98. Geen verhaal maar wel waar (III)

Meneer en mevrouw Tsjechov



Mijn vader aan de telefoon. Dat het hem toch wel dwars zit, zoals ik hem op deze plek recentelijk heb geportretteerd. Dat hij mijn helpende hand weigert – weigeren is een te groot woord bij nader inzien, hij neemt hem gewoon niet aan. 
Aha, ik raak aan een gevoelig punt.
Weet je, zegt hij, ik heb mijn hele leven aan de andere kant gestaan. Ik was degene die hielp. Ik ben het niet gewend om geholpen te worden.
O, dus dat was het. Het heeft inderdaad niets met de oorlog te maken (of misschien toch een beetje want in de oorlog hielp iedereen zichzelf stel ik me zo voor), maar vooral met het feit dat hij zijn werkzame leven een zorgberoep heeft uitgeoefend. Eerst huisarts, daarna bedrijfsarts aan de TU Eindhoven.
Mooi beroep trouwens, huisarts. Ik zou bijna zeggen een literair beroep. Van alle beroepen vormt niet advocaat, journalist, dominee, natuurkundige of psychiater maar huisarts denkelijk de beste ondergrond voor literaire grootheid. Denk aan Tsjechov, Céline, Vestdijk. Ik heb mijn vader om die reden wel eens geprobeerd aan het schrijven te krijgen, maar dat is op niets uitgelopen; nu probeer ik het, met meer succes, bij mijn moeder.
'Jij bent ook nooit ziek geweest,' zeg ik. 'Ik kan me niet herinneren dat jij ooit ziek was. Een huisarts mag niet ziek zijn.' (Meteen denk ik erachter aan, dat is mijn beroepsdeformatie, mooie titel voor een verhaal of novelle: De zieke huisarts, die gaat op mijn lijstje van te schrijven verhalen.)
'Inderdaad.'
Daarom schrok ik ook zo toen ik hem een aantal jaar geleden voor een zware operatie in het ziekenhuis zag liggen. Ik had nog nooit zoiets gezien: een zwakke vader. Een zwakke vader vreet aan je existentie.
'Vaders mogen niet ziek zijn, ze mogen geen zwakte tonen,' ga ik verder. Traditionele vaders bedoel ik. Moderne vaders wel, die doen niet anders, die gebruiken de zwakte als een ironisch schild.
Het is even stil. Vroeger zou je samen luisteren naar het gezellige gekraak van de telefoonlijn, alsof je samen rond het haardvuur zat. Nu hoor je helemaal niets meer en vraag je je af of de ander er nog is.
Mijn vader is er nog. En hoe.
Mooi dat we een gesprek hebben over gevoelens. Gevoelens zijn lang taboe geweest in mijn familie, en misschien wel in elke huisartsenfamilie. Pijn was weliswaar een gevoel – fysieke pijn –, maar daar moest je tegen kunnen. Daar werd je hard van. Alleen in geval van nood nam je een pil.
Die hardheid heeft denk ik wel weer te maken met de oorlog; gelukkig maar.
'Trouwens erg fijn dat je mijn scootmobiel weer aan de praat kreeg,' zegt hij nog. Hij maakt geen grap. Toch moet ik lachen.
'Dat was mazzel. Hij maakte gewoon weer even contact.'
Net zoals wij.





97. Helga's ondergrondse




Natuurkundeleraar Brandt ging er op uit in travestie om inlichtingen in te winnen voor het verzet. Zijn natuurkunde kwam hem van pas bij de vervaardiging van een geloofwaardige boezem. Vanavond had hij zich in een koningsblauwe jurk gehesen, zichzelf kettingen omgehangen en een bruine pruik en lippenstift opgedaan, maar er wel voor uitkijkend, dat hij niet buiten de lip stiftte, want dat zou verdacht zijn. Slordig gestifte lippen wezen op onervarenheid, slechte vermomming of dronkenschap – signalen die Brandt niet wilde afgeven. Zulke fouten konden levensgevaarlijk zijn.

Hij had ook nog een handtasje omgedaan met een aardappelschilmesje erin, voor de zekerheid.

Helga vond hij dat hij vanavond moest heten. Hoge hakken had Helga niet aangedaan, want daar kon ze niet op lopen, in plaats daarvan balletschoentjes in grote maat. Te voet zou ze naar het broeinest gaan voor SS'ers en Gestapo's om zich daar als meisje van plezier aan te bieden. Een meisje van plezier met extra mogelijkheden, was het idee.

Helga had zich voorgenomen om zo snel mogelijk handtastelijk te worden. Als haar slachtoffer uit was op een verzetje, zou die dat onmiddellijk laten blijken. Ze was ervan overtuigd dat mannen die zich inlieten met een travestiet minder remmingen kenden, dat ze ook loslippig werden, geneigd om wat over hun werk los te laten, tussen de bedrijven door.

Met een droge keel van de spanning doorkruiste ze het park in de richting van het broeinest. Het was al laat, maar het zou nog zeker twee uur open zijn. Het was een koele zomeravond. Daarom had ze een cape omgeslagen. Ze zag er goed uit, in deze gedaante zou het haar geen moeite kosten om binnen te komen. En inderdaad, toen ze aankwam bij de ondergrondse sociëteit werd ze onmiddellijk door de portier verwelkomd alsof ze een vaste klant was.

'Gutenabend,' zei de portier, 'sie sind allein?'

Helga knikte en glimlachte.

'Wunderbar.'

De portier knipoogde en liet haar binnen.

Het was druk en rokerig. Geen muziek. Het geroezemoes was oorverdovend. Als je je oren niet spitste hoorde je niet dat er Duits werd gesproken. De tafels stonden vol met halve liter glazen bier.

'Waarom deed je zo lang over?' vroeg een gedistingeerde oudere man zonder uniform in het Duits, die meteen op haar was komen aflopen, haar cape aannam en die over zijn arm hing. Hij zag er niet uit als een nazi, eerder als een Engelsman. Hij had kort grijs haar, een gouden brilletje en een sardonische glimlach rond de mond. Hij deed Helga denken aan de rector van het gymnasium waar Brandt doceerde.

Terwijl Helga de man recht in zijn ogen aankeek, bracht ze haar ene hand naar zijn kruis, oefende lichte druk uit op wat ze daar voelde, terwijl ze met het topje van de wijsvinger van de andere hand over haar vochtige, gestifte onderlip ging.

Meer was niet nodig.

'Zullen we een stukje wandelen?' zei de Duitser. 'Ik heb het hier wel een beetje gezien.'

Helga hoorde aan zijn ademhaling dat hij opgewonden was.

Helga knikte, langzaam. Dat was cruciaal: ook al werden mannen nog zo ongeduldig, zij moest haar kalmte bewaren. 

Een paar minuten later stonden ze buiten in het park. De portier leek niet verbaasd dat ze nu alweer vertrok, en niet in haar eentje.

Maar Helga was er nog niet, integendeel: ze had een willige nazi, maar nu moest ze hem nog aan het praten krijgen. Ze moest weer gas terugnemen, anders dacht hij nog maar aan een ding.

'Ken je nog een mop, ik heb zin om te lachen,' zei ze. Ze was verbaasd over zichzelf, hoe goed ze dit speelde. Humor was een beproefde manier om de intimiteit vast te houden, maar de lust te laten verdampen.

De Duitser kwam na veel vijven en zessen met een matige grap. Daarna zei hij dat hij pipi moest machen, en verdween in de bosjes. Hij kwam niet meer terug.



96. xXx




Wonen op Mars, overwoog xXx, was allemaal leuk en aardig, maar hij had nog steeds tinnitus. Nog altijd had hij sterk de indruk dat de keuzes die hij maakte bij de proteïne-shakes die hij nam voor ontbijt, lunch en avondeten, volstrekt arbitrair waren. Koffie. Framboos. Kip. Hij was eenzaam, maar hij was dat altijd geweest, hij zou zich zelfs op een andere planeet geen leven kunnen voorstellen dat niet door wat hij noemde die humane grondhouding gekenmerkt werd.

Dat had niets van doen met zijn naam. Iedereen onder de twintig had tegenwoordig zelfgekozen codenamen. Het hele voornaam achternaam gedoe met vergezochte betekenissen waarmee ouders zich van elkaar probeerden te onderscheiden (of juist niet) was al lang geleden afgeschaft. Namen veranderden ook voortdurend, net zoals kamers en straten; ze waren fluïde, dat was een van de weinige leuke dingen zelfs aan het contemporaine leven op de rode planeet.

Naar gangbare Martiaanse maatstaven was xXx beslist niet onknap, maar ook niet onlelijk. Enfin, medium, zoals de meesten, en dat had ook wel iets veiligs. Eigenaardigheden als zijn linkeroorschelp, die tegen zijn kale schedel aangegroeid was, en de rare tic die hij had om steeds voordat hij iets ging zeggen met zijn tongpunt zijn boventanden aan te raken, had hij ongecorrigeerd gelaten.

Overigens sprak hij nog maar nauwelijks. Eigenlijk alleen 'au' als hij zijn teen stootte (zulke dingen gebeurden nog maar niet vaak), en 'oe' als hij klaarkwam (idem).

Nee, zijn eenzaamheid was fundamenteler, die had te maken met het besef dat contact ook en juist in tijden van virtuele relaties, die traditionele relaties thans vrijwel geheel hadden vervangen, een pipe dream bleef.

xXx had het geprobeerd, daar lag het niet aan, met alle mogelijke entiteiten, hij was behoorlijk open minded geweest over de soorten relaties die hij was aangegaan, maar steeds had hij het gevoel gehad dat het ware leven elders was, dat de meeste emoties en gedragingen geveinsd waren, ook die van hemzelf, en dat zijn leven op Mars niet zozeer zinloos was, als wel volstrekt voorspelbaar. Het was steeds moeilijker gebleken in tijden van total information awareness en instant afstand overbrugging enig reliëf aan te brengen in de dag, verrast te worden, iets authentieks te beleven, ergens, met iemand, al was het maar voor even. (Een paar goede seconden konden een dag redden, maar vind ze maar eens.)

Bevrijding zocht hij vooralsnog in werk. xXx gaf leiding aan de ontwikkeling van Kreateur, de eerste kunstenaar-robot, binnenkort zou het eerste prototype worden gelanceerd, maar er waren zorgen. Niet over de technische details, of het algoritme, daar was grondig over nagedacht, de ingenieur-bots werkten uiterst precies, veel preciezer dan een mens, maar xXx werd geplaagd door de angst dat dezelfde ingenieurs hem een streek leverden. Dat ze vlak voor de lancering de boel zouden opblazen, of dat ze hem systematisch hadden misleid over de voortgang.

Misschien was hij paranoïde. Paranoïa was goed, het hield je scherp, maar het was ook erg vermoeiend.

Gezichtsverlies, aantasting van het ego, afwijzing: je zou denken dat op Mars anno 2170, voorbij de pioniersjaren in zekere zin, zulke sociale ongemakkelijkheden vlotjes konden worden gladgestreken met behulp van frontale kwab-therapie, maar niets was minder waar.

xXx betrapte zich erop dat hij zich de laatste tijd steeds minder verheugde op zijn op handen zijnde onsterfelijkheid.

Het alarm dat om hem heen afging, in diverse toonsoorten, maakte hij onklaar.

Nu zou alleen nog een kleine elite op aarde afweten van xXx' status, maar het was altijd weer spannend of ze het nodig vonden om in te grijpen.




