13. Permanent tuckshop

Als Ludowitz een vlakvark tegenkomt, dat er flink de pas inhoudt, besluit hij achter hem aan te gaan. Liever de escort van een zwijn, dan helemaal geen escort, denkt hij. In de township, cq. informal settlement, kan alles en iedereen een Buchhandler uit de Witbooistraat tot escort dienen. Het totale gebrek aan twijfel als hij links en rechts afslaat, de ferme tred op de vage paadjes tussen de donkere hutten door, geeft Ludowitz het gevoel dat dit vlakvark precies weet waar hij mee bezig is en waar hij naar toe moet, maar na een drie kwartier durende achtervolging komt hij bij een permanent tuckshop uit, een lokale convenience store, die hij, denkt hij, eerder heeft gezien, al lijken alle tuckshops hier op elkaar. Het zijn provisorische winkels, winkels die vandaag lijken te zijn begonnen, en morgen misschien al niet meer bestaan. Permanent in de township is hooguit de township zelf. Het is koud geworden. Ludowitz kijkt op zijn ouderwetse Handy. Nog steeds geen bereik, hoewel hij de ene na de andere palmboom is gepasseerd waarin een zendmast schuilt, zoals Otomandu hem trots vertelde op weg naar het diner in zijn ouderlijk huis, toen de sfeer nog gemoedelijk, nee zelfs uitgelaten was. Dat moeten zendmasten zijn van een andere telefoonmaatschappij, maar daar wil hij vanaf wezen. Vreemd dat Ludowitz niet bang is. Hij zou bang moeten zijn. Heel Swakopmund is een vesting tegen het geboefte uit de township. De township is de enige plek waar geen hoge muren met prikkeldraad, beveiligingscamera's en herdershonden rondom percelen staan. Ludowitz is niet bang omdat hij geen bezittingen heeft, en in kleren rondloopt van begin jaren tachtig. Het enige wat hij bij zich heeft is zijn Handy, maar die mogen ze hebben, dan heeft hij een reden om van Magda een nieuwe te eisen, en een verfomfaaide, zo goed als lege, kinderportemonnee, waar hij allang afstand van had moeten doen. Hij had niets bij zich, behalve die bundel van Lichtenberg, maar die ligt nu in Otomandu's toilet. Wat was het dat Otomandu in zulke toorn deed ontsteken? Wat is er mis met het aforisme, volgens welk de wereld zich mag verheugen in, per saldo, meer vreugde dan leed?

12. Nu zou hij willen dat hij wat meer buiten de deur geweest was.

Het is aardedonker, er is niemand op straat, en aan het uitbundige, misschien zelfs ietwat overdreven uitspansel heeft Ludowitz op dit moment ook weinig. De Buchhandler, als een volle vuilniszak op straat gezet, volgt zijn intuïtie. Er zijn geen straatnamen, nauwelijks wegen; wat hij om zich heen ziet kan nog het beste worden omschreven als een schimmige verzameling houten hutten, onafgemaakte huizen en bergen troep, het verschil is moeilijk te zien. Zijn richtingsgevoel is nooit sterk ontwikkeld geweest; zijn avonturisme heeft zich zijn leven lang op de bladzijde afgespeeld, in zijn hoofd. Reizen is niet aan hem besteed. Reizen is voor de armen van geest, zo denkt hij er over. Magda denkt er heel anders over, en gaat uit protest af en toe toch op reis, al is het alleen maar een 'game drive' met de leden van de golfclub van Swakopmund, haar man alleen achterlatend met zijn boeken op de bank achter de gesloten winkel. Nu zou hij willen hij dat hij wat meer buiten de deur geweest was. Na 20 minuten ferm doorstappen – als ik alsmaar rechtdoor loop moet ik ooit aan het eind komen, redeneert hij, niet onzinnig, hardop – dunt de schimmige bebouwing uit, om uiteindelijk over te gaan in een strook semi-woestijn. Een briesje verwaait de stank. Democratic Resettlement Community, leest Ludowitz op een bord. In de verte staan straatlantaarns, maar ze zijn niet aan. In de verte zijn straten, maar er staan geen huizen aan, alleen rudimentaire bouwsels die onmogelijk bewoond kunnen zijn. Hij keert om. De Democratic Resettlement Community, in de volksmond informal settlement, ofwel de plek waar van het platteland naar de stad toegetrokken Afrikanen voor zichzelf zijn begonnen in de hoop op subsidie van de gemeente, zoals die ook wordt verstrekt in de township, is de laatste plaats waar hij dood gevonden wil worden.

11. Ein merkliches Übergewicht

'En wat dacht je van deze, Wolfie: Je mannigfaltiger die Begebenheiten sind, die sich ereignen, desto geschwinder verstreichen einem zwar die Tage, allein desto länger dünkt einen die Vergangene Zeit, die Summe deiser Tage; hingegen je einförmiger die Beschäftigungen, desto länger, werden einem die Tage und desto kürzer die vergangene Zeit oder ihre Summe. Schitterend!' Dat laatste citaat moest Ludowitz zelf nog eens overlezen, om het in zijn geheel tot zich te kunnen laten doordringen. Aha, nu zag hij het. Hoe minder er gebeurt, hoe langzamer de tijd verstrijkt, maar hoe korter de periode in retrospectief lijkt te zijn geweest, en omgekeerd. Een voltreffer inderdaad. Dat niemand daar vóór 1775 is opgekomen... Ludowitz en Otomandu slaan elkaar om beurten om de oren met Lichtenbergse wijsheden, als kinderen die elkaar op straat overtreffen met kattekwaad. 'Vergangene Schmerz ist in der Erinnerung angenehm, vergangenes Vergnügen auch, künftiges Vergnügen wieder, auch gegenwärtiges, also ist nur der Zukunftige und gegenwärtige Schmerz, was uns quälet; ein merkliches übergewicht von seiten des Vergnügens in der Welt.' Dit aforisme schijnt Otomandu in het verkeerde keelgat te schieten, want Ludowitz is nog niet klaar met zijn voordracht of hij rukt de oranje bundel uit zijn hand, loopt heftig hoofd- en dus dreadlocksschuddend naar de hoek van de kamer waar een wankele WC-pot staat, en werpt het boek in het gat, alsof het om een gebruikte koffiefilter gaat. Daarna kijkt hij op zijn grote digitale horloge en zegt: 'De avond is voorbij, Wolfie. Schluß! Je kunt gaan.' Ludowitz is enigszins verbaasd over deze abrupte gang van zaken, het was juist zo gemütlich, en zo intellectueel stimulerend, het is lang geleden dat hij vrij ideeën uitwisselde met een geestverwant, de ideeënuitwisseling met Magda beperkt zich toch vaak tot de lokatie van het zout, de glazigheid van de Kartoffel en de gaarheid van de Wurst. Opnieuw heeft Ludowitz reden om beteuterd te zijn. Teleurgesteld en beteuterd. En bezorgd ook wel, omdat het over twaalven is en hij geen idee heeft hoe hij thuiskomt.

10. Een uit een gaaf gebit geslagen tand

Het mag op zijn minst opmerkelijk heten, zeg maar gerust toevallig, dat het juist Aphorismen, Essays, Briefe is van Georg Christoph Lichtenberg dat Ludowitz vanavond heeft meegebracht naar Otomandu om eventuele demonen uit te bannen. Of is het niet zo toevallig? Het was immers deze diefstal, jaren geleden, die hem op de titel attendeerde. Of opnieuw op de titel attendeerde. Ludowitz kon het zich nog goed herinneren, want zo vaak werd er niet uit de Buchhandlung gestolen, ook al lagen de boeken open en bloot, dikwijls zonder supervisie, klaar voor het grijpen, voor passanten aan de Witbooistraat. Magda was ontzet geweest. Magda was ontploft, had haar man urenlang uitgefoeterd, dat dit het begin van het einde was, dat Wolfie geen talent had voor het boekenvak, dat ze net zo goed op konden doeken, en dat als ze hun cliëntele in Swakopmund niet meer konden vertrouwen, wanneer een medewerker (Wolfie) even de trap op moest om een stel leren banden onder het plafond recht te zetten, wie dan nog? Ludowitz was vooral verrast geweest door het boek dat de dief had gekozen. De Mandela-kast had hij overgeslagen. De vagelijk, of niet zo vagelijk racistische plank eveneens. Voor de oud-Duitse heraldiek en larmoyante verslagen over de aan Duitse zijde geleden slachtoffers in diverse militaire conflicten toonde de boekendief evenmin interesse. Nee, hij koos Aphorismen, Essays, Briefe van de oude meester Lichtenberg, een oranje band die pontificaal op een toonplank stond en waarvan het ontbreken dus meteen opviel, zoals een uit een gaaf gebit geslagen tand. Wolfie had het Magda onmiddellijk opnieuw laten bestellen, de dief zou toch niet meer gevonden worden, laat staan dat hij het eigener beweging zou terugbrengen. Hoe kon hij anders dan verslingerd raken aan de puntige, raadselachtige, soms ronduit scabreuze maar altijd originele 18e eeuwer, die bijvoorbeeld schreef: 'Ob ein Mann, der schreibt, gut oder schlecht schreibt, is gleich ausgemacht, ob aber einer, der nichts schreibt und stillesitzt, aus Vernunft oder aus Unwissenheit stillesitzt, kann kein Sterblicher ausmachen'

9. Zoals het voor sommigen een prestatie is om te stoppen, was het voor Wolfie juist een prestatie om niet te stoppen, om door te gaan.

Als Freia zich op haar beurt discreet heeft teruggetrokken, komt Otomandu binnenwandelen in het ouderlijk huis, het is tenslotte zijn ouderlijk huis, hij hoeft zich niet te verontschuldigen, hij zal, zolang hij leeft, in en uit kunnen wandelen zoals hij zijn vinger in en uit zijn neus beweegt. Zijn mobieltje is weg van zijn oor, daarvoor is een glimlach in de plaats gekomen. Ludowitz denkt niet dat hij ooit zo'n grote glimlach heeft gezien, zoveel stralende tanden op een rij, omlijst door zulke wulpse lippen. Otomandu gaat naast de oude boekhandelaar zitten, geeft hem een klap op zijn rug. 'Wolfie! Ik wist dat je zou komen, ik wist dat je mijn eten zou eten, ik wist dat je verzot was op authentiek Afrikaanse delicatessen, ook al heb je er geen verstand van, ik weet dat je goede smaak hebt. Voor goede smaak is geen verstand vereist.' Ludowitz staart voor zich uit, met vochtige ogen. Hij heeft zin om te roken. Hij heeft al jarenlang geen pijp meer opgestoken, Magda was daar altijd al mordicus tegen, tegen die pijperij van hem, maar hij heeft het lang volgehouden. Tot 1984 om precies te zijn. Zoals het voor sommigen een prestatie is om te stoppen, was het voor Wolfie juist een prestatie om niet te stoppen, om door te gaan. Enfin, het is lood om oud ijzer, een academische kwestie zogezegd, want hij had zijn pijp niet bij zich, en aan het authentiek Afrikaanse roken, wat dat dan ook wezen mocht, zou hij zich niet wagen. Ludowitz voelt zich niet zozeer schuldig, alswel bezoedeld. Hij voelt zich al bezoedeld vanaf het moment dat hij op de uitnodiging is ingegaan. Hij zoekt naar een manier om de stilte, zijn gedachtengang, te verbreken, 'Wat,' wendt hij zich tot zijn gastheer, 'predikt u eigenlijk? U bent toch predikant? Ik heb uit uw gedrag tot dusver geen evidente levensovertuiging kunnen afleiden.' 'Stimmt,' antwoordt Otomandu. 'Ik ben geen traditionele prediker. Ik predik Lichtenberg. Zijn bundel Aphorismen, Essays, Briefe, die ik als jonge student uit uw boekhandel stal, is mijn bijbel. Ken jij, Wolfie, Georg Christoph Lichtenberg nog, nah?'

