'Wij zagen de wereld, maar namen er geen deel aan. Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik ken de liefde alleen uit krantenberichten.'

Nietzsche klopt zijn pijp leeg op de rand van het bankje. Met de lange nagel van zijn pink reinigt hij de kop, die de vorm heeft van een apenschedeltje.

Van Gogh heeft zijn appel op, inclusief klokhuis. Het steeltje houdt hij plagerig tussen de lippen. Hij staat op.

'Als ik thuis ben, zal ik je een brief schrijven.'

'Doe dat,' zegt Nietzsche. 'Ik kan niet beloven dat ik terugschrijf.'