95. Het fantastische diner

Cy Twombly: Blooming



Het wij zijn fantastisch huis heeft veel ramen aan de voorkant, hele grote, waardoor voorbijgangers goed kunnen zien hoe fantastisch wij het hebben. Wij zitten aan de eettafel, die fantastisch is uitgelicht, en die reusachtig is, want als wij het fantastisch hebben willen we het met zo veel mogelijk mensen fantastisch hebben; wij geloven in het verspreiden van het fantastische gevoel. Moeten wij zeggen dat wij er fantastisch uitzien? Ja, het kan nooit kwaad dit nog eens extra te benadrukken. Niet alleen zijn wij fijn uitgelicht, daar heeft de interieurarchitect goed over nagedacht en niet alleen daarover trouwens, ook over de zwarte vloer en de bloedrode badkamer, maar we beschikken ook over fantastische features. Neem B., die heeft een fantastische jurk aan, zeg nou zelf, met rozen die wegzwemmen, maar ook H., die een fantastisch pak aan heeft getrokken, hij ziet eruit als de dood, en trouwens, nu we toch bezig zijn, mag het best gezegd worden dat onze J. met zijn fantastische creatie ook fantastisch macaber oogt. Je zou denken: wat vermoeiend, al die fantastische mensen in dat fantastische huis, maar niets is minder fantastisch. Wij hebben fantastische gesprekken. De onderwerpen die J. aandraagt zijn alleen al fantastisch, en H. weet er ook altijd zo'n fantastisch lugubere draai aan te geven. B. staat te koken, ze begint daar al vroeg mee, en ze kookt fantastisch, of had ik dat al gezegd? H. had dan ook fantastische boodschappen gedaan. J. zou het als een belediging beschouwen als we zouden zeggen dat hij de tafel fantastisch had gedekt. Het is geen dekken, het is regisseren. De tafel is een decor, wij zijn figuranten en alles ziet er hoe dan ook fantastisch uit. Net toen we dachten waar blijven W. en K., onze fantastische gasten, de hoofdrolspelers van vanavond, kwamen ze er aan, de timing kon niet anders dan fantastisch worden genoemd. Wat fantastisch dat jullie er zijn, zei B. en ze had gelijk, daarmee gaf ze gehoor aan het algemene gevoelen. W. en K. brachten fantastische bloemen mee, het was een ronduit fantastisch boeket, en fantastische wijn ook nog. H. nam de wijn aan, zei dat hij er fantastische dingen over had gehoord, terwijl J. een vaas ging zoeken. Een fantastische, voor minder deed hij het niet. Het fantastische diner nam een aanvang. J. kwam, toch nog onverwacht, met een fantastisch hakmes uit de keuken en hakte op W.'s schouder in, terwijl H. met een fondueprikker prikte in K.'s wangen, het spoot meteen alle kanten op, wat een fantastisch effect gaf. B. kreeg toen ook de geest, sloeg een fles fantastische wijn kapot en draaide de kapotte kant in het gezicht van W. ; we hoorden de glasscherven schrapen tegen zijn neusbrug. De gasten bloedden fantastisch en terwijl ze bloedden keken wij elkaar aan en we waren het stilzwijgend met elkaar eens: dit is fantastisch. Gelukkig liepen precies op dat moment mensen langs die een blik naar binnen wierpen door de fantastisch grote ramen anders was het allemaal voor niets geweest.

94. Max krijgt een spuitje

Jay Schmetz



De eerste of de derde persoon, dat is de vraag. Ja, of de tweede persoon, maar dat is een uitzondering, een abberatie. Is de derde persoon, of de tweede desnoods, een afspiegeling van de eerste, is het een smoes, een excuus voor de eerste? Is het gebruik van de derde persoon een voortzetting van de eerste persoon met andere middelen? Schrijft een auteur hoe dan ook altijd weer over zichzelf?
Max was een teckel van zestien, of bijna zestien, en hij kreeg een spuitje. Het was mooi geweest, zijn leventje zat erop. Het was een goed leven, geen honger, genoeg aandacht en warmte, regelmatig uitlaten ook, maar hij kon nauwelijks meer op zijn poten staan en was zwaar incontinent. Bovendien was hij dement. Alles bij elkaar opgeteld genoeg reden voor zijn baasje om diens levenseinde kunstmatig te bespoedigen.
Moet je je voorstellen: zestien jaar deel uitmaken van een familie, want dat is toch wat je doet als hond, en dan ineens wordt er, eenzijdig toch wel, besloten dat je beter dood kunt zijn dan levend. Ondraaglijk lijden bij een hond is lastig vast te stellen, om nog maar te zwijgen van voltooid leven. Het perspectief van het baasje is doorslaggevend, en hoe kan het ook anders, hij betaalt de dierenarts. Wie betaalt, bepaalt. Nergens is dat zo duidelijk als bij huisdierbezitters.
Mijn een na laatste ervaring met Max – ah, daar is meneer de auteur weer, de eerste persoon kan het weer niet laten zichzelf op te voeren – was op het strand van Scheveningen. Max zijn baasje en ik voerden een druk gesprek terwijl we driftig voortwandelden. We liepen tegen de wind in, op weg naar de pier, en werden geheel in beslag genomen door uiterst belangwekkende onderwerpen die ik me nu absoluut niet meer kan herinneren.
Wat ik me nog wel goed kan herinneren was dat we Max kwijt waren. Wat wilde het geval, het geval wilde van alles, maar vooral dat Max ver achterop was geraakt, en dat niet alleen, hij volgde het verkeerde baasje. Dat kwam, hij leed aan ouderdomsstaar en was zo goed als blind. Zijn baasje floot, riep: Max! Ik floot en riep: Max! Maar dit alles had nul en generlei effect. Max was namelijk zo goed als doof. We moesten hem gaan halen. Hij was niet geheel verbaasd dat hij achter de verkeerde was aangelopen, dacht: kan gebeuren, ik heb ergere dingen meegemaakt. Wat me ontroerde was hoe het baasje Max optilde, gewoon zo bij zijn buik, van de grond, als een opgerold tapijt, en hem onder zijn arm mee vervoerde op de elektrische scooter mee naar huis.
De laatste ervaring met Max was minder memorabel omdat hij werd vertroebeld door de ervaring met een andere teckel, een jonge teckel, die de geliefde van het baasje van Max zichzelf had toebedeeld (op aanraden van het baasje van Max natuurlijk, zul je net zien, geen dier zo inwisselbaar als een geliefd huisdier, nog voordat je onder de zoden ligt word je geconfronteerd met je vervanger). Een heerlijke, speelse, actieve, knuffelige teckel, deze jonge teckel van de geliefde van Max' baasje. Niet het knorrige, stekelige, warrige oudje; het contrast met Max kon niet groter zijn.
Max sleepte zijn buik over de vloer, liep tegen de tafelpoot op en ja, kon niet meer.
De jonge teckel sprong, likte, gilde van levenslust, het was bijna pijnlijk om te zien hoe overbodig de oude was geworden.
Als alle schrijven een manier is om de vervlogen tijd tegen te houden, vast te pakken, terug te draaien, moeten deze woorden worden opgevat als een eerbetoon aan Max.


93. Vuilnisroman




Mijn naam is A.A. en ik kom uit een vuilcontainer. Geen vuilnisbak, mind you, met zo'n ludieke deksel, maar een vuilcontainer, een ondergrondse stalen bak van twee kubieke meter, te openen aan de bovenzijde met een schuif, waardoor er zich een cilindervormige ruimte openbaart, die zichzelf leegmaakt als de schuif weer wordt dichtgedaan – tenminste zo zou het moeten.
Mooi mechanisme. Zulke containers waren in de jaren tien en twintig van de eenentwintigste eeuw nog vrij algemeen in gebruik, totdat ze plaats moesten maken voor betere, soepelere, schonere systemen van afvalverwerking, waar we nu aan gewend zijn.
Ik zat in een Jumbotas. Zo'n stevige, gele. Het was tot daaraan toe om in de vuilcontainer te worden gedumpt, wist ik veel, maar om een paar meter de diepte in te vallen was minder. Nog minder was het om daarna uw vuilniszakken te incasseren, die landden boven op mij, gelukkig waren ze niet zwaar, anders had ik het niet overleefd, dan was ik in de Jumbo-tas gestikt, bedolven onder huishoudelijk vuil. Etensresten, blik, verpakkingen, you name it; ik hoef u niets uit te leggen.
Iedereen weet alles allang. Ik was in februari 2021 de bekendste baby van Nederland. Een bekende Nederlander, maar ik had er weinig profijt van, ik zat niet in talkshows. Het was geen bekendheid waar ik om had gevraagd. Het was een bekendheid waar niemand om had gevraagd.
Men vraagt mij wel eens of ik de persoon die gewezen heeft op mijn aanwezigheid in de vuilcontainer dankbaar ben.
Een ridicule vraag.
Ik heb enige tijd met de vraag rondgelopen of ik die persoon, en niet alleen die persoon, zou moeten aanklagen.
Waarom heeft die persoon mij niet laten liggen, waarom heeft die het nodig gevonden om de hulpdiensten, de politie te attenderen op mijn persoon? Wat had voor zin? Waarom heeft deze persoon mij, of meer precies: mijn babygehuil, niet genegeerd? Was dat zo moeilijk? Zeker, dan was ik vroeg of laat overleden aan de honger of dorst (die twee waren voor mij op dat moment hetzelfde), maar dan had ik deze geschiedenis, die ik u nu vertel, niet met mij mee hoeven dragen, dan had ik deze geschiedenis met mij mee het graf in genomen.
Het graf waar ik al in lag.
Men heeft nog lang geprobeerd mijn geschiedenis voor mij verborgen te houden. Dat was nobel. Dat getuigt van goede bedoelingen. Maar het heeft niet gewerkt, omdat alles vroeg of laat uit komt.
Bijna alles.
Gelukkig heb ik de literatuur ontdekt. Ik zal de mensen versteld doen staan met mijn levensverhaal. Want ja, hebt u al een roman gelezen die begon met de zin Mijn naam is A.A. en ik kom uit een vuilcontainer? Met het succes van mijn vuilnisroman zal ik de wereld veroveren, dat zal mijn ultieme wraak zijn op alles en iedereen.