8. Taal zonder schrift

Ludowitz krijgt de kans niet om protest aan te tekenen tegen dit oneerbaar voorstel, want Otomandu heeft zich, zoals beloofd, onmiddellijk discreet uit het huis verwijderd, een mobieltje aan zijn oor. Oma is ook nergens te bekennen. Als Oma zich wel laat zien dan is het nog maar de vraag of ze zich iets aantrekt van Ludowitz. Oma spreekt Afrikaans, en dan niet Afrikaans als in 'alles sal reg kom', maar als in een van de 25 talen die in Namibië gesproken worden en die voor de taalkundig toch aardig onderlegde Ludowitz één voor één Chinees zijn, omdat het talen zijn zonder schrift. Geef Ludowitz schrift en hij maakt er chocola van. Zonder schrift is hij verloren. Freia springt op Ludowitz' schoot en begint nauwgezet de stukjes Afrikaanse andijvie uit zijn keelbaard te plukken, en op te eten, alsof ze een aap vlooit. Ondertussen schommelt ze wild met haar beentjes op en neer, hierdoor vibraties in het onderstel van de oude Buchhandler veroorzakend die diezelfde Buchhandler niet onwelgevallig zijn. Hij kan zich werkelijk niet meer herinneren wanneer hij voor het laatst iemand op schoot had. Hij wil vragen hoe oud ze is, Freia, maar eigenlijk wil hij het niet weten. Hij wil vragen of ze nog niet naar bed moet, maar eigenlijk wil hij het niet weten. Hij wil vragen of ze onder haar  jurkje iets aan heeft, maar eigenlijk wil hij het niet weten. Het is beter sommige dingen niet te weten. Ludowitz heeft nooit kinderen gehad, ook nooit de behoefte gevoeld zich voort te planten. Hij en Magda hadden aan elkaar, en hun boekhandel, genoeg. De enige vraag die hij kan bedenken, hij moet toch contact leggen met dit schepsel, dat, toegegeven, over een toverachtig zij het smoezelig smoelwerkje beschikt, voorzien van katte-ogen die licht lijken te geven, is waar zij van droomt. Kinderen dromen toch? Zo lief en zacht als zijn Duits in deze vraag klinkt heeft zijn Duits nog nooit geklonken. Freia's antwoord komt onverwacht snel, en in een universele taal. Ze priemt haar smoezelige wijsvingertje in zijn borstbeen, springt van zijn schoot af en begint zijn broek open te knopen.

7. Het is even doorbijten

Daar komen de schalen. Eén schaal bevat een mengsel van zaagsel en behangselplak. Dat is de pap. Eén bevat iets dat lijkt op andijvie maar het niet is. Weer een andere bevat harde bruine appels die geen appels zijn maar een soort noten; te kraken zijn ze evenwel niet, alleen de melige buitenste schil kan voorzichtig worden afgeknauwd. Het pièce de resistance van de authentiek Afrikaanse keuken waarop Otomandu de oude Buchhandler vergast is echter gegrilde rups. Het is even doorbijten, want het zijn taaie rupsen, maar dan heb je ook wat: een rijkdom aan eiwitten, en de smaak van verbrande autoband. 'Als je het niet lekker vindt, Wolfie, dan spoel je de boel maar weg met bush bier,' bast Otomandu opgewekt. 'Ik zal niet beledigd zijn. Er is, moet je weten, heel wat meer voor nodig om mij te beledigen.' Ludowitz heeft al snel in de gaten dat de strikte tafelmanieren waarmee hij is opgegroeid in de township niet van toepassing zijn. Toch meent hij dat hij de hem voorgezette authentiek Afrikaanse delicatessen op zijn minst moet proberen, en als hij iets probeert, dan zet hij ook tot het einde door. Hij haakt niet onderweg af, hoe groot de verleiding ook is voor iemand die gewend is aan Bratwurst mit Kartoffeln – met name bij de rupsen. Ze hangen half uit zijn mond, als in een no budget horrorfilm, omdat hij ze niet verteerd krijgt. Ludowitz is zo druk bezig met eten, herstel: beleefde manieren om niet te hoeven eten, en daarbij is de ruimte zo spaarzaam verlicht, dat hij het meisje met corn rows nauwelijks opmerkt dat halverwege de avond blootvoets de kamer binnenglipt en, op een oppervlakte die niet groter is dan de kaft van een boek een slangendans begint op een door haarzelf geneuriede melodie. 'Meine Schwester Freia,' bromt Otomandu, Ludowitz aantikkend met zijn linkerhand, die in wc-papierloze culturen niet als bestek mag worden gebruikt. 'Je mag haar hebben, als je wilt. Bij wijze van toetje. Ik zal me discreet terugtrekken, nah?'

6. Vetkoeken

Het ouderlijk huis van Otomandu is alleen een ouderlijk huis te noemen in de strikte betekenis van het woord. Het heeft vier muren en een dak. In een van de muren zit een deur. In een andere bevindt zich een gat dat als raam zou kunnen dienen. De eerste kamer die zich bij binnenkomst aandient is de woonkamer, maar deze wordt bij nadere inspectie ook gebruikt als keuken, bad- en logeerkamer. Het grote aantal enorme, vale bankstellen, zoals die nogal eens bij het vuil te vinden zijn, dwingt tot onmiddellijk plaatsnemen. Wat Ludowitz nog het meest verbaast, nadat Otomandu hem een glas bush bier heeft aangeboden dat de geur van koeienvlaai verspreidt, is dat er niets aan de muur hangt. In een gevangenis hangt ook niets aan de muur, denkt de oude boekhandelaar, maar hij zegt: 'Hier bent u opgegroeid.' Ludowitz houdt er niet van om valse complimenten uit te delen, daarom doorspekt hij zijn conversatie het liefst met feitelijke constateringen. Wat die constateringen waard zijn of suggereren mag de toehoorder zelf bepalen. 'Geboren en opgegroeid,' antwoordt Otomandu. 'Mijn vader heeft er vijf jaar over gedaan om dit huis te bouwen. Dat was voor de tijd van de subsidies. Een van mijn broers is in de achtertuin begonnen zijn eigen huis te bouwen. De subsidie voor de fundering heeft hij al binnen.' Uit een mand, die Oma, een nors vrouwtje met tattoeages in haar gezicht, voor het tweetal op tafel heeft gezet, graait Otomandu een vetkoek. 'Onbegrijpelijk dat jullie die dingen alleen rond Weihnachten en oud en nieuw eten,' mompelt hij, met zijn mond vol. 'Daarvoor zijn ze toch veel te lekker?' Ludowitz glimlacht beschaafd. Hij heeft geen trek in vetkoeken, Weihnachten of geen Weihnachten. Weihnachten in Namibië, inclusief boom, stal en engelenhaar, heeft hij altijd al bespottelijk gevonden, maar met Magda in Swakopmund is er geen ontkomen aan. 'Jij eet geen vetkoek, omdat je die al kent. Jij bent niet op mijn uitnodiging ingegaan om mij een plezier te doen, maar om eindelijk eens authentiek Afrikaans te eten. Ha!' Otomandu neemt een nieuwe vetkoek en houdt hem in de lucht. 'Dan heb ik goed nieuws voor jou, Wolfie. Deze vetkoek is de laatste niet-authentieke Afrikaanse lekkernij die jou vanavond zal worden voorgezet.'

5. Magda is mordicus tegen.

Wolfgang Ludowitz is beteuterd. Maar hij voelt ook een vreemd soort opwinding, die hij niet eerder heeft gevoeld. Ludowitz heeft al vroeg in zijn leven voor de boekhandel gekozen, niet alleen omdat hij van boeken houdt, met name Goethe, Heine, Rilke, de klassieken dus, maar ook omdat hij het verkopen van boeken ziet als een volmaakt eenvoudige levensopdracht. Wanneer er geen boeken verkocht worden, en dat wil nogal eens het geval zijn in Swakopmund, koopt zijn vrouw ze in en leest hij ze. Hij geniet van dit syteem, in al zijn voorspelbaarheid. De uitnodiging van Otomandu heeft het systeem enigszins in de war geschopt. Nooit eerder, zelfs niet tijdens de anti-apartheidsrellen in 1958, is de typische boekhandelaar met de keelbaard voor zo'n verrassing komen te staan. Dineren bij een klant – of is hij leverancier? – behoort niet tot Ludowitz' taakomschrijving, en heeft er nooit toe behoord. Het is verstandig om productie en consumptie gescheiden te houden. Dineren bij een klant in de township is vragen om moeilijkheden, natuurlijk dat ziet hij ook wel in, maar hij vindt dat hij toch op de bijzondere uitnodiging moet ingaan, al was het maar uit hoffelijkheid. Magda is mordicus tegen. Ze zit zich te verbijten, achter, omdat ze vindt dat haar Wolfie zich te weinig assertief heeft gedragen. Ze vindt dat hij de politie moet bellen. Dit is geen uitnodiging, schampert ze keer op keer, dit is een ontvoering! En jij, trotse oude boekhandelaar, laat je zomaar meenemen, als een mak lammetje naar de slachtbank! Ludowitz heeft zich tegen al deze aantijgingen verzet, omdat ze op niets zijn gebaseerd. Als ze ergens op zijn gebaseerd dan zijn het vooroordelen. Nee, Wolfie gaat. Hij is inmiddels gewend aan het idee. Het is zaterdagmiddag, de winkel is dicht, hij heeft nog twee uur om zich te bezinnen welk boek hij mee zal nemen. Want ja, een boek moet hij meenemen. Dat staat vast. Met een boek zal hij zich zeker staande kunnen houden in de township, denkt hij, de township waar hij zolang hij leeft nog nooit is geweest.