92. Geen verhaal maar wel waar (II)




Mijn vader neemt mijn hand niet aan als ik hem wil helpen. Corona zal meespelen, maar hij is gevaccineerd en volgens mij weigerde hij daarvoor ook al. Als eenennegentigjarige die slecht ter been is, lijkt mij dat iedere hand welkom is, maar hij ondersteunt zich liever zelf. Als hij de keus heeft tussen mijn hand en de handgreep van de rollator kiest hij voor de laatste. Als ik hem omhoog wil helpen uit een stoel dan laat hij mijn hand in het luchtledige hangen.
Ik begrijp zijn hang naar autonomie; toch verwacht ik kennelijk af en toe dat zijn afkeer van afhankelijkheid (van zijn jongste zoon nog wel), het aflegt tegen zijn behoefte aan steun. 
Tijdens ons bezoek wees ik een paar keer op deze eigenaardigheid, maar niemand reageerde.
Ik vermoed dat hij de hand van mijn moeder wel aanneemt, hoewel ik hem dat niet heb zien doen.
Ondersteuning nodig hebben is vernederend, maar moet worden afgewogen tegen andere vernederingen. Stel voor dat ik helemaal niet zou aanbieden om hem te helpen, en hij viel, wat dan? Ik stel me zo voor dat ik, als ik zelf aan de beurt ben, me dankbaar zou vastklampen aan de helpende hand van een van mijn zoons, maar misschien denk ik tegen die tijd ook 'zelfredzaamheid of de dood'.
Mijn vader is een ouderwetse vader. Een vader die nog altijd bang is om van zijn voetstuk te vallen. Ik heb nooit op een voetstuk gestaan, wat als nadeel heeft dat er niet naar mij wordt opgekeken, maar als groot voordeel dat ik er ook niet van af kan vallen.
Moderne vaders worden bespot in plaats van gevreesd. Ik krijg trappen tegen mijn achterste van mijn elfjarige, in plaats van eerbied en ontzag.
Ik geloof wel dat ik enige punten bij mijn vader heb verdiend door zijn scootmobiel, dat halverwege de wandeling plotseling dienst weigerde, weer aan de praat te krijgen, maar zeker ben ik daar niet van. Ik heb zo'n vermoeden dat mijn vader mij hoe dan ook niet in een zorgverlenende rol wenst te zien, en zichzelf niet in een zorgnemende.
Hij viel bijna om. Dat gebeurde toen hij een afritje van de stoep de straat op te ruim nam. Ik stond naast hem, klaar om hem op te vangen, maar als hij werkelijk was gekapseisd was ik weer nutteloos geweest, zoals altijd.
Zie je nou wel!
Hier is een verschil tussen fictie en non fictie: de val van mijn vader, met zijn scootmobiel, terwijl ik erbij sta en niets kan doen, of niets doe, is een mooie premisse voor een verhaal, maar in een stukje zoals dit waarin ik het eigenlijk over iets anders wil hebben, namelijk de zorgweigering van mijn vader, vormt de mogelijkheid ervan slechts een zijpad.
Hij vond het niet leuk dat ik een foto maakte van hem in zijn scootmobiel. Een moderne vader zou er met (zelf)spot mee om kunnen gaan. Misschien is dat het grootste verschil tussen mijn vader als vader en mijzelf als vader: ik neem mijn vaderschap niet altijd serieus, probeer er zelfs aan te ontsnappen als het me teveel wordt. Ik ben dan ook nauwelijks kostwinner, laat staan een ouderwetse, degelijke, zoals hij altijd is geweest, en als iets ontzag inboezemt, dan is het inkomen.
Of zou het toch weer met de oorlog te maken hebben?
Het is moeilijk vol te houden dat de oorlog er niets mee te maken heeft.
Ik moet mijn vader eens vragen of zijn vader zijn helpende hand ook niet aannam, toen hij in de negentig was.

91. Het magere meisje achter de balie van de etenszaak




Het magere meisje achter de balie van de etenszaak had een grote mond met volle lippen en ze lachte veel, dus haar magerte zei niets over haar.

Of toch?

Als iemand zo mager is en ze werkt bij een etenszaak, vraag je je af of er iets mis is met het eten maar er was niets mis met het eten, alleen zou zij het deel ervan met vlees nooit eten, omdat ze vegetariër is, zei ze.

Al mijn hele leven, voegde ze eraan toe.

Ik ken niemand die al zijn hele leven vegetariër is. Anne is vegetariër sinds haar achtste.

(Later zei Anne, toen ik haar dit 'verhaal' – sorry – vertelde: dan waren haar ouders ook vegetariër. Dat ik daar zelf niet op was gekomen.) 

Ik ken geen obese vegetariërs. Ik weet niet of er een verband is. Misschien zijn vegetariërs meer gespitst op wat ze eten, kunnen ze zich van nature beter beheersen en verklaart dat waarom ze minder neiging hebben tot obesitas.

Ondertussen keek ik hoe het magere meisje, gekleed in een zomers jurkje, – ik kon haar ribben tellen –, mijn bestellingen klaarmaakte. Bij gebrek aan obers bekijken in restaurants is dit een goede tweede. Toen ze me wat liet proeven kon ik haar vingers bestuderen: geen magere vingers. Integendeel, goed gevulde, sterke vingers. (Nauwelijks nagels. Lijkt me ook onhandig in een etenszaak.)

Ik vertelde, ik was in een praatzieke bui, dat Anne wel vis eet. Niet hele vissen, alleen in de vorm van sushi.

Het magere meisje lachte. Zelf at ze 'natuurlijk' geen vis, hoewel ze goed begreep dat sushi heel lekker kon zijn.

'Ze is dus eigenlijk een pescetariër,' zei ik, ietwat verontschuldigend (als ik al iets ben dan opportunariër).

Het magere meisje, zo bleek, maakte een uitzondering, namelijk voor ei, mits verwerkt (niet herkenbaar). Een begrijpelijke uitzondering, die Anne ook maakt, anders valt er veel af in de patisserie-sfeer en dat zou jammer zijn.

Jezelf dingen ontzeggen is sowieso jammer, maar het getuigt wel van karakter. Het magere meisje had trouwens ook een glutenallergie, wat weer niets met karakter van doen heeft. (Misschien is dat hele karaktergedoe wel onzin.)

Hou je van pannenkoeken, vroeg ik, voordat ik de zaak verliet.

Ja heerlijk! zei ze. Gisteren heb ik er nog twee gegeten. Met glutenvrij deeg en havermelk. O, o, o, wat zijn pannenkoeken lekker!

Inderdaad.

Ik was nog een beetje meer van haar gaan houden.

Vraag: heb ik haar met een white middle aged male gaze beschreven?

90. De liquidatie




Vanaf het moment dat ik C. opnieuw tegenkwam op straat, wist ik dat het moest gebeuren, maar hoe? Waar? Hoe kreeg ik hem op een plek waar dat rustig kon? Het was midden op een doordeweekse dag, het was onmogelijk om hem zomaar dood te schieten zonder dat iemand het zou opmerken. Ik heb nog overwogen om er iemand bij te halen, maar dat zou te lang duren en dan liep ik kans dat C. me opnieuw zou ontglippen.
Bovendien, dit was een privé-wraakneming en het moest een privé-wraakneming blijven.
Ik was C. drie weken geleden gevolgd uit zijn woonhuis met het plan om hem te vermoorden, maar hij kreeg me in de smiezen, vluchtte de markt op waar ik hem uit het oog verloor. Een paar dagen later had ik hem alsnog bijna waar ik hem hebben wilde, maar toen weigerde mijn pistool. Een ongelooflijke afgang.
Dat zou me niet nog eens gebeuren.
C. wandelde samen met zijn vrouw over de stoep alsof er niets aan de hand was. Zijn jaspanden wapperden in de wind.
Het was mild voor de tijd van het jaar, iedereen had zijn winterkleren opgeborgen om weer in dunnere jassen naar buiten te gaan. Ik denk dat dat me geholpen heeft. Het opmerkelijk milde weer stemde overmoedig. C. was overmoedig en ik was overmoedig. Zonder overmoed was het me denk ik niet gelukt.
Ik had nog nooit iemand vermoord en na deze moord zou ik ook nooit meer iemand vermoorden.
Ik zette mijn fiets tegen een boom en liep achter het tweetal aan. Niemand zag me, denk ik.
Vlak voor Huize V., waarvan ik de sleutels had, naderde ik C. van achteren. Ik haalde het pistool uit mijn binnenzak, vergewiste me ervan dat het geladen was, schoof de slede naar achter en zette de dunne, koude loop tegen de bleke nek van C.
'Niet omkijken. We gaan hier zo direct de eerste straat naar links.'
C.'s vrouw slaakte een gilletje.
'Als ik u was' , ik weet ook niet waarom ik u zei tegen de vrouw, 'zou ik maken dat ik wegkwam.' Ze versnelde haar pas, liep een stukje van ons vandaan, daarna was ze verdwenen.
Ik dirigeerde C. naar links de straat in en toen na een pas of tien naar binnen bij Huize V., dat geheel ontruimd was, een bouwval.
'Ga maar daar naast die schouw tegen de muur staan.' Ik was verbaasd over mijn koelbloedigheid. Ik had dit nog nooit gedaan, maar nu ik het deed, voelde het als iets natuurlijks.
'Dit blijft niet zonder gevolgen' mompelde C., die probeerde met zijn overmoed zijn angst de baas te blijven. Het leek wel of hij rekening hield met deze liquidatie, dat hij hem had verwacht, dat hij er in zekere zin naar had verlangd.
'Je hebt mijn vrouw en dochter verraden,' zei ik, met toch nog iets van een trilling in mijn stem.
C. zei niets meer, liet zijn hoofd tegen de muur rusten en sloot zijn ogen.
Ik aarzelde niet. Na het eerste schot, recht in zijn gezicht, ging hij door de knieën, hij zakte langzaam in elkaar. Ik wachtte tot hij helemaal stil op de grond lag. Toen gaf ik hem nog een genadeschot.
Eerst durfde ik hem niet aan te raken, maar toen vond ik in zijn binnenzak zijn identiteitskaart en een portemonnee, die vrijwel leeg was. Ik stopte alles weer terug.
Daarna ben ik naar mijn groep gefietst om te vertellen dat C. dood lag in Huize V.. Er werd nauwelijks gereageerd. Diezelfde nacht hebben R. en ik het lijk in de plomp gegooid.
Na de oorlog ben ik berecht en schuldig bevonden wegens de moord op C., maar ik kreeg geen straf.

89. De vreemde man




Hij stond in de speeltuin het geheel te observeren. Ik had hem niet eerder gezien. Hij was grijs, wat aan de vadsige kant maar niet dik, droeg een lange zwarte jas (net zo een als ik heb) en stond met zijn schoenpunten overdreven naar buiten gekeerd bij een van de banken opgesteld. Waarom ging hij niet zitten? Hij had zijn handen in zijn jaszakken en keek wat voor zich uit en om zich heen. Dat was opmerkelijk, want alle andere aanwezigen keken naar kinderen, die van henzelf of de kinderen met wie hun kinderen speelden. Of ze keken op hun telefoon.
Het is niet verboden om in een speeltuin te zijn zonder kind bij je, herinner ik me nog dat ik dacht; we leven nog altijd in een land waar elk mens zich, binnen een bepaalde bandbreedte, vrijelijk door de publieke ruimte mag bewegen.
Na een poosje was ik hem vergeten. Of eigenlijk: ik was gewend geraakt aan zijn verschijning, ik keek niet meer op van zijn afwijkende houding. De andere ouders dachten hetzelfde.
In een speeltuin in de stad leren ouders elkaar via de kinderen snel kennen, soms zelfs voor een middag maar. Het duurt niet lang voordat ze hun kinderen aan elkaar toevertrouwen. Jij blijft hier toch nog wel even? zeg je dan bijvoorbeeld. Ik ben zo terug.
Ouders hebben een geheim bondgenootschap met andere ouders, een wederzijdse zorgbelofte voor zolang het duurt.
Impliciet is dat de ouder tegen wie je zegt dat je even weg bent (je zegt dit zelden of nooit tegen een niet-ouder), voor die periode de verantwoordelijkheid overneemt over jouw kind, het gezag, de zorg. Drie termen die niet hetzelfde betekenen, maar in de context van een speeltuin op hetzelfde neerkomen. Je troost een kind als het zich bezeert, je helpt een kind als er een probleem is, je spreekt het vermanend toe (tot op zekere hoogte) als het zich misdraagt, je slaat alarm bij een ramp.
Ik keek naar een ouder en zei: ik moet even mijn telefoon halen. Dat was gelogen. De telefoon zat in mijn broekzak. Ik moest naar de wc, maar dat vond ik wat gênant om te zeggen. Kon ik het dan niet ophouden? Waarom nam ik mijn kind niet mee?
Ik ben zo terug, zei ik tegen mijn kind, nadat de plaatsvervangende ouder me goedkeurend had toegeknikt.
Ik nam me voor het kort te houden.
Het was in ieders belang, niet alleen dat van het kind, maar ook het mijne, dat ik het kort hield.
Terwijl ik naar huis liep wierp ik nog een laatste blik op de vreemde man, de enige die geen kind bij zich had, en die ook niet op zijn telefoon keek, of een boek las – want dat had ook nog gekund.
Ik sloeg de hoek om.
Mijn kind bevond zich definitief buiten mijn blikveld.
Ik weet nog goed hoe het voelde toen ik mijn kind voor het eerst een blokje om liet gaan, hem voor het eerst helemaal uit mijn zicht liet verdwijnen, hem op eigen krachten door de buurt liet navigeren. Dat was een waterscheiding, een mijlpaal, voor hem, maar ook voor mij.
Het voelde alsof ik opnieuw de navelstreng doorknipte.
De ouder in de speeltuin aan wie ik de verantwoordelijkheid had overgedragen, de stand in-ouder zogezegd, haar telefoon ging, ze nam op, het was een belangrijk telefoontje. Deze moet ik nemen, dacht ze.
Het was zelfs zo'n belangrijk telefoontje, voor haar althans, dat ze zich, al bellende, enigszins verwijderde van de luidruchtige groep kinderen, zich daarna half omdraaide, en tenslotte helemaal, om zich beter op het gesprek te kunnen concentreren.
De kinderen, haar kinderen, mijn kind, waren in de zandbak en het zag er niet naar uit dat ze daar binnenkort uit zouden komen.
Niemand had mijn kind nu nog in het oog, behalve enkele andere ouders misschien in de periferie van de speeltuin, aan wie ik niet had gevraagd even op mijn kind te passen, en de vreemde man die zonder kinderen in de speeltuin stond.
Kinderen kijken elkaar nauwelijks aan. Alleen als ze samen spelen, soms.
Toen ging het snel. Want de vreemde man, zo hebben we later gereconstrueerd, moet iets tevoorschijn hebben gehaald waartegen mijn kind niet bestand was, hij moet hem een voorstel hebben gedaan dat hij niet kon afslaan.
Snoep kan dit niet geweest zijn, want mijn kind is niet zo'n zoetekauw. Waarschijnlijk was het een gadget. Als er iets is waarvoor mijn kind onmiddellijk voor de bijl gaat is het een gadget.
Dat kan een heel simpel gadget zijn, dat hoeft niet eens een laptop of een iPad te zijn. Iets elektronisch. Iets met een knop erop, die, als je hem indrukt, iets in gang zet.
Misschien was het een drone. Een kleine, die hij in zijn zak had zitten, opgevouwen.
Ik weet dat hij zo'n ding heel graag wil hebben, dat hij dat het allermooiste is wat er bestaat. En wij hebben hem al verteld dat hij hem van ons niet hoeft te verwachten.
Toen ik terugkeerde van mijn zo kort mogelijke bezoek aan de wc, ik denk dat ik alles bij elkaar niet langer ben weggeweest dan vijf minuten, was zowel de vreemde man verdwenen, als mijn kind.
De ouder aan wie ik mijn kind had toevertrouwd was nog steeds aan het bellen. Niet meer met haar rug naar de zandbak, zoals eerst, maar ook niet met haar volle aandacht bij wat er in de zandbak aan de hand was.
De andere ouders, die ook aanwezig waren, hadden niet gezien wat er was gebeurd.
Ze wilden wel geloven dat mijn kind er niet meer was, ze wisten ook dat er een man had gestaan die er nu niet meer stond, een man die ze nog niet eerder gezien hadden inderdaad, maar ze hadden de verdwijning van de een niet gekoppeld aan de verdwijning van de ander.
Ik moest denken aan dat experiment waarbij een man in een paars gorillapak door een kamer loopt maar niemand ziet hem omdat de aandacht expliciet op iets anders is gericht.
Ondertussen was ik mijn kind kwijt.
Iedereen was in rep en roer, de ouder aan wie ik gevraagd had op mijn kind te passen was in totale paniek, voelde zich al meteen heel erg schuldig, maar ik ging er nog steeds van uit dat er niets aan de hand was. Zelfs al was mijn kind meegegaan met de vreemde man, dan nog dacht ik dat ze alleen maar voetbalplaatjes gingen halen, of iets dergelijks, of dat mijn kind de man ging helpen met zijn demente moeder.
Ik heb hem nooit meer teruggezien.






88. Amandine




Amandine Tavernier woonde in een weinig charmant rijtjeshuis in een treurige buitenwijk van Parijs, zo'n wijk waarvan je denkt: is dit nu Parijs, waarom zou een mens hier willen wonen, als hij in Parijs woont? Maar ze woonde er met redelijk genoegen, samen met haar knappe zoon Javier, achttien jaar oud inmiddels.
Amandine was ook niet onknap, maar ze had de knapheid van haar zoon toch vooral te danken aan de vader, of meer in het bijzonder aan het zaad van de donor, dat ze uit Spanje had betrokken. Amandine was namelijk niet in staat geweest een man te vinden in Frankrijk die haar had willen of kunnen bevruchten.
De oorzaak zou de premisse zou kunnen zijn van een pornofilm, maar dat wil niet zeggen dat hij geen waarheidsgrond had.
Amandine was niet geïnteresseerd in vaginale seks, vaginale seks deed haar niets, laat staan dat het haar tot een orgasme zou kunnen brengen; daarentegen was ze erg anaal georiënteerd. Sterker, anale seks was de enige seks die haar opwond, de enige seks waar zij op uit was als en indien zij een man had gevonden met wie zij het bed wenste te delen dan was het bruinwerken of wegwezen. Op de vele dates die zij had voor de geboorte van Javier, bracht zij haar sine qua non steeds tijdig ter sprake, nog voordat de gang naar de slaapkamer, of zelfs maar 'your place or mine' was ingezet, maar de mannen waren hier niet voor teruggedeinsd, integendeel, ze waren eerder geprikkeld, geïntrigeerd, ronduit opgewonden zelfs, door de idee.
Maar als ze dan met Amandine naar bed gingen – ze legde haar mannen op hun rug, rolde een condoom over hun lid af en ging vervolgens boven op hen zitten, om voornoemd lid met grote hoeveelheden glijmiddel van achter in te brengen; zij schoof als het ware hurkend haar anus over hun lid op en neer – dan bleken zij hier moeite mee te hebben. Niet zozeer met de condoom of haar anus, als wel met de ondergeschikte positie die ze innamen, en het totale gebrek aan facetime of pillow talk. Amandine reed zichzelf zo snel mogelijk naar een hoogtepunt; het genot dat de onderligger hierbij wel of niet ervaarde, was strikt secondair, hetgeen ook moge blijken uit haar gewoonte om de man na gedane zaken rücksichtlos de deur te wijzen. Er kon zelfs geen kopje thee af. 
Het moge duidelijk zijn: Amandine Taverniers seksuele voorkeur viel lastig te rijmen met traditionele gezinsvorming. Daar kwam nog bij dat alleenstaande vrouwen in Frankrijk, een aartsconservatief land, niet in aanmerking kwamen voor zaaddonatie.
Even overwoog ze een vriend of kennis te vragen zijn zaad af te staan, waarmee zij zichzelf vervolgens op de door God en Darwin bepaalde wijze kon bevruchten, maar ze vreesde dat die verwekker zich vervolgens met haar kind ging bemoeien en dat wilde zij onder geen beding.
Het progressievere Spanje bood uitkomst. Amandine reisde naar Madrid, haalde daar zaad – op de menukaart stond  'machozaad' en 'mietjeszaad'; het werd iets ertussenin – spoot die bij zichzelf in met een olijk gevormde spuit (ze maakte er nog wel een feestje van door zichzelf simultaan te stimuleren met een vibrator in de vorm van een stier). Uit deze intieme gebeurtenis werd Javier geboren, vernoemd naar Javier Bardem.
Toen Javier het huis uitging om in Barcelona industrieel ontwerpen te gaan studeren (zo'n detail dat je niet verzint), vroeg Amandine zich af of ze hem de waarheid zou vertellen. Ze had altijd tegen hem volgehouden dat ze tijdens een reis door Spanje een intieme nacht had gehad met een man die Javier heette, en met wie ze nadien alle contact had verloren.
Ze besloot Javier in de waan te laten, waardoor hij, bewust of onbewust, in Spanje op zoek ging naar zijn vader. Door stom toeval kwamen ze elkaar ook een keer tegen, bij de buitenbar op het Crazy Mother festival in Madrid, zonder het te weten. Ze keken elkaar recht in de ogen aan, alsof ze elkaar herkenden, maar toen de zaaddonor, die eigenlijk Geraldo Bolas heette en die zich tot de herenliefde had bekeerd, iets te lang bleef haken aan zijn blik, draaide Javier de andere kant op en vervolgde zijn weg.