4. Einladung

Gottfried 'Dr. Rasta' Otomandu schudt zijn hoofd – zo lang en zo nadrukkelijk, dat zijn dreadlocks de molen met Ansichtkaarten (à N$ 1), met fletse afbeeldingen van het goede oude Swakopmund – het Kaiserliches Bezirksgericht, Hotel Eberwein, de Hansa Brauerei – licht doen tollen. Magdalena schiet tevoorschijn om te voorkomen dat de hele kaartenmolen omvalt. 'Nein,' bast Otomandu ten overvloede door de muisstille winkel. 'Hier is sprake van een misverstand. Ik kom geen boeken afrekenen die ik eerder besteld of geleverd heb. Ik kom een ander soort schuld aflossen. Een levensschuld. Een schuld voor de kansen die ik heb gekregen in mijn leven. Als u geen boeken had verkocht in Swakopmund, had ik als kind niet gelezen. Als ik niet als kind had gelezen, was ik nooit behoorlijk naar school gegaan. Als ik niet behoorlijk naar school was gegaan, had ik niet kunnen studeren aan de Uni. Als ik niet aan de Uni had kunnen studeren, was ik nooit in Luebeck beland. Als ik niet in Luebeck was beland had ik mij nooit kunnen verheugen in hagelwitte onderdanen.' Magdalena is al vroeg in deze kettingredenering, zogenaamd om thee te zetten, terug naar achter gegaan. Ludowitz kijkt Otomandu ondertussen vanachter de toonbank glazig aan. Hij luistert maar half naar wat hij zegt, hij is gefascineerd door de lippen, de grote, dikke lippen van deze zelfverklaarde dominee, en zijn roze tong. Het laatste dat hij opvangt, in vragende vorm, is het woord Einladung. Waarvoor wil hij Ludowitz precies uitnodigen? 'Voor een maaltijd. Een maaltijd in Mondesa. In mijn ouderlijk huis in de township, om precies te zijn.' Otomandu wacht het antwoord niet af. Zelfverzekerd swingt hij naar de uitgang. Voordat hij de winkeldeur opent, wat een oud belletje vermoeid zal doen rinkelen, zegt hij: 'Ik kom je bij zonsondergang halen. Vind je het goed als we elkaar duzen? Grüß Gott!'

3. Schuld

'Wat,' wil Ludowitz weten, in zijn beste Engels, 'is het precies dat u komt afrekenen?' Dit is een vrij goede vraag, aangezien de oude Buchhandler zich niet kan herinneren welke titels hij recent op krediet heeft verkocht. Hij is sowieso niet zo kien op krediet, maar voor gretige boekliefhebbers wil hij wel een uitzondering maken. Maar dat er onder die gretige boekliefhebbers recent een Otomandu zou zijn geweest, nee, dat weer hij niet meer, hoe vaak hij ook met zijn hand langs zijn grijze keelbaard gaat. 'Auf Deutsch!' blaft Otomandu opeens over de toonbank, als door een slang gebeten. Daarna, lieflijk: 'Auf Deutsch, bitte. Dat is toch onze taal, nah? Waarom zouden we de taal van de onderdrukker spreken, nah?' Er ontstaat een zweetbankje op Ludowitz' kin. Had hij in het Afrikaans moeten beginnen? Koortsachtig gaat hij door zijn kasboek om te zien of hij niet toch een betaling over het hoofd heeft gezien. 'Magda!' roept hij naar achter. 'Wolfie?' 'Weet jij misschien of wij iets vergeten zijn af te rekenen met deze meneer?' Magda komt, controleert en stelt vast dat er geen achterstallige rekeningen open staan, althans niet bij een meneer met de naam Otomandu. 'U zegt dat u een schuld hebt bij ons,' mompelt Magdalena, een vale, kortharige vrouw. 'Nu zou ik graag van u willen weten, meneer Otomandu, hoe hoog die schuld is. Dat is het enige dat ik zou willen weten. Want dan kunnen we die zo snel mogelijk voldoen en dan is alles hopelijk in orde?'

Alweer heeft dit blog een dag moeten overslaan ivm gebrek aan internet. Het moet niet veel gekker worden.

2. Ironie (of God) bestaat nog

Gottfried 'Dr. Rasta' Otomandu is een grote man met dikke lippen uit Luebeck. Hij is nu bij zijn moeder in Mondesa, de township van Swakop, waar hij sinds zijn twintigste niet meer is geweest. Iedereen komt hem begroeten, het lijkt alsof hij nooit is weggeweest. Otomandu is de township niet ontvlucht. Hij is de township ontgroeid. Hij had een motief. De gelegenheid bood zich aan tijdens een uitwisseling van studenten tussen de Universiteit van Windhoek en die van Luebeck. Toen hij Duitsland zag dacht Otomandu: wat doe ik in Mondesa, wat doe ik in de vuilnis, de chaos, de uitzichtloosheid, als ik ook in het aangeharkte, frisse, opgewekte Luebeck kan zijn? Hij moest onmiddellijk werk zoeken, en dat vond hij, ironie (of God) bestaat nog, in een kerk. Een dominee nam hem onder zijn vleugels en nu, zoveel jaren later, is Otomandu zelf dominee. Zijn Duitse volgelingen, veel zijn het er niet, maar ze zijn er, en ze zijn allemaal sprankelend wit, noemen hem liefkozend Dr. Rasta. Otomandu is niet naar Swakop gekomen voor braai of kingklip, voor festiviteiten of reünies. Nee, dit is moeilijk een sentimentele reis te noemen. Op een bloedhete dag in December, het kwik neigt naar de veertig graden, stapt hij Wolfgang Ludowitz' Buchhandlung op de Witbooistraat binnen en zegt: 'Ik kom afrekenen.'

1. Die Buchhandlung

Sinds veertig jaar runt de bijzonder opgeruimde Wolfgang Ludowitz de oudste, en dat moet hier meteen aan worden toegevoegd, enige Buchhandlung in Swakopmund, Nambibie. Boekverkopen is in deze contreien nog altijd meer missie dan commercie, hoewel Ludowitz ook weer niet vies is van geld. Hij wil graag werken, hard ook, en er navenant voor worden beloond, maar het is ook weer niet zo dat hij in zijn tot de nok toe gevulde en al even opgeruimde winkel aan de Witbooistraat droomt van bestsellers die hem schatrijk gaan maken. De hele idee van de Namibische bestseller heeft hij, Buchhandler Ludowitz, al vrij lang geleden, het moet mid jaren tachtig zijn geweest, verlaten. Dat was een bevrijding. Tegenwoordig is het vooral zijn vrouw Magdalena, die gefixeerd is op de inkomstenstroom, en met name hoe die de uitgavestroom nog ooit gaat overvleugelen. 'Wir koennen ja doch nicht vom Sand leben mein lieber Wolfie!' pleegt zij uit te roepen als Ludowitz in haar ogen al te veel onverkoopbare titels inslaat van o zo beminnelijke uitgevers, distributeurs, en, dit zou je een Namibische trend kunnen noemen, schrijvers zelf. Namibiers hebben er vele rechten bijgekregen in 1990, toen het land onafhankelijk werd, pleegt Magdalena Ludowitz voorts nog uit te roepen, maar het recht op retour in de boekhandel zat daar vooralsnog niet bij.

Gisteren moest dit blog noodgedwongen een dag overslaan door de grilligheid der Namibische internetverbindingen.

Thee



De oud-collega heeft mij en mijn reisgenoten gespot bij het Centre Pompidou en laat dit per sms weten. In het kader van de oud-collegialiteit stel ik voor een dag later een kop thee te drinken bij Ma Bourgogne aan de Places des Vosges. Ik ben precies op tijd, maar zij is er al. Probeer in deze tijden maar eens een hoffelijk te zijn. We bestellen 1 pot thee met 2 zakjes; op het bonnetje staat €10. 'Service compris,' zeg ik bij wijze van verzachtende omstandigheid, maar ze hoort me niet. Ze verontschuldigt zich voor haar bepleisterde vingertoppen. Als ik vraag hoe dat kan, zegt ze: 'Vrouwen breken soms nagels, wist je dat niet?'  Ze is in Parijs om een dochter van een vriendin die modeshows loopt te vergezellen, maar ze weet niet of het de model-dochter zal lukken om haar die show binnen te smokkelen. Zulks schijnt schier onmogelijk te zijn. We roddelen over onze voormalige werkgever. Roddel is het glijmiddel van de samenleving. Als we nog eens een pot thee hebben laten aanrukken, ('Dit gaat echt te ver, hiervoor ben ik te calvinistisch'), maar nu met 1 theezakje in plaats van 2, wat de rekening op €15 brengt in plaats van €20, en onszelf hebben gefeliciteerd met ons freelancebestaan, trekt ze haar mantel aan, neemt haar handtas mee en vertrekt richting métro. Mijn aanbod om te betalen neemt ze aan, maar mijn aanbod om haar een stukje op weg te helpen op de fiets slaat ze af – maar goed ook, anders had ze in de kinderzetel moeten plaatsnemen; mijn Parijse fietskunst staat een amazonezit op de lengtestaaf helaas nog niet toe. Ik blijf nog even zitten bij Ma Bourgogne, en vraag om een Saint-Amour. Die is niet beschikbaar, blaft de hondse ober. Dan een Moulin à vent. Als het maar wijn is.