87. Big fucking deal




Godverdegodver – ja, sorry hoor, ik ben het verbod op vloeken voorbij, die godskolerelijder die uren op de wc zit en nooit ook maar een vin verroert, die godverdomme gewoon geen ene kloot uitvoert, terwijl ik me sta uit te sloven voor hem, ik maak eten, was zijn kleren, regel al zijn afspraken, en hij doet geen ene flikker en hij heeft er niet eens een goede reden voor... En wat dacht je, dit is iets van de laatste weken? Maanden? Nee: jaren! Wat heb ik misdaan om dit te verdienen? Waarom moet ik deze gifbeker helemaal tot de laatste druppel leegdrinken? Ik bedoel, gisteravond vraag ik hem een klein dingetje. Of hij even zijn fiets naar de fietsenmaker wil brengen. Kleine moeite. Die fiets is al weken kapot. Nee hoor, lukt niet. Kan niet. Wordt 'm niet. En waarom niet? Omdat hij geen jas heeft, en zonder jas gaat hij de straat niet op. Hoezo heb je geen jas, vraag ik, iedereen heeft een jas. Nou, zegt hij, die van mij is te klein, die past niet meer. Dan bestel je toch een nieuwe jas, zeg ik. Je gaat online en je zoekt wat uit in jouw maat en ik betaal de rekening, en dat ding wordt in no time bezorgd. Big fucking deal. (Daar ga ik weer.) Of je pakt mijn jas. Ik ga echt niet in jouw jas naar buiten als je dat soms denkt, zegt ie, waar zie je me voor aan? En hij glimlacht er zo charmant bij, weet je, zoals hij bij alles wat hij zegt charmant lacht, tenminste als ie niet nijdig is en kwaad en agressief, want dan springt ie op mijn nek of hij valt me van achter aan, geeft me een keiharde vuistslag in mijn lendenen. Dat is niet zo grappig als je aan de ontvangende kant staat, ik schrik me wezenloos, ik krijg nog eens een hartverzakking... En altijd te laat komen, echt voor alle afspraken die ik maak... Ik maak een afspraak, hij komt te laat. Dat is het thema. Variaties op het thema: ik maak een afspraak, hij komt helemaal niet opdagen, omdat hij de afspraak is 'vergeten', en dat tot twee, drie keer toe. Ook een leuke: ik maak een afspraak en ik herinner hem een paar keer aan die afspraak, en dan, als de afspraak er aan komt, alle klokken zijn gelijk gezet, iedereen staat op scherp, het is een hele belangrijke afspraak, er hangt van alles van af, zonder die afspraak kunnen we niet verder, dan zegt hij, bijna tussen neus en lippen door: eh, ik weet niet of ik wel ga... Waarom niet, in godsnaam, godverdomme, roep ik dan uit, schreeuw ik in zijn gezicht. Weet je hoeveel moeite het me gekost heeft om die afspraak voor jou te maken? Weet je wat hij dan zegt? Ik heb er niet zo'n goed gevoel over. En ik houd niet zo van dwang. Nee, ik houd ook niet van dwang, ik pik ook liever een paar graankorrels van de grond dan dat ik een trechter in mijn snavel krijg gestouwd waardoor ze ik weet niet wat door mijn strot duwen... Maar ja, er moet wel iets gebeuren, hè, want zo kan het niet langer, je leven glijdt aan je voorbij... Kijkt ie me weer aan met dat charmante smoelwerk van hem. Zo'n scheef hoofd, knipperende ogen, zo'n gezicht waar je een moord voor doet, en, ik zal je eens wat vertellen, als hij nog een keer een afspraak verknalt, dan... nee, dit is grootspraak, dat weet ik ook wel, natuurlijk doe ik hem niets, en dat weet hij, dat is de vuiligheid, dat is de totale oneerlijkheid ervan bekeken vanuit mijn standpunt, dat is de chantage, want hij mag alles en ik mag niks, want ik wil iets van hem en hij wil niets van mij, ik ben de verantwoordelijke en hij is de afhankelijke... Als het aan mij ligt gooien we het roer radicaal om. Als het aan hem ligt koersen we rustig verder. Prima zo! Inertie, niks mis mee! Lethargie: de nieuwe levenslust! Doodziek word ik ervan, dat is een ding wat zeker is... Ik weet eigenlijk ook niet waarom ik jou hiermee lastig val, wat heb jij hiermee te maken? Ja, wie heeft wat dan ook met wie dan ook te maken? Dat zou ik wel eens willen weten... O, daar zul je hem hebben. En, heeft meneer lekker zitten kakken? Nou, anders wij wel.

86. Life is fragile, when to panic? (slot)




Daar lag hij, Frederik Dumoulin, naast Paradiso, in dezelfde slaapzak als die waarin ik Lukas Einthoven had aangetroffen, vlak voor de Korte Winter. Het was ons niet te doen om de narratieve rijm van dit kop-staartverhaal,  deze circulaire vertelling, maar we gaven hierbij gehoor aan de laatste wens van mijn geliefde.

Wat te doen als iemand graag dood wil? Snel handelen. Anders wil hij misschien weer leven.

Ik was er overigens niet bij.

Lukas deed de begeleiding. Die was uiterst summier. Frederik wilde geen poespas. Die exacte woorden, en hij was een woordenman, gebruikte hij. Geen poespas. Crematie. Geen toespraken, geen vergoelijkingen, geen humoristische of juist tranentrekkende biografische schetsen, geen vrienden of familie; het kwam goed uit dat hij gebrouilleerd was met zijn familie en geen vrienden had. Hij had wel vijanden, maar die zouden het uit de krant halen. Die zouden de obligate advertenties van de universiteit, de faculteit en de vakgroep emotieloos onder ogen krijgen.

Wij hadden ook een overlijdensadvertentie gecomponeerd.

Frederik Dumoulin, geesteswetenschapper

1957 - 2021

Dat was alles. 'De kakkerlak kan zijn rechten niet doen gelden in de bek van de vogel.' Dit citaat wilde hij er graag boven, maar dat heb ik tegengehouden. Hoe mooi ik dit Surinaamse gezegde ook vind, die had hij trouwens van mij, zoiets plaats je niet boven een rouwadvertentie.

'Is er dan werkelijk niets, lieverd, dat jij in je lange loopbaan als hoogleraar hebt gehoord, gelezen of zelf geschreven, dat je wilt meegeven aan de mensheid, over je graf heen?' had ik hem gevraagd op de avond voordat Lukas en hij naar Paradiso zouden gaan om hun ding te doen.

We zaten weer aan de cognac, de cognac ging er in grote hoeveelheden doorheen de laatste dagen van zijn leven.

Ja, hij wist wel wat, hij kon wel wat tevoorschijn toveren, hij had een hele verzameling literaire citaten, Bijbelse spreuken, filosofische adagia paraat, de ene nog toepasselijker dan de ander, en toch voelde het nep, ook en juist voor een beroepsintellectueel. 'Ik moet niet zo moeilijk doen en gewoon in die slaapzak gaan liggen en wachten tot ik dood ben,' zei hij. 'That's all there's to it.'

'Ben je dan niet bang?'

Woest en jongensachtig voor zijn doen schudde hij zijn hoofd. Dat gebaar ontroerde me, het deed me terugdenken aan onze begintijd, toen hij mij, een net gescheiden zwarte moeder, een wandelend cliché, met mijn baby, in Artis aansprak. Dat was leuk, dat was mooi, daar was iets unieks uit voortgekomen dat jaren naar beider tevredenheid had geduurd. Hij had me veel geleerd, uit boeken vooral. Ik had hem verteld over het leven dat je diende te leven, niet van een afstandje aanschouwen, dat er lijden was dat zich niet in woorden liet uitdrukken.

Hij had het voor kennisgeving aangenomen en was weer verder gegaan met lezen.

Met Lester was het nooit iets geworden. Hij was ongelooflijk gefrustreerd, Frederik, hij werd verteerd door een hogere frustratie zoals misschien alleen een – spierwitte – hoogleraar die kon voelen. 

'Nee, ik ben niet bang, El. Ik verheug me.' Hij kon het zelf ook niet geloven dat hij dat zojuist gezegd had. Hoe kon een mens zich verheugen op zijn eigen einde, zeker als dat einde zich zoals in zijn geval zo tergend langzaam zou voltrekken?

Waarom moest het zo? Dat wist hij ook niet, maar het moest.

Lukas ging elke dag kijken. Elke dag gaf hij de stervende water. Na tien dagen was het gebeurd, de stervende dronk niets meer omdat hij was gestorven.

'Wat waren zijn laatste woorden?'

'Truste.'

De politie deed er nog vrij lang over om hem te vinden. Enige connectie met het eerdere signalement aan wijkagent Hans, dat wij, dat Frederik nota bene had gegeven van de buitenslaper in de vrieskou, werd niet gelegd. De informatiesystemen van de hoofdstedelijke politie waren nog niet je dat.

Hij was alleen maar dankbaar, Frederik, hij was iedereen dankbaar, koesterde geen wrok of wat dan ook, en wenste mij en Lukas en Lester een goed resterend leven toe, met de materiële weelde die zijn hooglerareninkomen en -pensioen ons nog verschafte.

De nacht, de laatste nacht, nadat Lukas was teruggekomen met de mededeling dat Frederik niet meer ademde, werd ik om drie uur schreeuwend wakker. Het was lang geleden dat ik een nachtmerrie had gehad. Ik droomde dat mijn man in de dichtgeritste, zwarte slaapzak aan de wandel was gegaan en dat hij puur op zijn gevoel naar de Sarphatistraat was gelopen, als een levensgroot beerdiertje, en dat hij bij ons in de slaapkamer binnen was gekomen en dat hij zich bovenop ons had gestort.


 

 

85. Life is fragile, when to panic? (X)





De dooi had definitief ingezet.
Ik weet nog dat ik een ijsbreker door de grachten zag varen en het ijs hoorde kraken tussen de woonboten, lange scheurlijnen schoten als bliksemschichten over de glasachtige vloer, en dacht: zinloos geweld. Wacht een, twee dagen en de massieve hardheid is vanzelf, als bij toverslag, verdwenen.
De zaken namen een dramatische wending toen Frederik, nadat Lukas Einthoven drie weken bij ons had gelogeerd, bij het avondeten – het was weer een sushi-avond – plechtig verklaarde dat hij dood wilde.
'Wat zeg je me nu?' Ik meende het. Ik had nog nooit enige doodswens bij hem bespeurd. Ja, hij maakte er wel eens grapjes over, zoals hij overal grapjes over maakte, maar nooit meer dan dat. 'Waarom zou jij, Frederik Dumoulin, herstel: professor Frederik Dumoulin, een einde aan je leven willen maken?'
'Het is mooi geweest,' zei hij. Niet sip, niet gelaten, niet bedroefd, niet dramatisch, gewoon, op dezelfde toon als iemand zou zeggen: de vaatwasmachineblokjes zijn op.
Hoe vreemd en onverwacht deze openlijke euthanasieverklaring ook klonk, ik was niet geschokt. Ik kan niet zeggen dat het nieuws me verheugde, nee, zo ben ik niet, en trouwens, ik hield nog van hem, we hadden jarenlang met elkaar geleefd, we hadden – hoeveel? – fotoboeken samen (niet samengesteld, want het samenstellen deden we niet, er waren zelfs feitelijk geen fotoboeken, het samenstellen lieten we aan Apple Foto over), en, een niet onbelangrijk detail, hij had me uit de wind gehouden. Sinds BZ me niet meer boekte voor buitenlandse posten en ik evenmin op het ministerie werd gevraagd landen en hoofdsteden te stampen (zoals Frederik mijn diplomatieke werk zo aardig definieerde), voelde ik me nutteloos. Mijn inkomen was nooit heel hoog geweest, maar was langzaam aan het verdampen.
Ik was van hem afhankelijk. Dat was de keiharde, niet zo flatteuze waarheid.
Bij Frederik Dumoulin weggaan was geen optie.
'Wanneer ben je op het idee gekomen?' Terwijl ik de vraag stelde, we zaten aan de cognac, we hadden al aardig wat cognacglazen geleegd, keek ik naar Lukas Einthoven, die zich weer eens van zijn zwijgzame kant liet zien. Ik was van zijn zwijgen gaan houden. Ik was zijn zwijgen gaan verkiezen boven het eeuwige gezwatel van Frederik. Lukas keek niet naar mij, hij keek naar zijn cognacglas, dat hij bijna horizontaal hield, de vloeistof stroomde er net niet uit.
Frederik gaf geen antwoord, behalve dan dat hij met zijn hoofd schudde als om te zeggen: wat doet dat er in godsnaam toe, verzin eens een betere vraag, ik verdien een betere vraag...
'Vind je me niet meer aantrekkelijk?' 
Frederik had mijn aantrekkelijkheid altijd bejubeld, geroemd, bezongen, en als ik heel eerlijk was, moest ik hem gelijk geven. Zeker vergeleken met hem.
Toeval of niet, ik had me diezelfde dag nog in de spiegel bekeken.
Het was in de gang. Ik had mijn roze nepbontjas aan. Mijn haar had ik net nog gestraight, dus dat zag er strak uit, met een zwarte haardband hield ik het geheel op zijn plek. Mijn nieuwe bril, een rechthoekige, gaf me iets strengs, maar ook iets sensueels. Iets streng-sensueels. Mijn huid was gaaf. Mijn volle lippen glommen als geoliede babybillen.
'Elvira, je weet dat ik je altijd heel erg aantrekkelijk heb gevonden dus dat is het punt niet, het is ook niet zo dat ik niet meer van je houd, integendeel, zoals je weet ben ik dol op je, maar ik heb sterk het gevoel dat het leven mij niets meer te bieden heeft, behalve meer van hetzelfde, het verlangen is weg, ik heb niets meer om naar te streven er valt voor mij niets meer te bereiken... Noem het voltooid, noem het ondraaglijk lijden, dat kan me niet schelen, maar ik ben er klaar mee.'
Awkward stilte. Mega awkward stilte. Ik liet hem lang duren. Ik ging hem niet niet beëindigen, de stilte, iemand anders mocht dat doen. Ik had een aantal vragen gesteld, daar was geen goed antwoord op gekomen.
'Ben ik het?'
De vraag voelde als een dolkstoot in de rug, waarbij het lemmet nog een paar keer werd omgedraaid tussen de ribben. Althans, dat leidde ik af uit Frederiks gepijnigde gezichtsuitdrukking. Opnieuw keek ik naar Lukas, maar die keek naar Frederik, want ja, aan hem had hij de vraag gesteld.
Frederik antwoordde indirect. Hij kon geen nee zeggen en geen ja. Hij kon alleen maar heel erg lang om de hete brei heendraaien. Maar ik denk dat de conclusie toch wel moest zijn dat Lukas er iets mee te maken had, dat Lukas niet geheel irrelevant was in dit verhaal, dat zijn komst iets had bewerkstelligd in het hart, in het brein van de oude hoogleraar, dat hij dacht: ik heb een waardige opvolger gevonden.
Toen zei hij iets dat een siddering veroorzaakte bij mij, zijn geliefde.
'Lukas, ik wil dat jij het doet.'



  

84. Life is fragile, when to panic? (IX)

Hendrick Avercamp, IJsvermaak bij een stad


Het schaatsen was een succes, al hadden we geen schaatsen. Frederik kan het woord schaatsen niet eens uitspreken, die is daar veel te geleerd voor. Alle schaatswinkels waren leeg en voor last minute marktplaats-deals waren we te laat. 'Dan schaatsen we op onze schoenen,' zei Lukas opgewekt. Zijn opgewektheid sprak me aan. Frederik was zelden opgewekt, eigenlijk alleen als hij iemand anders ten onder zag gaan.

We gingen Lester van het station halen. De treinen reden weer. Hij kwam op me afrennen. Ik omhelsde hem als een liefje dat een soldaat verwelkomt die terug is gekeerd uit de oorlog.

'Lester, dit is Lukas, een oude vriend, nou ja, kennis... Lukas, dit is Lester, mijn zoon.'

Ze begroetten elkaar overdreven vormelijk. Lukas keek verlegen. Ik dacht wel dat dat was gemeend. Lester keek verwachtingsvol, ook al waren er geen schaatsen.

'Sorry,' zei ik. 'Ik heb alles geprobeerd, toch?'

Lukas knikte. 'Om te schaatsen heb je geen schaatsen nodig.'

En verdomd, in het Oosterpark stapten ze op het ijs (ik bleef aan wal want ik haat ijs; het enige ijs dat ik ken is schaafijs met siroop) en daar gingen ze. Zeker, niet zo hard, maar toch, de rit was er niet minder om. Lukas ging voor. Voorovergebogen, de handen op de rug, ging hij links, rechts, links, rechts, de ijsvloer over. In zijn kielzog mijn kleine jongen. Eerst nog jaloers naar andere kinderen kijkend die wel een stuk ijzer hadden ondergebonden, maar daarna steeds trotser op de meer poëtische manier van schaatsen die Lukas Einthoven had bedacht.

Gelukkig had hij nog meer in petto. Hij had ergens een touw vandaan gehaald en een stuk karton. Hij verzocht Lester op het karton plaats te nemen en het ene eind van het touw vast te houden. Lukas sleepte hem voort over het ijs, maar dat niet alleen, op het grote meertje begon hij de jongen rap in de rondte te draaien, steeds harder, Lester vloog voorbij, hij kreeg tranen in zijn ogen, en toen Lukas stopte, keek hij pas echt trots in het rond – of iedereen hem wel gezien had, in zijn ijsdraaimolen, en dat was het geval. Er had zich een hele meute verzameld. Kinderen en volwassenen. Ze wilden ook.

Bij de uitgang van het park luisterden we nog even naar een zingende contrabassist in de sneeuw, zoiets zie je niet vaak, en zeker niet in Almelo. Toen ik Lester een euro gaf om in zijn hoed te gooien, voelde ik een kus van Lukas op mijn hoofd. Ik deed of ik het niet merkte. Ik wou niet dat Lester het zag. Met de uber brachten we hem terug naar het station. Bekaf kwamen Lukas en ik thuis.

'En, hoe was het?' was Frederik nog wel zo beleefd om te informeren. Hij was bezig de haard op te stoken, een mooi karweitje voor hem.

'Vreselijk,' zei ik. 'Valentijnsdag in het park, windstil, de zon scheen af en toe tussen de wolken door, iedereen gleed in gelukzalige staat over het ijs, later was er nog een zingende contrabassist, dus ja, voor jou was er niets aan.'

'Mooi. Prima. Prachtig. Helemaal zoals ik me had voorgesteld.' Hij krabde over zijn buik en schonk zichzelf een glas wijn in. 'Jullie tortelduifjes ook toe aan een glaasje?'

Lukas plofte op de bedbank, dezelfde bank waar hij had geslapen, samen met Pous nota bene, met dat dier had hij opmerkelijk gauw contact gemaakt, net zoals met mij. Midden in de nacht, maar wat is midden in de nacht, was ik hem nog gaan bespieden. Toen ik hem zag liggen, als een pasgeboren baby, met Pous aan zijn zij, dacht ik: je mag me wel dankbaar zijn rotzak, dat ik je heb gered.


83. Life is fragile, when to panic? (VIII)






Lukas had zich tegoed gedaan aan de uitgebreide Indiase maaltijd. Hij had zich volgevroten, hij was aan het bunkeren geweest, het was een schouwspel om die man aan het eten te zien. Het naan-brood verscheurde hij tussen zijn tanden, de dal goot hij naar binnen en de biryani bleef hij maar opscheppen. Dat je dacht: als hij zo doorgaat, ontploft hij niet ongelijk Mr. Creosote in The Meaning of Life.

Er werd weinig gesproken, althans niet door Lukas. Als hij niet at, dronk hij zijn dirty mango lassi, onderwijl mij aankijkend, als om goedkeuring te vragen.

Zijn mond was continu bezig, maar niet met praten.

Frederik was zoals gebruikelijk weer vrij aan het associëren over welk onderwerp dan ook dat toevallig voorbijtrok aan zijn geestesoog.

Ik was het eerste klaar met eten. Hoewel ik me niet vol had gestouwd, voelde het alsof mijn maag als een ballon was opgeblazen en ieder moment kon knappen. Pous sprong bij me op schoot en spinde; dat deed ze niet zo vaak, zou het, dat ze zich op haar gemak voelde bij onze zelfverklaarde levenseindebegeleider?

Ik pakte mijn telefoon en verstuurde een bericht aan Lester, of hij morgen wilde komen, dan kon hij Lukas ontmoeten, een oud studiegenootje van me. Misschien kunnen jullie samen gaan schaatsen of zo.

Leuk, antwoordde Lester, met vijf uitroeptekens.

Tien over half negen in de avond was het inmiddels.

Alsof Frederik mijn gedachten kon lezen, zei hij: 'En meneer Lukas, waar had u gedacht de nacht door te brengen? Toch niet naast Paradiso? Het gaat vijftien graden vriezen. Dat willen wij niet op ons geweten hebben.'

Awkward stilte. Lukas antwoordde niet, maar beet in een stuk papadum, en daarna nog eens. We luisterden naar het gekraak van de papadum die door Lukas' kaken werd vermalen.

Frederik legde zijn bestek naast elkaar, ten teken dat hij wilde dat iemand, ik dus, zijn bord afruimde, alsof hij niet thuis, maar in zijn favoriete Indiase restaurant at, leegde daarna zijn biertje en haalde zijn eigen telefoon tevoorschijn uit de zak van zijn eeuwige tweedjasje. 'Ik bedoel, eh, avondkloktechnisch. Als je nog naar een hotel op zoek bent... het Amstel is hier schuin tegenover, ik zal eens kijken wat een kamer doet heden ten dage.'

Dat deed Frederik wel vaker, de kamerprijs in het Amstel checken. Hij had een theorie hoe de going rate een indicator was voor de gezondheid van de stad, het vertrouwen in de economie, een graadmeter voor de crisis, enzovoorts. Als de prijs voor een overnachting in de eenvoudigste kamer van het Amstel onder de tweehonderdvijftig euro zakte, dan waren de rapen gaar. Dan werd het oorlog. Daar was deze hoogleraar heilig van overtuigd.

'Heb je driehonderdvijfenzestig euro? Dan kun je vanavond pijnloos inchecken... wat heb je liever, uitzicht op de rivier of uitzicht over de stad? Let wel, op de Amstel vaart niemand en in de stad is niets te doen.'

Lukas pakte een nieuwe papadum van de stapel, doopte hem in een van de sauzen en stak hem soeverein in zijn mond.

'Hè Frederik,' zei ik, 'doe eens niet zo flauw.' Ik duwde Pous van mijn schoot af en stond op om de tafel af te ruimen en thee te zetten.

'Ik doe niet flauw. Ik geef jouw diplomatenvriendje wat opties.' Hij wendde zich opnieuw tot Lukas. Over zijn bril heenkijkend las hij van zijn schermpje: 'Hotel Flipper kost je vierentwintig euro en zevenenvijftig cent. Dat is de goedkoopste kamer in Amsterdam. Geen schoenpoetsservice, zoals in het Amstel, maar wel overlast van dronken of gedrogeerde gasten... Die zevenenvijftig cent ontroert me...' Hij borg zijn telefoon weer op. 'Die prijs is trouwens exclusief drie euro toeristenbelasting, maar die willen wij wel voor je ophoesten.'