Junkiehol



'Er zitten twee mannen op je boot,' fluistert de alwetende bovenbuurman door de telefoon. 'Ik zou de politie bellen als ik jou was.' Omdat bellen tegenwoordig zo moeiteloos gaat, heb ik de politie aan de lijn voordat ik goed en wel besloten heb dat de politie bellen de beste oplossing is op dit moment. 'Er zitten twee mannen op mijn boot,' zeg ik tegen de juffrouw van de politie. 'Een inbraak dus? Ik schakel u meteen door naar 112.' Ik herhaal mijn verhaal en in luttele minuten staat het blauw van de politie op de kade. Ik tel twee arrestantenbusjes, drie politie-auto's, twee stille auto's van de recherche, en een politiehond. Alleen de helikopters ontbreken nog. Ik wijs op de boot die voor de deur ligt: een aftandse stalen zeiljacht zonder mast. 'Zitten ze erin?' vraagt een van de agenten. 'Volgens mijn bovenbuurman wel,' zeg ik. Het regent zachtjes. Ik probeer leven te ontwaren achter de patrijspoorten van de kajuit, maar ik zie niks, het is hardstikke donker daarbinnen. Een oudere rechercheur klimt de boot op, klopt op het dak van de kajuit en zegt: 'Open doen! Politie!' Ik hoor de deurtjes van de kajuit van binnen op slot gaan. Dan tilt de rechercheur de koekoek, het luik boven het voordek, op, steekt zijn hoofd naar binnen en zegt: 'Get out! Now!' Als de jongens, ik schat ze rond de twintig, waarschijnlijk Zuideuropeaanse toeristen, als schichtige konijnen naar buiten zijn gekropen en zich willoos in de boeien hebben laten slaan, ga ik met de rechercheur de kajuit binnen en tref een junkiehol aan. Spuiten, eindjes van joints, aanstekers, zakjes snoep, en een riem, kennelijk om de arm mee af te binden. 'Zijn er sporen van braak?' wil de recherheur weten. 'Ik geloof van niet,' zeg ik, maar ik weet wel zeker van niet. Dat komt omdat ik uit luiheid het sleuteltje in het slot van de poortjes heb laten zitten. Ik verkeerde in de – onjuiste – veronderstelling dat dat sleuteltje, een piepklein sleuteltje, toch niet zichtbaar zou zijn vanaf de kade, en dat als mensen je boot in wilden, dat toch wel zou lukken, slot of geen slot. Natuurlijk had ik wel eens gehoord over zwervers die in je boot gingen wonen, maar dat was typisch zoiets dat andere botenbezitters zou kunnen overkomen, mij niet. Bovendien wist ik niet eens zeker of ik er wel zoveel bezwaar tegen zou hebben, mits ze niet een al te grote puinhoop maakten. 'Het is geen inbraak,' zeg ik schuldbewust. 'Dus ik hoef ook geen aangifte te doen.' Precies een kwartier later is alle politie weer verdwenen, alsof ze nooit zijn langsgeweest. Het is opgehouden met regenen. De telefoon gaat. Een politieagent. 'Vindt u het goed als we langs komen voor sporenonderzoek?' Even later komt er een busje langs. Drie agenten stappen uit en beginnen ontspannen blauwe rubber handschoenen aan te trekken. Daarna staan ze wat te lummelen. 'Wat gebeurt er?' vraag ik. 'We wachten op toestemming van de officier van justitie om naar binnen te gaan. De boot is uw eigendom, en van u hebben we als het goed is al toestemming, maar we willen niet dat we iets fout doen in het onderzoek waardoor de verdachten straks vrijuit gaan.' Ik knik. Een vormfout, dat zou wel het ergste zijn. Een van de agenten komt even met me babbelen terwijl de andere twee de boot doorzoeken met zaklantaarns. 'Waar zoeken ze naar?' vraag ik aan de agent. 'Daar kan ik lopende het onderzoek geen uitspraken over doen,' zegt hij.  Als iedereen weer weg is zegt mijn vrouw: 'Je hebt geen aangifte gedaan! Wat is dat nou weer? Je vindt het prima dat junkies in jouw boot schuilen tegen de regen?' Inderdaad, dat vind ik. 'Het enige wat ik zou willen is dat ze hun rommel opruimen en de prullenbak die ze hebben volgepist schoonmaken, maar daarvoor is het al te laat. Ze zitten op het politiebureau. Nu moet ik het allemaal zelf doen.'

7. Coming home


 
Seeing Jalana waiting for her at the airport with a tiny bunch of flowers behind the railing in the arrival hall that Sunday morning, Keke Juchtleer was struck by her excessive make up, and, once they started talking, by her talent to bicker. She almost had forgotten about that. Keke and Jalana were always bickering, they had been bickering forever. It seemed an integral part of marriage, but one could say it was always Jalana who started the argument. Now it was about whether or not to have coffee at the airport, where to have coffee and whether or not to accompany that coffee with a pastry or two. It didn't matter what Keke wanted: Jalana wanted the opposite, and, more worrysome, she would start a fight about it that often turned ugly. This time, Keke was too detached, too exhausted, to care. New York City had sucked all energy from her body, all thinking from her mind, all spirit from her soul; but here was the thing: she felt euphoric. The so called business trip turned out to be the most intense week of her life, in all aspects. After an awkward long silence behind an overheated cappuccino, Keke slowly ticked off the items on her agenda. Keke had thought up such detailed lies about the Conference on the Future of Literary Criticism, such excellent lies in fact, complete with names of speakers, titles of seminars, lists of Recommed Reading, and so forth, that she had to share them, if only for her own entertainment. 'Don't fuck with me, Keek,' Jalana intervened after a while, chewing on a dry blueberry muffin, 'There was no fucking conference, there was no literary fucking criticism, there was no fucking nothing. Not in New York Fucking City. But I don't care. As long as you've had a good time, I had a good time.' A few days later, back on the Brouwersgracht, in their beautiful apartment, where Keke had lived practically all her life, the last ten years with her lawful wedded wife, she told Jalana with a confidence that surprised herself that she had decided to go back to New York, back to Bedford Stuyvesant, to start a family.

6. Mythic banality



Keke Juchtleer had not found it necessary to bring any travel guide on her first trip to America, because she assumed that America would be self evident. And to a large extent, it was. America seemed to be as mysterious as a cupholder in a Ford Focus. Everything you ever knew about America, through whatever channel: it was all true. What you saw was what you got. Transparency, facts, the unquenchable thirst for certainty. Which often had the opposite effect, namely paranoia and anxiety. The number of people here who think alone, sing alone, and eat alone, talk alone in the streets is mind boggling. And yet they don't add up. Quite the reverse. They subract from eachother and their resemblance is uncertain, Keke read aloud from AMERICA by Jean Baudrillard, a book she did bring on her trip. 'Who the fuck does this guy Baudrillard think he is?' Cab Calloway, Keke's host for almost a week now, asked. 'Obviously he never been to Drummer's Grove.' Keke read on: More sirens here, day and night. The cars, the advertisements, New York is wall to wall prostitution. 'Hell, I ain't no pimp,' Cab interjected. 'That is, if yo no ho, hè hè.' Keke, and Baudrillard, weren't finished yet: When I speak of the American way of life, I do so to emphasize its utopian nature, its mythic banality, its dream quality and its grandeur. That philosophy that is immanent not only in technological development, but also in the exceeding of technology in its own excessive play, (...), not only in banality, but in the apocalyptic forms of banality, not only in the reality of everyday life, but in the hyperreality of that life which, as it is, displays all the characteristics of fiction.

5. Hoochemecoochie,


Sorry I haven't written to you earlier. New York is so much fun. I mean, in stores, restaurants, the subway, wherever: everyone's talking to me like they know me. Of course 'where you from' is the easiest converstation starter in the world, but still, I wouldn't know a better one! (Except, perhaps, for 'is that handkerchief hanging out of your backpocket or are you having a cold?' but somehow it doesn't work here. I haven't seen no kerchiefs hanging out of no pockets. So much for the international language of love!) Answering the roots-question however can become a little bit tedious after a while so now I automatically shoot back: where do you think I'm from?, which leads to all kinds of hilarious geographical idiocy. One big guy on Ocean Avenue thought I was from Ecuador. 'Cuz you look Spanish.' Try Europe, I said. He: Egypt? I kid you not, Jalana. (BTW can you name the capital of North Dakota? See?) Whatever, I really feel at home here. The New York Review of Books Conference on the Future of Literary Criticism is so interesting. So well organised. Such engaging speakers. And don't forget the networking. Basically, everything is networking, even among literary critics, and believe me, you can't do all of it through F-book. (Thanks, by the way, that I had to learn through that channel that your ex came over for dinner last nite, Jalana. T.M.I.!) Anyway, long story short, I'm seriously thinking of moving here. Here, mind you, is Brooklyn. More specific: Bedford Stuyvesant. Listen to the name of that 'hood, sista! Don't you love it? I know I do. And I'm sure you do too, if you finally get that smirk off your face! Later, sweetie pie, yours forever, tongue in your ear/toe in your armpit, etc.

4. Identification


An hour later, at a luscious bachelor pad in Bed Stuy, Keke was enjoying a glass of absinthe. Her home made business card, that said DRS. KEKE JUCHTLEER, KRITIKA, was lying lonely on the spotless coffee table. Her host, the man in the white suit who had saved her, did not look like Duke Ellington after all, as he had explained elaborately, but like Cab Calloway – a name he had officially taken since the original Cab Calloway died, with permission from the Cab Calloway estate. Most walls in the room were filled with Calloway posters; in the course of thirty years he had collected over a thousand Cab Calloway-parafernalia; one of his favorite objects was a small urn with a tiny bit of Calloway's ashes, that he had purchased from the family. When he offered to sing Minnie the Moocher, Keke said: 'Maybe later.' She wondered why a person like him would want to be the person he so much admired. What was the point? She had no inclination whatsoever to be any of the writers she reviewed. If asked to name her favorite female writers, she never knew what to say. When her editor had made the off the cuff remark that women couldn't write, period, she was furious, but the remark kept coming back at her. When Cab Calloway, number two, was in the kitchen, Keke finished her absinthe and shouted: 'Anyway, Cab, if you want to fuck me, forget about it, because I'm a lesbian.'

3. Downfall and resurrection

Keke closed her eyes and danced. Keke closed her eyes and danced like crazy. After dancing like crazy for two, three hours, and getting hotter, and frenzier and crazier, the drumming stopped. Like a zebra taken by the throat, Keke slowly fell to the dusty ground. The mostly black audience ignored Keke, embarrassed by the scene of a grey faced, turkey necked, red haired woman in her late forties, perhaps early fifties, who had reached some kind of private trance that got slightly out of hand. But they had seen this many times: the white woman, mostly of European origin, who suddenly, and quite dramatically, and mostly much too late in life, discovered her 'inner rhythm', danced like crazy, and eventually passed out. The drummers started packing up their drums. Except for one man, or should I say gentleman, dressed in a white suit, white loafers, white hat, who walked to Keke with a plastic bottle of ice cold mineral water, kneeled down beside her and in a delicate way, like a doctor, squirted some water in her face. Keke immediatly sat up, rubbed the water out of her eyes and blurted out: 'Excuse me? But? Who are you? You like Duke Ellington!' The man in the white suit smiled, and said, with a Barry White bariton: 'I am no Duke Ellington, missis. I'm the leader and founder of the drumming circle, and whether you like it or not, I am the man you just fell in love with.'