82. Life is fragile, when to panic? (VII)




'Zal ik maar weer Indiaas bestellen, El?' vroeg Frederik door de badkamerdeur heen.
Ik moet oppassen dat dit verhaal niet te zeer leunt op klucht-achtige plotelementen, dacht ik, terwijl ik de beslagen badkamerspiegel schoonwreef en mijn gezicht van diverse kanten bekeek. Ik wist trouwens niet waarom ik me daarover druk zou moeten maken, want ik ben de verteller niet. Mij is nooit gevraagd een verhaal te vertellen. Ik ben de ik-persoon, dat is alles. Die rol wil ik nog wel op me nemen. De compositie van de wereld laat ik graag aan anderen over.
'Ja, doe maar. En bestel lekker veel. Honger!'
Frederik reageerde niet. Straks zou hij wel reageren, vermoedelijk, als hij Lukas Einthoven onder ogen kreeg, hoewel hij soms van die buien had dat niets werkelijk tot hem leek door te dringen, alsof hij opgesloten zat in zijn eigen brein.
Nu stommelde Frederik energiek de trap af. Hij leefde op bij het vooruitzicht van eten. Hoelang hadden we nu al niet meer zelf gekookt? We leefden op bezorgmaaltijden. Opmerkelijk hoe snel je er aan wende.
Toen Lukas klaar was met douchen, scheren en omkleden, – ik had een trainingsbroek een T-shirt en een trui van Frederik voor hem klaargelegd –, waren we eindelijk gereed voor de grote introductie. Maar Frederik was me voor want ik was nog niet de kamer in, of hij zei: 'Ik ruik mensenvlees.'
'Kan kloppen, we hebben een logé. Eigenhandig van straat geplukt, vanonder de sneeuwduinen bij Paradiso... May I introduce...'
Lukas wandelde de woonkamer binnen, zoals hij dat een uur eerder ook had gedaan, maar toen als verwaarloosde zwerver. Nu zag hij eruit als de manager van een sportschool. Ik weet niet hoe hij het had gedaan, maar zijn baardje zag er professioneel uit; gedistingeerd zonder bijbehorende ijdelheid. Naturel. Zeker, de kleur was nog steeds roestbruin, daar was niets aan te doen (of misschien toch, later), maar de vorm klopte.
'... Lukas Einthoven, geflipt diplomaat.' Ik keek Lukas aan en voegde eraan toe: 'Of moet ik zeggen: geflipt non-diplomaat?'
'Geen van beide.'
'Wat staat er op je visitekaartje?' vroeg Frederik, met een opgetrokken wenkbrauw.
'Levenseindebegeleider,' antwoordde Lukas droog. 'Maar ik heb geen visitekaartjes meer. Op.'
Ik grinnikte. Ik was de enige. Het was weer tijd voor een awkward stilte. Ik was maar wat blij dat dat woord de Nederlandse taal had verrijkt, anders was er geen woord om deze stilte te beschrijven. (Ongemakkelijk, ja, maar ook: weird.)
'Wat een eer, om een dak te mogen geven aan een dakloze.' Frederik probeerde de gastheer uit te hangen. 'Wat mag ik voor je inschenken? Ik drink zelf bier, dat vind ik toch het lekkerst bij Aziatisch eten.' Hij liep alvast naar de grote ijskast in de grote aanpalende keuken voor een blond biertje. Frederik was verzot op blond bier, hij had niets anders meer gedronken sinds het op de markt kwam.
'Ik drink wat Elvira drinkt,' zei Lukas. Sinds dat 'levenseindebegeleider' vond ik hem steeds meer op een meditatieleraar lijken, in plaats van een sportschoolmanager.
'En wat mag Elvira dan wel niet drinken?' vroeg Frederik vanachter de enorme ijskastdeur.
'Dirty Mango Lassi,' zei ik, 'daar heb ik echt zin in.'
'Heb ik niet besteld, El.'
'Nou, dan bestel je het toch alsnog? Twee graag.'
Met zichtbare tegenzin, ook al had hij zijn geliefde blonde biertje al aan zijn mond gezet, ging Frederik weer achter de computer zitten om zijn bestelling aan te passen. 'De bezorger is al onderweg,' morde hij. 'Hij rijdt nu over de Torontobrug.'
'Dan sturen ze vast nog eentje na. Hebben ze wat te doen.' Lukas was uit zichzelf in een fauteuil gaan zitten bij het grote raam dat uitzicht bood op de fraai verlichte gevel van het Amstelhotel. 'Ik geef ze altijd fooi,' ging ik verder. 'Je ziet dat ze daar van opleven. Ze putten zich uit in dankbaarheid. Dat is wat een beetje geld kan doen.'
Frederik liep op Lukas af, nam een flinke slok bier en zei: 'Iets voor jou, bezorger?'
'Hoe dat zo?'
'Nou, het houdt je van de straat, maar tegelijk op de straat,' zei Frederik. 'Er is veel werk op het moment.' Tevreden over zijn woordspeling en suggestie nestelde hij zich weer op de bedbank en sloeg het avondblad open.

 

Huishoudelijke mededeling van de aangenamere soort: het is gelukt!

Frans Lebret, Grazend schaap


Jawel, lieve lezers, vegers, staarders en plakkers, de eerste donatie van een mij volstrekt onbekende is een feit.

Ik geef toe, het is nog te vroeg om van een paradigmawisseling te spreken, maar er gebeurt iets. Iemand, ergens, heeft de bedoeling van mijn bedelarij begrepen.

Joechei!

Ik ga de naam van de donateur niet noemen, niet omdat die donateur daar om heeft gevraagd, maar om de spanning er een beetje in te houden.

Maar geloof me, ik ken deze persoon niet, en ik denk u ook niet.

Onmiddellijk heb ik, via de onvolprezen Bunq bank, 0,01 teruggestort aan deze donateur, bij wijze van bedankje.

Gelukkig bleef er toen per saldo nog iets aan mijn kant over.


PS: Geachte nobele donateur, als u een getikt boekje wilt ontvangen – u hebt er recht op – met de titel Lang leve de crisis, graag even een bezorgadres mailen aan viktor apestaartje viktorfrolke.com. De postbode kan veel, maar iemands adres raden blijft lastig.

81. Life is fragile, when to panic? (VI)




Vrij luid lag Frederik op de bedbank te snurken toen Lukas en ik op sokken de woonkamer binnen tippelden, dezelfde bedbank die ik in gedachten had voor mijn logé.
Afgezien van Pous, de poes, was het huis leeg en verlaten. Lester was alweer terug naar zijn vader in Almelo. Jammer, toch wel. Ik kon er niet aan wennen, dat hij alsmaar op en neer ging, maar het was niet anders. Er was geen goede oplossing. Ja, cut the kid in half, zoals Tom Yorke zong, maar hoe dan?
Ik voelde me schuldig dat ik er alweer te weinig voor hem was geweest. Ergens hoopte ik dat Lukas voor Lester een interessant iemand zou kunnen zijn, maar waarop was die hoop gebaseerd?
'Is dat je man?' vroeg Lukas, terwijl hij het schepsel op de bank met een zeker medelijden leek te aanschouwen. Hij lag er niet florissant bij. Zijn dunne haar zat door de war, zijn vettige bril hing schuin op zijn neus. Een knie had hij opgetrokken, terwijl hij met een behaarde hand in zijn broek zat. Zijn hoofd lag geknakt tegen de leuning.
Voor hem op de grond lag een exemplaar van The Economist met op de omslag We Are All Communists Now.
Op de achtergrond klonk zachtjes minimal music. Frederik luisterde alleen nog maar naar minimal music de laatste tijd, ik weet ook niet waarom, misschien dat hij daarom zoveel sliep.
'Frederik Dumoulin heet hij,' zei ik, met alle eerbied die ik nog kon vinden. 'Professor Dumoulin. Hij is hoogleraar.'
'Waarin?'
'Doet er niet toe. Weet ik niet. Iets.'
Lukas bestudeerde vluchtig de moderne kunst aan de wanden, geen enkel kunstwerk riep bij een reactie op.
'Mag ik misschien even douchen?' Lukas hield de punt van zijn baard naar me omhoog, met een gezicht van: je wilt niet weten hoe vies dit ding is.
Mijn idee. Giechelend nog van de glühwein hoewel die eigenlijk uitgewerkt had moeten zijn, stommelden we de trap op, meer lawaai makend dan de bedoeling was.
Ik zette de douche in de badkamer aan en droeg Lukas op zoveel mogelijk zeep te gebruiken en als hij zijn kansen wilde verhogen om niet onmiddellijk te worden verstoten door de de man des huizes, het sujet dat hij net beneden had mogen bewonderen, dat hij dan beter zijn baard kon afscheren. Ik overhandigde hem het scheermes van Frederik.
'Maar ik ben getrouwd met die baard!' riep Lukas. 'Die baard is een deel van mijn identiteit!'
'Dan fatsoeneer je hem. Van Karl Marx naar Erik Scherder, zeg maar. Probeer de gentleman in jezelf terug te vinden, Lukas.'
'Ik ben nooit een gentleman geweest. Ik zou niet weten hoe dat moet, ik stam af van boeren.'
'Het belangrijkste is dat je lekker ruikt, mijn man is erg gevoelig voor geur, hij ruikt beter dan ik, een van de redenen dat hij een algeheel flatulentie-verbod heeft uitgevaardigd in dit huis.' Ik giechelde.
Zogenaamd om handdoeken neer te leggen voor mijn gast, en deodorant, bleef ik wat rondhangen in de badkamer. Eigenlijk was ik wel benieuwd wat er bij hem aan de onderkant aanzat. Ik heb niet zoveel vergelijkingsmateriaal, ik zie alleen maar de onderkant van mijn geliefde. Laat ik het zo zeggen: die onderkant heeft betere tijden gekend. Hij krijgt hem nauwelijks nog omhoog, en als hij omhoog komt wil hij meteen weer naar beneden. En als ik er in slaag om hem omhoog te houden, ik heb zo mijn methoden, dan is de vraag of er iets uitkomt, ooit, en met hoeveel overtuiging.
Lukas' onderkant zag eruit alsof er nog wel wat leven in zat. En: besneden, zo te zien. Ha, dat vind ik geloof ik wel prettig. Wat heb je aan een voorhuid? Zomers op het strand doe je toch ook geen coltrui aan?
Er klonk gestommel op de trap.
'El?' hoorde ik roepen in de gang. 'El, waar ben je? El!'


 

80. Life is fragile, when to panic? (V)






Het was nog steeds koud, daar was niets aan veranderd, maar ik stond op A1, de witte koning bedoel ik, op het levensgrote schaakbord op het Max Euweplein, en Lukas Enthoven stond op A3, de zwarte koning, en hij bewoog zijn paard (in de vorm van een man met een joint) naar B3. Schaak. Zeker. Maar was het ook schaakmat?
'Ik sta schaak, dat is waar, maar ik kan nog vluchten,' zei ik. 'Het is onmogelijk om mij mat te zetten met een paard alleen.'
'Ik heb ook nog mezelf, de koning,' riposteerde Lukas.
'Dat kan wel wezen, maar dat is niet genoeg, je had nog een loper erbij moeten regelen, om mij definitief klem te zetten, en die heb je niet.'
De man die het paard was, de man met de joint,  liep van het schaakbord af en ging op de kast zitten waar de schaakstukken in waren opgeborgen, op slot wegens covid, stond erbij, en joeg opnieuw de brand in zijn joint. 'Mooie boel,' zei hij, de rook uitblazend.
'Wie heeft er nu gewonnen? Niemand,' zei Lukas. 'Remise, zoals het hoort.'
Ik vond het teleurstellend. Ik wist niet goed wat ik hier deed. Ik was met de fiets speciaal naar het Max Euweplein gekomen, (Frederik had me tevergeefs proberen tegen te houden), ik had openingen ingestudeerd, en nu was alles geëindigd in een patstelling. Alles voor niets. We hadden net zo goed niet kunnen schaken, dan was de uitslag hetzelfde geweest.
'Elvira,' zei Lukas.
'Ja?' zei ik. 'Wat is er?"
'Niks, ik wilde gewoon even je naam gebruiken.'
Er viel een awkward stilte. Niet de eerste, overigens.
'Ik heb het koud,' zei ik. 'Ik zou graag in een café gaan zitten met jou, in de Balie bijvoorbeeld, en daar een warme choco naar binnen werken, met rum, maar de Balie is dicht, alles is dicht.'
'Dan zit er nog maar een ding op,' zei Lukas.
'Nou, nou. Wacht even,' zei de man met de joint. 'Er zijn meer mogelijkheden. We kunnen bijvoorbeeld hier blijven zitten en deze joint met zijn drieën oproken. Best een goed idee.'
'Ik ga bij jou logeren, Elvira. Want vannacht gaat het echt vriezen. Hard, of diep, of hoe je dat noemt.'
'Hard,' zei de man met de joint en nam een diepe haal.
'Maar ik ben getrouwd,' zei ik, 'en ik heb een zoon, en mijn man haat je. Die had het liefst gezien dat je helemaal niet bestond.' 
'Daar heb ik niets mee te maken. Ik wil bij jou logeren.'
'Ik kan toch ook bij jou logeren, in je slaapzak naast Paradiso? Ik vind dat wel romantisch,' zei ik. 'Dan houden we elkaar warm.'
Misschien kwam het door de glühwein die ik had meegebracht in mijn thermos, dat Lukas en ik zo giddy waren, zo tipsy, dat we zo lichtvoetig met elkaar en de omstandigheden omsprongen. Je zou denken, als er alleen maar wat glühwein nodig is om giddy en tipsy met elkaar om te gaan, om het leven op te vatten als de grap die het ook is, dan drink je toch gewoon wat glühwein, maar zo werkt het 'dus' niet.
'Mijn slaapzak is te klein voor twee personen.'
'Ik kan mezelf heel klein maken.'
'Waarom moeilijk doen. Jij hebt een huis. Ik niet. We zijn diplomatieke collegae. Dus.'
Vooruit, hij had gelijk, het was te koud geworden voor tweespalt. Lukas zou bij mij achterop de fiets springen, en we zouden naar mijn huis fietsen. Maar wat zou ik moeten zeggen tegen Frederik?
Dat zouden we dan wel weer zien.
'De eerste les van het er maar wat op los leven is geen plannen maken,' zei Lukas. 'Werkt goed voor mij.'
'Ik denk dat ik het begrijp,' zei ik, terwijl ik mijn fiets in gereedheid bracht en een weg zocht tussen de bevroren sneeuwsporen op het fietspad. 'Je bent niet bang dat je troep gestolen wordt? Je slaapzak enzovoorts? Je koptelefoon?'
Er kwam geen antwoord.
'Hé, jullie!' riep de man met de joint, die het paard had gespeeld tijdens het potje schaak. 'Waar gaan jullie heen? Je kunt er niet zomaar vandoor gaan! Dat is niet eerlijk!' 