2. A potentially life changing event

Keke Juchtleer immediately fell in love with Manhattan, but due to budgetary restrictions she had to move to Brooklyn fairly soon. This turned out to be a blessing in disguise. In Manhattan she stayed at the Jane Hotel, a tip from a collegue at Holland's leading feminist publication. When she opened the door of her 'cabin', still high from the feeling of being in New York, The Center of The World, Crossroads of the Universe, etc, etc, for the first time, she was shocked by the size of the room where her American Dream was to be fulfilled. It was the size of a midget's shoe box and it smelled of cigarettes and detergent. When she arrived, two days later, in the NU Brooklyn Hotel, conveniently located across from the local penitentiary, she missed the city already, even if not her shoebox and its odor, but when she asked for a nice place to go for a walk, the friendly person at the hotel reception directed her to Prospect Park, and the whole world lighted up. In this park, that she didn't even know existed, she stumbled upon something she immediately recognized as a potentially life changing event: Drummer's Grove. Fifty, mostly black people were drumming on congas and bongas and claves and steeldrums and what have you like there was no tomorrow. Keke accepted the invitation. She felt home. Finally. Waken up by the improvised, syncopated beats, every part of her body wanted to let go, let go of all inhibitions, al burden, all shame. One could call it dancing, but it was no dancing what Keke did. It was more like having sex with each and every drummer that laid eyes on her.

1. Conference

The thought that, during her professional life, she had never made a business trip abroad, and her wife, her wedded wife, had traveled all over the world, made that Keke Juchtleer, a greying but cheerful 47-year old, born, raised and, as a matter of fact, still living on the idyllic Brouwersgracht in Amsterdam, made up a conference for herself in New York City that she had to go to. Jalana, who had never stayed behind before and, perhaps because of this, was looking forward to it, had not asked any questions about this conference, what it was about, why now, whether it was worth it at all, how she knew about it, and so forth, but in case she would ask those questions, Keke had her answers ready. It was The Future of Literary Criticism, hosted by The New York Review of Books, that Keke, being a literary critic herself, albeit of a struggling weekly, simply had to attend. Her work, if not her life, depended on it. Jalana, a 33-year old camera woman who did not have time to read, took her ambitious lover to the airport in her worn out Peugeot. They kissed on the asphalt of the temporary parking area near the entrance of the airport. After days of depressing rain, the sun was shining again. 'Prepare yourself,' Keke whispered in Jalana's ears. 'I might be another person when I get back.'

10. Swarte widdo

'Denk je dat je er chocola van kunt maken?' vroeg de weduwe, op de laatste ingeplande leegloopavond. Ik zei: misschien, maar ik heb het gevoel dat er nog iets ontbreekt, dat het verhaal zogezegd nog niet zijn natuurlijke einde heeft gevonden. 'Wat zeg je dat toch weer mooi, meneer de geestschrijver,' spotte de weduwe. Welnu. Jikke werd opgenomen in een psychiatrische inrichting. Hij was een gevaar voor zichzelf, en een gevaar voor zijn omgeving. Dat vond de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis voldoende reden voor opname. De weduwe ook. In elk geval moest Jikke zijn stiletto afgeven. En hij moest praten. Maar hij zei nog steeds niet veel. Na anderhalve maand opname, alles leek van een leien dakje te gaan, de therapeuten waren meer dan tevreden, althans dat schreven ze in hun rapporten, werd Jikke levenloos aangetroffen in een hoek van de badkamer van de afdeling. Hartstilstand. Ja, hartstilstand, vroeg of laat is er, als de dood intreedt, sprake van een hartstilstand. Maar wat was de oorzaak? Daarop moest men het antwoord schuldig blijven. En de zuster, wilde ik nog weten. De gehandicapte zuster? Die ging als laatste. Eerst dement. Dementie vormde geen goede cocktail met haar handicap. Op een dag rende ze in peignoir de straat op om geschept te worden door een tractor. Ongelooflijk verhaal, zei ik. Ik zal mijn best doen om het leesbaar op te schrijven. Ze betaalde me vooraf, zoals afgesproken. Cash. Niet eerder genoot ik zo van de incassering van een honorarium. Voordat ik in de treintaxi stapte zei de weduwe, op samenzweerderige toon, dat ze al een titel had. Ik ook, dacht ik, maar ik zei niets. 'De titel komt als laatste,' zei ik, en vertrok.

9. U

Jikke lag met zijn moeder in het malse gras van het aanpalende weiland. Ze hadden een fles Fleurie op. De zon was al onder. Zij haalde langzaam een hand door zijn blonde krullen. Ze had hem het hele verhaal verteld maar hij had geen kik gegeven. 'Misschien moet ik u vermoorden,' sprak hij ineens, omhoogkomend in de schemer. 'Als ik u zou vermoorden dan zou de cirkel rond zijn.' Jikke sprak zijn moeder aan met u, dat was een van die charmante dingen aan hem. Voor het overige was er weinig charmants aan Jikke. Hooguit zijn naam, die vaker voor een meisje werd gebruikt. Hij was daar natuurlijk wel eens mee gepest, maar dat was vrij gauw opgehouden toen Jikke zijn vuisten liet zien. Of anders de stiletto die hij sinds zijn twaalfde bij zich droeg. Dat was het enige object dat hij altijd bij zich had, zelfs in de kroeg. Juist in de kroeg. De weduwe vroeg zich af, maar niet hardop, of Jikke op dit moment zijn stiletto bij zich had. Ze wilde het niet weten, maar toen hij nog dichter bij haar kwam, en met zijn benen tegen haar aanschurkte, meende ze toch iets hards in zijn spijkerbroek te voelen, en niet omdat hij zo blij was om haar te zien.

8. De vraag naar de vader

Het kind studeerde twee jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het kwam elk weekend thuis, maar dit weekend was anders, want het had al op de terugweg van het station aangegeven dat het wilde praten. Volgens de weduwe had hij gedronken. Jikke had nog nooit gepraat. De weduwe had nog nooit met Jikke gepraat. Ja, natuurlijk had de weduwe met Jikke gepraat, maar nog nooit over iets wezenlijks. De vraag naar de moeder had hij al lang geleden beantwoord, zij het incorrect, maar de vraag naar de vader was altijd vaag gebleven. En nu wilde het kind, de student, het over zijn oorsprong hebben. Jikke was twintig. Een mooie leeftijd voor de waarheid, vond hijzelf. Niet dat hij zijn mede-economiestudenten en -corpsleden – net zoals Hidde was Jikke lid van Vindiquat, het meest bezopen corps van Nederland – had hoeven consulteren. Niemand had hem hoeven aanmoedigen. Jikke had geen aanmoediging nodig om zijn moeder te benaderen om te praten. Alcohol was genoeg aanmoediging geweest. In de auto naar de boerderij draaide hij de radio uit en keek zijn moeder aan. Gelukkig hoefde de moeder haar geadopteerde zoon niet in de ogen te kijken, ze hield haar blik op de verlaten landweg. 'Ik eis dat je me alles vertelt. Alles. Ik eis dat je geen detail overslaat. Ik heb er recht op.' Zijn moeder vertrok geen spier. Stel dat ik je alles vertel, had zij gezegd, terwijl ze de auto parkeerde voor de boerderij. 'Wat ga je met die kennis doen?' 'Dat bepaal ik als het zover is.' Hij stapte uit, sloeg de portier hard achter zich dicht en sjokte naar de slaapkamer die hij sinds jaar en dag met haar deelde.

7. Conspiracy

En het kind? Het kind werd geboren. Het was een mooi kind. Aan niets viel af te lezen dat het een buitenechtelijk, illegaal, onder gedrogeerde omstandigheden, halfgehandicapt, ongewenst kind was. Het was, zoals dat heet, een thriving baby. Het heette Jikke. Omdat de zuster van de weduwe niet in staat was tot het opvoeden van een baby, nam zij het onder haar hoede. De vrouw die nooit kinderen had gehad, had gewild, had proberen te baren, bloeide op tot de ideale moeder van het neefje dat eigenlijk niet geboren had mogen worden. De geheime vader werd niet gemist. Ze kon het uitstekend in haar eentje af. Werken hoefde ze toch niet; de verkoop van de apotheek, samen met zijn geërfde pensioen, leverde voldoende middelen op om haar leven, dat eigenlijk nu pas zou beginnen, op een aangename wijze te financieren. Iedereen te S. vermoedde wie de vader was, daarvoor hoefde je weinig detective-werk te verrichten, maar niemand sprak erover. Het was een conspiracy of silence die de Friese weduwe uitstekend beviel. Jikke bleek een intelligent, niet te zeggen geniaal kind, maar praten deed hij nauwelijks, niet te zeggen nooit, en toen hij als puber voor het eerst straalbezopen thuiskwam van een zuipkeet, begon de weduwe zich ietwat zorgen te maken.

6. Bijzonderheden

Toen heeft hij geprobeerd haar te wurgen met een stuk ijzerdraad dat hij nog in zijn zak had, Hidde. Toen heeft hij geprobeerd haar te wurgen met een stuk ijzerdraad dat hij nog in zijn zak had, Hidde, maar zijn wettige echtgenote had pumps aan en wist een van de pumps in zijn scrotum te planten. Toen heeft hij geprobeerd haar te wurgen met een stuk ijzerdraad dat hij nog in zijn zak had, Hidde, maar zijn wettige echtgenote had pumps aan en wist een van de pumps in zijn scrotum te planten, waardoor hij al zijn aandacht hierop moest richten, op dit deerniswekkende lichaamsdeel, dit schuldige lichaamsdeel, dit jammerlijke zakje, terwijl hij nog altijd schreeuwde van de pijn van het schreeuwen van de pijn. Toen heeft hij geprobeerd haar te wurgen met een stuk ijzerdraad dat hij nog in zijn zak had, Hidde, maar zijn wettige echtgenote had pumps aan en wist een van de pumps in zijn scrotum te planten, waardoor hij al zijn aandacht hierop moest richten, op dit deerniswekkende lichaamsdeel, dit schuldige lichaamsdeel, dit jammerlijke zakje, terwijl hij nog altijd schreeuwde van de pijn van het schreeuwen van de pijn, hetgeen zijn vrouw de gelegenheid bood om 112 te draaien met de huistelefoon op haar bureau en mee te delen dat haar man, Hidde Huizinga, per ongeluk een glas glorix had gedronken in plaats van de gebruikelijke graanjenever en dat hij zich dientengevolge nu niet meer zo lekker voelde. Hidde Huizinga kreeg onderweg naar het streekziekenhuis een beroerte en stierf om half vier 's nachts, in zijn eentje, in een nauwelijks verlichte kamer, aan een hartstilstand. Vierenzestig jaar werd hij. Een mooie leeftijd, voor wie van kwadraten houdt. Notitie van de plaatselijke politie: 'Geen bijzonderheden.'

5. Drogeermiddelen

De zuster was gehandicapt. De zuster was gehandicapt en liet zich gebruiken door Hidde. De zuster was gehandicapt en liet zich gebruiken door Hidde nadat Hidde de zuster had gedrogeerd met een onbekend drogeermiddel. De zuster was gehandicapt en liet zich gebruiken door Hidde nadat Hidde de zuster had gedrogeerd met een onbekend drogeermiddel waaraan Hidde, zijnde apotheker te S., vrij gemakkelijk kon komen. De zuster was gehandicapt en liet zich gebruiken door Hidde nadat Hidde de zuster had gedrogeerd met een onbekend drogeermiddel waaraan Hidde, zijnde apotheker te S., vrij gemakkelijk kon komen en het was precies dat drogeren geweest, misschien nog wel meer dan het gebruiken, dat Hiddes wettige echtgenote had aangezet tot het toedienen van glorix.  De zuster was gehandicapt en liet zich gebruiken door Hidde nadat Hidde de zuster had gedrogeerd met een onbekend drogeermiddel waaraan Hidde, zijnde apotheker te S., vrij gemakkelijk kon komen en het was precies dat drogeren geweest, misschien nog wel meer dan het gebruiken, dat Hiddes wettige echtgenote had aangezet tot het toedienen van glorix, waarop Hidde, zijnde apotheker, toen hij hoorde dat het om glorix ging, met een minieme grijns het bleekmiddel door zijn keel had gegoten, op was gestaan, voorover was gebogen, en het bleekmiddel dat op weg was naar zijn maag had overgegeven in een mandje met oude brieven op haar bureau.

4. Hidde.

Hidde dronk. Hidde dronk veel en zei niets. Hidde dronk veel, zei niets, en hield er een geheim leven op na. Hidde dronk veel, zei niets en hield er een geheim leven op na waarin zijn wettige echtgenote geen rol van betekenis speelde. Hidde dronk veel, zei niets, hield er een geheim leven op na waarin zijn wettige echtgenote geen rol van betekenis speelde en waarin een andere vrouw, met wie Hidde niet getrouwd was, wel een rol van betekenis speelde. Hidde dronk veel, zei niets, hield er een geheim leven op na waarin zijn wettige echtgenote  geen rol van betekenis speelde en waarin een andere vrouw, met wie Hidde niet getrouwd was, wel een rol van betekenis speelde en dewelke vrouw zij tamelijk goed kende omdat het haar zuster was. Hidde dronk veel, zei niets, hield er een geheim leven op na waarin zijn wettige echtgenote geen rol van betekenis speelde en waarin een andere vrouw, met wie Hidde niet getrouwd was, wel een rol van betekenis speelde en dewelke vrouw zij tamelijk goed kende omdat het haar zuster was, en toen de zuster vertelde dat ze door Hidde bezwangerd was zette de wettige echtgenote op een avond, Hidde was al ietwat in de olie, een longdrink glas glorix voor hem neer, in plaats van graanjenever, en sommeerde hem deze in te nemen.

3. 'Waar wilt u beginnen?' 'Waar wilt u beginnen?'


'Neemt u niets op?' vroeg de weduwe, toen we ons eindelijk hadden geïnstalleerd voor de eerste leegloopsessie, om negen uur in de avond, in de 'zitkamer'. De weduwe wilde alleen van 8 uur P.M. tot zonsondergang leeglopen. Daarvoor had ze er geen zin in; daarna ging ze naar bed. Zonsondergang kon je verwachten rond half tien, maar om echt onder te gaan had de zon toch nog wel een kwartier extra nodig. Ik heb maar niet gevraagd naar het waarom van deze toch wel ietwat ineffeciënte werkwijze; het zou wel weer zijn reden hebben. 'Ik neem nooit iets op,' zei ik. 'Ik doe alles uit mijn hoofd. Dit om de authenticiteit te waarborgen.' De weduwe knikte niet. Haar hoofd lag opzij tegen een kussen. Ze had haar ogen dicht. Haar rimpelloze gelaat baadde in het zonlicht dat door het kleine raam van de koeienschuur die zij haar woning noemde naar binnen viel. 'Waar wilt u beginnen?' 'Waar wilt u beginnen?' Doorgaans liet ik mijn leeglopers bij het begin beginnen maar in dit geval viel er veel voor te zeggen om het begin te laten zitten en bij het einde te beginnen, en dan langzaam terug te werken. 'Ik ben stervende,' zei de weduwe tenslotte. 'Dat zijn we allemaal,' dacht ik. 'Sommigen van ons zijn al gestorven,' ging ze verder, nog altijd haar ogen gesloten. 'Misschien moet ik mijn verhaal beginnen met het herdenken van een dode.' Ik nam een slok water, meer kreeg ik niet aangeboden, en sloeg mijn bloknote open.

2. Ze wilde dat ik in de schuur sliep.


Het eerste wat me trof was de eeuwige wind. Het tweede de straaljagers, en het derde de aarddistel. De eeuwige wind belette me helder na te denken. De straaljagers beletten me de schoonheid van Friesland tot me door te laten dringen. De aarddistel belette me hem te plukken. Zo zou ik ook willen zijn. De weduwe woonde in een kolossale boerderij. Het was eigenlijk meer een enorme schuur, waar min of meer achteloos een klein huisje tegenaan geplakt was, zo leek het, en in dat huisje woonde de weduwe. Ze wilde dat ik in de schuur sliep. Ze had liever niet dat ik ook in dat huisje kwam liggen, en wie was ik om bezwaar te maken tegen dit eenvoudige en doeltreffende arrangement? Behalve dat de schuur tochtte, vol lag met onduidelijke troep en een unheimische sfeer ademde. Sowieso is het niet goed, denk ik, om in een te hoge ruimte te slapen. Een te lage is erger, maar bij een te hoge ruimte, zeker als het een oude schuur is, ga je je van alles inbeelden, wat er gedurende de nacht, wanneer de wind eindelijk gaat liggen, naar beneden zou kunnen komen uit die gigantische zwarte ruimte. De weduwe vond dat ik niet moest zeuren, dat ik vorstelijk werd betaald,  en dat het wel zou wennen. De eerste nacht heb ik geen oog dicht gedaan.

1. Opdracht



Het liefst had ik de Friese weduwe nul op rekest gegeven, en was ik nooit naar S. afgereisd, maar ik kon niet anders. Je kon van alles over de weduwe zeggen, maar niet dat ze niet in staat was om druk uit te oefenen. Daar was ze juist heel erg goed in. Op zo'n manier, dat het leek alsof je nog steeds alle vrijheid had om te doen en te laten wat je wilde. Heel subtiel. Zo had ik haar al een paar keer te kennen geven, meest recent de week ervoor, dat ik wilde afzien van de opdracht, dat ik haar een ander aan zou raden om deze van me over te nemen, een collega-geestschrijver, die zeer deskundig was en historisch onderlegd; niet dat het aan geestschrijvers ontbrak. Het was immers zomer, had ik haar gezegd, en in de zomer werkte ik niet. Zomers zijn niet om te werken maar om te lummelen, zelfs als er een aanzienlijk honorarium in het vooruitzicht is gesteld. Daarenboven had ik zo langzamerhand genoeg van de geestschrijverij. Het hele idee dat er elk mens een verhaal met zich meedroeg dat opgetekend diende te worden klonk sympathiek, maar was quatsch. Als er al een verhaal in iemand zat dan was dat verhaal doorgaans stomvervelend. Maar de Friese weduwe had zich niet laten vermurwen. Opdracht was opdracht. Ze wist me ook een vaag gevoel te geven dat er iets ernstigs stond te gebeuren als ik niet kwam opdagen, en wat dat ook mocht zijn, ik wilde het niet op mijn geweten hebben.

15. Zazi


Een maand later, Wezensteins fondsen raakten op, ofschoon hij niets meer had gedaan, althans niets dat op kunst leek, of je moest ledigheid en eenzame afzondering daar ook onder rekenen, waar veel voor te zeggen viel, in het huidige tijdsgewricht, maar de Commissie liet zich niet vermurwen, die was nog niet zo ver, dacht hij aan Zazi. Zij verwachtte hem. Elk moment, eigenlijk. Zazi zat dan op haar gedeukte matrasje, rechtop, te wachten tot haar bevriende Dutch bullshit artist (zo noemde hij zichzelf, schertsend uiteraard, alles schertsend) haar eindelijk zou verheffen van alleenstaande, lees: ongelukkig in het leven staande, naar depressie neigende thirtysomething tot een begerenswaardig model – ook al kon The Big Sleep inmiddels als een mislukt project worden beschouwd maar dat kon zij niet weten. Nog niet. Wezenstein koos een zondagnacht uit. Of een maandagochtend, zo men wil. Zijn apparatuur had hij in het hotel gelaten (hij overwoog serieus om het nog tijdens zijn verblijf op eBay te zetten zodat hij het niet mee terug naar Rotterdam hoefde te sjouwen), maar wel had hij bij zich een schaar, waarmee hij, toen hij, aangekomen in Zazi's slaapkamer, bij haar lichaam was, ze lag voor de verandering te slapen, een slordige dertig centimeter van haar golvende haar afknipte, het enige dat zij had, of: het enige waar zij nog trots op kon zijn, waarop zij, in een klap klaarwakker, alsof haar zenuw was geraakt, in de hierna volgende schermutseling erin slaagde de schaar af te pakken en hem, dat was niet haar bedoeling geweest, maar het was wel het resultaat, 6 steken toebracht in de hartstreek (3 keer hakken met 2 punten), hetgeen hem verrassend snel, zeg maar binnen het uur nog, richting de eeuwige jachtvelden stuurde. 'Please,' zei hij. 'Take a picture of me.'

14. Hot flash


'Ex nihilo nihil fit,' dacht Wezenstein, starend naar zijn beeldscherm. Hij vroeg zich af wat de Commissie ervan zou vinden. Natuurlijk, er moest nog een verantwoording bij waarin hij kon schermen met namen als Warhol, Benjamin, Danto, the usual suspects, en de kans dat de Commissie met beide poten in deze Wichtigmacherei zou trappen was groot. Dus dat was niet zijn belangrijkste zorg. Zijn belangrijkste zorg was dat wat hij hier zag, op dit beeldscherm, mogelijk niets was, en niets zou blijven, hoelang hij ook aan de beelden zou sleutelen, hoezeer hij ze ook zou oppoetsen, bijwerken, manipuleren. Uit niets valt niets te maken. Alle kunst probeerde die oude wijsheid te logenstraffen. Grote kunstenaars, zoals van Gogh, begonnen bij niets en eindigden met iets, dat bovendien groots genoemd kon worden. Stelende kunstenaars hadden het makkelijker, want zij begonnen bij iets, en om uit iets, ook al is het gestolen, iets voort te brengen was geen kunst. Dat was heling. Wezenstein nam een hap uit zijn bagel met cream cheese en drukte op een aantal toetsen. 'Do you really want to delete the project THE BIG SLEEP?' Wezenstein twijfelde even, maar niet lang, en klikte daarna op YES, om in een moeite door ook de trash te legen. Heerlijk! Later, in de lounge van het hotel, op zijn vaste plek, met een cocktail voor zich, kreeg Wezenstein plotseling een hot flash. Was het niet veeleer zo, dat er niets was waaruit niets gemaakt kon worden, i.e. dat alles wel iets van waarde bevatte? Wat als hij het mooiste dat hij ooit gemaakt had, nee het mooiste dat hij ooit zou maken, zojuist in een paar muisklikken had vernietigd?