79. Life is fragile, when to panic? (IV)

Marcel Duchamp, Schakers


'En,' vroeg Frederik toen ik thuis kwam. Hij lag te lezen op de bedbank, zoals wel vaker. Ik lag ook vaak op de bedbank buiten bedtijden, maar als hij het deed irriteerde het me.

'Wat en,' zei ik, geprikkeld. Ik liep meteen door naar de keuken om het restje thee uit de thermoskan weg te gooien, de paaseitjes had ik zelf opgegeten. Ik zag dat Frederik nog geen aanstalten had gemaakt om eten te maken. Dat zou dan wel weer sushi worden. Maar goed, Lester hield ervan. Hij at vanavond bij ons, zat waarschijnlijk op zijn kamer te gamen, zijn enorme ski-jack hing aan de kapstok.

'Is ie kapotgevroren, die Paradiso-zwerver van je, of ligt ie lekker op de Jan van Galenstraat te chillen?' Het woord chillen kon Frederik niet uitspreken zonder spot, sowieso was het moeilijk voor hem om ernstig te zijn over ernstige zaken, zoals die betreffende leven en dood.

'Hij maakt het uitstekend. Morgen ga ik met hem schaken op het Max Euweplein.'

'Schaken?' Frederik kwam omhoog uit de bedbank en fatsoeneerde zijn kleren. 'Sinds wanneer kun jij schaken?'

'Dat je mij nooit hebt uitgedaagd wil niet zeggen dat ik jou niet van het bord zou kunnen vegen.'

'Hij wil je dus schaken,' mompelde Frederik geamuseerd. 'Dat wordt nog wat.' En: 'Schaken. O ja. Tuurlijk. The Queen's Gambit en zo.' Nog weer iets later, terwijl hij een glas wijn inschonk voor zichzelf: 'Eline Roebers, Jorden van Foreerst. Ik snap het. Hij leest nog kranten, die dakloze van je. Dat siert hem. Maar daar heeft hij natuurlijk ook alle tijd voor.'

Op weg naar huis vroeg ik me af hoeveel details van mijn bezoek aan de buitenslaper ik zou delen met Frederik, maar na deze opmerkingen besloot ik er helemaal het zwijgen toe te doen. Hij was mijn verhaal niet waard. Het was nog niet zo'n dramatisch verhaal, dat geef ik toe, maar toch: een verhaal.

De dakloze diplomaat. Dat klonk best goed, misschien iets te veel alliteraties, ook al was het niet helemaal waar. Toen ik het intranet van BZ afzocht op zijn naam, kon ik niets vinden. Ik vermoedde dat hij nooit was uitgezonden. Hij had nooit in dat afgrijselijke gebouw in Den Haag papier hoeven schuiven. Nooit volstrekt zinloze discussies over kwesties die ons niets aangingen hoeven bijwonen. Hij was opgehouden diplomaat te zijn voordat hij het was geworden, de beste diplomaat denkbaar.

Google, FB noch Twitter of welke 'social' dan ook kon me iets vertellen over het privéleven van Lukas. Het enige wat ik uit hem had gekregen was dat hij veel gereisd had.

Maar hebben we niet allemaal veel gereisd in ons leven – sommigen van ons, zoals Frederik, zonder zelfs maar van het pluche af te komen?

'Vannacht gaat het flink vriezen,' wist Lester aan tafel, zijn mond vol met sushi. 'Zo'n koudegolf hebben we al lang niet meer gehad.'

'Het weerbericht is voor de boeren,' sneerde Frederik die zelf inderdaad het tegenovergestelde was van een boer, hij behoorde tot de bevoorrechte chattering class, die nauwelijks verplichtingen had of de deur uit hoefde, zich nooit in het zweet hoefde te werken en toch een heel aardig maandinkomen opstreek.

Wat er boven zijn overlijdensadvertentie moest komen te staan, was nog niet helemaal duidelijk.

Ik had graag gewild dat het anders was, maar Frederiks inkomen maakte voor een groot deel mijn levensstijl mogelijk. Het was alweer drie jaar geleden dat ik terugkeerde uit Amman, mijn laatste post, en ik wist niet of ik ooit nog ergens heen mocht. Het hele circus van buitenlandse vertegenwoordigingen werd langzaam maar zeker afgebroken, tot er niets meer van over was.

In bed liggende naast een in diepe slaap verkerende, zuchtende en steunende Frederik, probeerde ik, niet ongelijk The Queen's Gambit, alvast enkele openingen uit op het plafond van mijn verbeelding.









78. Life is fragile, when to panic? (III)




Toen ik langzaam dichterbij sloop, zag ik dat er een fijne laag sneeuw over de slaapzak heen lag. Een witte deken over een zwarte deken.
De grote sneakers stonden er ook nog. Ze waren tot de rand toe gevuld met sneeuw.
Van de koptelefoon ontbrak ieder spoor, en ook de pet-fles was weg. Misschien had hij ze mee in zijn holletje genomen.
'Hello?' zei ik. Deze hello klonk minder overtuigend dan de eerste hello, die ik pakweg 24 uur geleden had uitgesproken. Aarzelender. Gedempter, ook. Het was dezelfde begroeting, maar tegen een andere achtergrond. Het was stiller worden. Elke lettergreep leek, zodra hij was uitgesproken, te worden opgegeten door de monsterachtige witheid. 'Excuse me!'
Ik weet niet wat me bezielde – dat weet ik wel vaker niet, Frederik denkt dat ik gek ben – maar ik knielde neer in de sneeuw en bracht mijn gehandschoende hand naar de slaapzak. Ik wilde hem aanraken. Opnieuw schoot mijn hoofd vol adrenaline toen ik daadwerkelijk mijn hand op de mensvormige bult legde, en daarna iets van druk uitoefende.
Ik voelde de motsneeuw neerdalen en smelten in mijn nek.
Ik moest denken aan Frederik, die had gezegd dat ik geen Florence Nightingale of Josephine Baker hoefde te spelen in een lieve stad, die voor noodopvang zorgde voor zijn daklozen. Hij had voorgelezen van zijn telefoon, dat 'dakloze mensen voor screening terecht konden aan de screeningsbalie van de GGD aan de Jan van Galenstraat 323, ingang B.'
'Bedankt voor de tip,' zei ik. 'Stel dat jouw zoon daar lag te bevriezen, zou je er dan ook op vertrouwen dat hij zich zou laten screenen aan de screeningsbalie, wat dat ook moge wezen?'
'Ik heb geen zoon,' zei Frederik, en wreef met een pink door zijn uitdunnende haar.
Ineens begon er wat te bewegen onder mijn hand. Ik schrok me wild. Alsof de dode omhoogkwam uit het vers gegraven graf. Ik trok onmiddellijk mijn hand weg en deinsde achteruit.
Een ritssluiting ging razendsnel open. Er kwam een verkreukeld gezicht tevoorschijn, een roestbruine baard eigenlijk vooral, ergens boven die baard ontwaarde ik ogen die me bekend voorkwamen. Bekender dan op grond van de onaangename interactie van gisteren verwacht kon worden.
'Lukas?' zei ik, ongelovig. 'Van het diplomatenklasje? Nee toch?' Ik schoot bijna in de lach om het toeval.
'Godverdomme. Ik heb hier helemaal geen zin in.' Hij klonk bits, maar niet agressief, gelukkig.
'Lukas Einthoven!' ging ik door, als ik eenmaal begin ben ik niet meer te stoppen, dat is mijn kracht maar ook mijn zwakte. 'Wij zaten bij elkaar in het diplomatenklasje, weet je dat niet meer, ben je dat vergeten? Zo lang is het niet geleden!'
Ik trok de muts van mijn hoofd, schudde mijn glanzend zwarte haar uit. 'Elvira Goudzand. Herken je me niet meer?' Half als grap stak ik mijn elleboog naar hem uit.
Hij kwam half overeind, pakte zijn telefoon om te zien of hij iets had gemist, gooide het ding toen terug in zijn slaapzak, waar ik ook zijn koptelefoon zag liggen, en zei: 'Waarom laat je me niet met rust?'
'Ik was het die gisteren jouw koptelefoon meenam. Eerst wilde ik je helpen, maar toen heb ik toch iets stoms gedaan, en dat spijt me.'
'Nu doe je weer iets stoms door terug te komen.' Hoe nors hij ook sprak, zijn basstem klonk me aangenaam in de oren, het was een van de weinige dingen die niet aan hem waren veranderd.
'Jij doet iets stoms, Lukas. Als je niet oppast vries je dood. Is de wijkagent niet langs geweest?' Ik pakte mijn thermos en schonk een kop thee voor hem in. Hij nam hem niet aan, dus ik zette hem voor zijn slaapzak neer, in de maagdelijke sneeuw, samen met twee paarse eitjes. Er viel een awkward stilte. 'Ik heb ook nog een kruik meegebracht.' Ik haalde de kruik tevoorschijn, in de gebreide etui. Die had ik niet zelf gebreid, want ik kan niet breien, maar dat maakte hem niet minder ontroerend. 'Hier, mag je hebben.' Ik hield de kruik voor zijn neus, een rood dopje dat door zijn baard heen stak. Hij pakte de kruik van me aan en smeet hem in een moeite door over het hek naar het braakliggende terrein.