13. Drama


Om drie uur die nacht, toen Wezenstein de krant helemaal uit had, liep hij uit de keuken richting master bedroom en nam hij, bij minimaal licht, zijn eerste foto van Rosenfeld, terwijl deze tamelijk theatraal, als een drama queen, op zijn rug op de ronde matras lag – ook de ronde matras viel te categoriseren als menselijke aberratie – met zijn hoofd over de rand naar beneden, zijn haar, of wat daarvan over was, omlaag hangend, zijn strottehoofd in de aanbieding en zijn mond wagenwijd open, waardoor de mechanica van zijn gesnurk vrij nauwkeurig te volgen was. Huig. Tong. Neus. Huig. Tong. Neus. Het geluid dat hij daarbij maakte leek nog het meest op dat van een knorrend, reutelend varken. Rosenfelds rechterhand met overdreven grote trouwring lag nonchalant over zijn navel, terwijl zijn linkerhand, hier was over nagedacht, een buisje met pillen omvatte. Triazolam. Ook wel bekend onder de handelsnaam Halcion. Hoeveel had hij er genomen? Genoeg. Hoewel, niet genoeg om de spieren van zijn linkerhand dusdanig te verslappen dat het buisje uit zijn vingers zou glippen. Wezenstein haalde zijn camera uit het statief en ging heel dicht op de huid, of huig, zitten van zijn beoogde slachtoffer. Zo dicht, dat Rosenfelds adem de lens deed beslaan. Op het moment dat de stelende kunstenaar wilde afdrukken opende de professor een oog en fluisterde: 'You like what you see?'

12. Wezenstein interesseerde zich in principe niet voor de motieven van zijn beoogde slachtoffers, hij interesseerde zich alleen voor de deelname zelf, en wat hij noemde het level of commitment.


Het tweede beoogde slachtoffer, of het derde, of vierde, al naar gelang bij wie je begon te tellen, was woonachtig in een niet onaanzienlijk huis in de Upper East Side, niet ver van het driesterrenrestaurant waar Wezenstein was wezen eten, had een niet onaanzienlijke positie als professor aan een niet onaanzienlijke universiteit, en beschikte over een niet onaanzienlijke belangstelling voor de menselijke aberratie in het algemeen en de neiging tot kunst in het bijzonder. Dat was de reden dat hij, Prof. dr. Baruch Rosenfeld, instemde met Wezensteins verzoek, nu al weer anderhalf jaar geleden ingediend, om deel te nemen aan The Big Sleep. Wezenstein interesseerde zich in principe niet voor de motieven van zijn beoogde slachtoffers, hij interesseerde zich alleen voor de deelname zelf, en wat hij noemde het level of commitment. Aan dat level of commitment zou het bij Rosenfeld wel enigszins kunnen schorten, dacht Wezenstein, ook al had hij zijn vrouw en kinderen voor deze nacht ondergebracht bij vrienden in Brooklyn Heights en leek hij uitermate in zijn nopjes toen Wezenstein om 11.45 PM met zijn apparatuur op de stoep stond. 'Ah, The Artist Formerly Known As Bum,' schertste Rosenfeld, gekleed in een satijnen ochtendjas, met, zo te zien, alleen een boxershort eronder. 'All the way from Europe, formerly known as the civilized world.' De Rotterdammer zweeg. Rosenfeld ging Wezenstein voor naar zijn lange houten keukentafel, waar zij eerst een nightcap zouden drinken. Daarna zou Wezenstein zijn apparatuur opstellen rond het bed waarop de professor zich zou neervlijen, maar niet dan nadat hij de nodige dosis slaappillen had genomen. 'When you hear me snore, I'd say attack, Herr Künstler!'

11. Obees


'Sir? Excuse me sir. Sir?' Wezenstein opende zijn ogen. Het eerste wat hij deed was angstvallig de grond om zich heen aftasten naar zijn bril, en toen hij die had gevonden, schoon had gepoetst met een eind van zijn hemd, en op het vlezige verdikkinkje van zijn neusrug had geplaatst, richtte hij zijn blik in de richting van waar het spraakgeluid vandaan kwam. Het spraakgeluid kwam uit een hoofd dat toebehoorde aan een lid van the New York Police Department, dat technisch als obees, wellicht ziekelijk obees, omschreven zou kunnen worden. 'What's the matter?' vroeg Wezenstein. 'Sorry Sir, can't sleep here. Park won't allow it.' De politie-agent deed zijn pet af, herschikte het plakkerige haar op zijn enorme schedel, en zette de pet weer op. What the, why, wilde Wezenstein uitroepen, maar hij besefte op tijd dat ieder protest zinloos was. Beter dan te protesteren tegen de autorititeiten, was het, herinnerde hij zich een van zijn weinige principes, om je over hen te amuseren. Dat scheelde je frustratie, en het leverde misschien nog iets op – in Naam van de Kunst, dan natuurlijk, en voor de kunsten moest je wat overhebben. 'Are you going to give me a ticket for falling asleep in the park,' zei Wezenstein, niet eens als vraag, meer als aanmoediging. Dat was pas wat: een politieagent die een boete gaf voor een dutje in het park. Hoe hoog zou die boete zijn? Wezenstein begon zich zo langzamerhand te verkneukelen over het idee. 'Nope,' zei agent Obees. 'Just waking sleepers up, Sir, that's all.' 

10. Moorddroom

Ik ren op blote voeten door het drassige gras. Bijna struikel ik over een sloot. Een koe kijkt me meewarig aan. De zon brandt, de wolken vliegen weg. Ik kom bij een schuur. Hij is donker en vervallen. Binnen wacht een oud vrouwtje met thee. Er staat een hammondorgel waarop ik blue in green mag spelen. Een kind komt van de hooizolder naar beneden. Het huilt maar weet niet waarom. Het wil niet getroost worden. Ballerina's dansen rond de perenboom. Iemand graaft een kuil. Op mijn vraag voor wie die kuil dient geeft de kuilgraver geen antwoord. Insecten zoeken toegang tot mijn broekspijp. Julius roept moeder. Waar ben je? Je moet je nieuwe kleren passen. Ik moord iedereen uit en staar naar de volle, gevlekte maan die boven het maisveld hangt.

9. Wezenstein dacht aan Rotterdam, en prees zich gelukkig dat hij in New York was.


Wezenstein baande zich een weg door een haag verveeld kijkende bike rental-bordomhooghouders en crashte op een heuvel in Central Park, omdat hij vond dat hij dat wel verdiend had. Ook de grote veroorzaker van slaap, of de veroorzaker van grote slaap, het was maar hoe men het bekeek, had af en toe slaap nodig. Bovendien was hij erachter gekomen dat hij in liggende houding, met gesloten ogen, tot de helderste gedachtenstroom kwam. De kunstenaar vlijde neer onder een cipres, zette zijn zware hoornen bril af, wreef in zijn ogen, en liet zich voorzichtig achterovervallen in een bed van dorre naalden. De vogels floten, maar het waren mussen. De eekhoorns trippelden, maar het waren squirrels. Wezenstein dacht aan Rotterdam, en prees zich gelukkig dat hij in New York was. Over twee dagen zou hij pas weer aan de bak zijn. Twee dagen hoefde hij niets te doen, behalve wat formulieren invullen voor de hoge dames & heren Subsidieverschaffers. En eten natuurlijk. Hij verheugde zich op zijn bezoek aan het driesterrenrestaurant aan de andere kant van het park vanavond. Ook dat bezoek had hij verdiend, vond hij. Rotterdam had geen driesterrenrestaurants. Het had één tweesterrenrestaurant, en drie éénsterrestaurants. Julius Wezenstein had lang genoeg op een houtje moeten bijten voordat het leven voor hem een aanvang nam.

8. Jump cut


Wezenstein behoefde geen kunstlicht te gebruiken. Het harde, scherpe ochtendlicht dat de slaapkamer binnenviel was meer dan voldoende. Jeff was op zijn rug gerold en lag als Jezus aan het kruis op zijn altaar-bed: armen gestrekt, hoofd opzij, met het ietwat gepijnigde gezicht naar beneden gericht, de hiel van de ene voet rustend op de wreef van de andere. Alleen de spijkers ontbraken. En de lendedoek. Jeffs voortplantingsorgaan lag erbij als een uitgedroogd reptiel. Per ongeluk stootte Wezenstein een lamp aan, die brak tegen de muur, maar het beoogde slachtoffer vertoonde geen enkele reactie. Later begon hij wel op zijn tong te kauwen, aan zijn scrotum te plukken, en solo voetje te vrijen. Wezenstein wachtte tot hij klaar was, stelde zijn apparatuur op, en klikte. En klikte. En klikte. In een half uur tijd maakte de Rotterdammer 400 beelden. Eigenlijk maakte hij een film, dacht hij. Een trage film. Een trage film met kleine jump cuts. Maar niemand, behalve hij, zou die film zien, want onmiddellijk na zijn voltooiing zou hij alles weer weggooien. Alles behalve één beeld. Eén beeld van Jeff. Een beeld waarin de beerachtige Texaan met de vage showbiz-ambities sterk de indruk wekte zojuist te zijn overleden.

7. Thuiskomen


Om vijf uur, toen het licht begon te worden, stommelde de heer des huizes binnen. Hij schopte zijn slippers uit, graaide in een zak pretzels, die hij wegspoelde door een pak melk aan zijn muil te zetten, schoof de ramen dicht, liet zich op de plakkerige leren bank neervallen, goochelde net zolang met drie smoezelige afstandbedieningen totdat hij op zijn flatscreen de die avond door hem gemiste programma's voor zich had, sloeg zich een weg door deze programma's, schakelde het geheel weer uit, krabte onder zijn t-shirt aan zijn varkensbuik, hees zich overeind en begon zich voor de onverschillige stad uit te kleden. Daar was hij gauw klaar mee. Terwijl hij een sissende boer tussen zijn dikke lippen liet ontsnappen, draaide hij zijn blote kont op een barkruk om zijn computer te bedienen. Diverse wereldwijde websites, die niettemin opmerkelijk dicht bij elkaar lagen, werden mechanisch afgewerkt. Julius Wezenstein, die zijn beoogde slachtoffer nog altijd ongemerkt vanuit zijn schuilplaats had kunnen observeren, schermde zijn ogen en oren af. Hetgeen zich nu plaatsgreep verdiende zijn eigen project, maar of hij er subsidie voor zou krijgen, viel te bezien. Jeff sjokte terug naar de keuken, propte daar opnieuw een hand pretzels in zijn mond, en toen nog een hand, spoelde ook dit weer weg met een teug melk, poetste zijn tanden en zijn tong en stortte zich op zijn tafel-hoge, lege bed, om daar onmiddellijk in slaap te vallen, althans zo leek het, in een houding alsof hij een steile wand beklom.

6. In de zitkamer stonden de schuiframen wijd open, als was Jeff een luchtje scheppen.


Toen Julius Wezenstein Jeffs betonnen woontoren betrad, ook bekend als de Suicide Tower, werd hij verrast door de portier, die ineens vanachter zijn piepkleine monitor omhoogkwam en vroeg: 'May I ask who you're visiting?' Wezenstein antwoordde zo overtuigend dat hij op 30 F moest zijn, en nergens anders, en wel op dit uur van de nacht, en geen enkel ander, dat de portier meteen weer neerzeeg zonder te vragen of iemand hem op 30 F verwachtte, en wie dan wel. De lift deed er vijftien seconden over om de dertigste verdieping te bereiken. Op de overloop hing een lucht van aangebrand brood. Voor de deur van 30 G lag een in touw gebonden krant; aan een vergeelde muur prijkte een obligaat Warhol-poster. De stelende kunstenaar zette zijn apparatuur neer, stak de sleutel die Jeff hem gestuurd had in het slot, en opende behoedzaam de stalen deur. Hij piepte, maar niet hard genoeg dacht hij, om Jeff of wie dan ook wakker te maken. In de zitkamer stonden de schuiframen wijd open als was Jeff een luchtje scheppen. Wezenstein keek neer op de grommende, kreunende, flikkerende stad. Op een dak van een belendend gebouw werd in het donker naar een zwart model geflitst. New York moest niet alleen de meest gefotografeerde stad zijn, zij telde ook de meeste zich noemende fotografen. Met een uitgestoken vinger duwde Wezenstein, heel langzaam, in etappes, centimeter voor centimeter, de deur naar de slaapkamer open. Die was leeg, maar dat betekende niets. Het was misschien zelfs wel beter. Wezenstein, zijn apparatuur in de aanslag, trok zich terug in een hoek van de zitkamer, achter Jeffs reusachtige flatscreen, en wachtte.

5. Preparatie



Zazi, dacht Julius Wezenstein, laat ik even voor wat ze is. Die komt nog wel. Laat ik het mezelf niet onnodig ingewikkeld maken en eerst Jeff afwerken. Jeff, een beerachtige Texaan met onduidelijke showbiz-ambities, had zijn sleutels, of beter gezegd: kopieën van zijn sleutels, al opgestuurd naar Rotterdam, met de mededeling: I'm ready when you are. Dat waren de betere beoogde slachtoffers. Die al, voordat je erom had gevraagd, op hun rug gingen liggen, weerloos, als een jonge hond, in afwachting van wat komen ging. Jeff woonde in Soho. Dat wil zeggen: hij woonde in een flat aan de noordelijke rand van Soho, waar technisch gezien Greenwich Village al was begonnen – niet het mooiste deel van de Village – maar dat was allemaal bijzaak. Het ging om zijn lijf, en hoe dat lijf was gedrapeerd over zijn bed. Van te voren was afgesproken dat als het 's nachts warm genoeg was om naakt te slapen, hij alleen een laken over zich heen zou slaan. Kussens waren uit den boze. Dit bespaarde Wezenstein een aantal complexe handelingen bij de tenuitvoerlegging van The Big Sleep. Jeff zou zichzelf al hebben geprepareerd, zogezegd. Vrijdagnacht, om 2.54 AM, een tamelijk willekeurig tijdstip, nam Wezenstein de taxi. Jeff wist niet zeker dat Wezenstein zou komen, maar Wezenstein wist ook niet zeker of Jeff er wel zou zijn. Jeff had de neiging tot diep in de nacht uit te gaan, en/of bij vage connecties in bed te belanden, maar misschien had hij dankzij cosmische communicatie begrepen dat hij deze nacht moest gaan klaarliggen om de stelende kunstenaar tot dienst te zijn.

4. Een gemiddelde nachtrust


Zazi was zelf ook kunstenares, welke kunst ze beoefende was niet helemaal duidelijk, maar dat deed er niet toe. Ze toonde begrip voor Wezensteins project. Dat was een voordeel. Het nadeel was dat ze in een bedompte pijpenla woonde, en licht sliep. Van het minste geringste geluid zat ze rechtop in bed. Dit had Wezenstein vaker gehoord van zijn beoogde slachtoffers, en hij had er zijn schouders bij opgehaald. Wezenstein was heel stil, dat was een van de essentiële kenmerken van de stelende kunstenaar. Wat hem meer verontrustte, en dit was nieuw voor hem, was dat Zazi ongeveer elke 90 minuten opstond om te plassen. Poepen ook wel eens, maar vooral plassen. Dat betekende dat ze bij een gemiddelde nachtrust 5 à 6 keer aan de wandel was, maar wanneer deze sanitaire intermezzi plaatsvonden kon ze niet van te voren zeggen. Daar stond tegenover, zei ze, dat ze heel snel weer insliep. Wezenstein krabde aan zijn baard van drie dagen. Had het überhaupt nog zin Zazi te laten deelnemen aan The Big Sleep? Moest hij niet gewoon zijn kopje thee leegdrinken, haar vriendelijk bedanken voor haar gastvrijheid en haar schrappen van zijn lijst? Nee, nee, nee, geen sprake van, stampvoette Zazi, toen hij haar zijn twijfels kenbaar maakte. 'I will participate. Here are my keys. You do whatever you think is necessary.'

3. Slachtoffer


'Imagine a black woman on the sidewalk on the corner of 57th Street and Fifth Avenue this morning,' zei Wezenstein tegen Zazi, een oude vriendin en zijn beoogde eerste Big Sleep-slachtoffer, woonachtig in een donker flatje op Amsterdam Avenue. 'She's lying under a blanket made from paper. Right on the doorstep of Louis Vuitton. When I approach her, I see she is sleeping or appears to be sleeping, it's hard to tell. Her hair is a mess, and she seems to be bleeding from the mouth. I take out my camera, call it my professional deformation, aim and take a picture. Of course. It would have been strange not to take a picture – I mean given the fact that I am on a heavily subsidized trip to New York for a project on sleep. I basically owe it to the Commission to take that picture. Anyway, the woman wakes up. I figured this was going to happen, so I quickly produce a twenty dollar bill. She says she don't want my money. You know why? She says I look like an acquintance, a man she knew. Not just a little bit, the resemblance is downright scary. I say, so what, why would that mean you should not take my money? She says the man was evil. Not long ago he tried to kill her. Not only does this woman not want my money, she even insists that I delete the picture I took of her, and get the hell out of there.'

2. Clean.


Eenmaal gezeten in zijn vaste fautuil in de lounge van het Mandarin Oriental Hotel op de 36ste verdieping van het Time Warner Center aan Columbus Circle slaagde Wezenstein erin een ingehouden grijnslach op zijn gezicht te krijgen. Hier was hij niet voor gekomen, maar dit maakte hem, op een sinistere wijze gelukkig: de aanblik van de bleke vierkante woontorens rondom het rechthoekige park, die als passieve omstanders een laatste eer leken te bewijzen aan het wuivende groen in een reusachtige doodskist. Wezenstein nipte aan zijn mierzoete sake. Zo zag hij de stad het liefst: vanaf een comfortabele hoogte, ver van de penetrante lelijkheid, de terreur, het lawaai, en gezien door getint glas, waardoor het zelfs midden op een zonnige lentedag als deze, permanent leek te schemeren. Het Mandarin had als geen ander hotel begrepen dat bij deze ambiance alleen zeer zachte muziek hoorde, nee, niet eens muziek, geluid. Licht gebrom en gezoem, zonder melodie of richting. Clean. Als alles vernietigd zou worden, daar beneden, Wezenstein zou er geen last van hebben, of pas als het Time Warner Center aan de beurt was, maar dat had dan als bijkomend voordeel dat hij t.z.t. aan de subsidiecommissie niet hoefde uit te leggen waarom hij 500 in plaats van 100 dollar voor zijn kamer had betaald.

1. Opzettelijke traagheid


De dag dat Julius Wezenstein zou vertrekken naar New York voor zijn kunstproject The Big Sleep werd hij overspoeld door een gevoel van totale zinloosheid. Niet alleen het project zelf kwam hem ineens als onzinnig, misschien zelfs potsierlijk voor, maar ook zijn levensvervulling, de fotografie, of, zoals hij zelf liever zei, de stelende kunst, had iets flets gekregen – tenminste vergeleken bij Van Gogh, zijn voorbeeld. Waarom naar New York? Wat was er in New York dat niet was in Rotterdam? Waarom eindeloos door de straten van Manhattan dolen op zoek naar iets dat er toch niet was, of niet meer was? En zijn vrienden? Natuurlijk zou hij ze opzoeken, die zogenaamde vrienden van hem in New York. Elke stelende kunstenaar van enige ambitie, of hij nu van ze stal of niet, had vrienden in New York. Hij had zelfs al een paar afspraken gemaakt. Maar wat had hij die vrienden te vertellen? En: wat hadden ze hem te vertellen? Natuurlijk, hij zou wel wat tijd kwijt zijn aan het project – al was het alleen maar om zich later tegenover zijn subsidieverschaffers te kunnen verantwoorden. 's Nachts. En overdag. Overdag zou hij foto's selecteren, en de volgende shoot plannen, wat een delicaat klusje was. Nu hij er zo over nadacht kreeg hij er wel alweer wat zin in, maar toen hij zich naar de luchthaven begaf betrapte hij zich op een opzettelijke traagheid, als miste hij liever zijn vlucht, gewoon, om van alles af te zijn, terug te keren naar zijn aftandse appartement in het Oude Noorden en zich daar op bed te laten vallen.

23. Cher Frédéric,


Re: lafheid
  
Ik wil je allereerst bedanken voor je bijdrage aan de verbetering van mijn leefomgeving. Het is een mooi ding om dezer dagen nog mensen bereid te vinden bijdragen te leveren ter verbetering van iemands leefomgeving, spontaan, en zonder dubbele agenda bovendien. Nou ja, iedereen heeft een dubbele agenda, daarvoor hoef je de agenda alleen maar om te draaien, maar in jouw geval zou ik toch willen spreken van een inherente goedaardige, ja behulpzame impuls, en zoiets moet worden toegejuicht. Natuurlijk: je had een oog op mijn huis in Caux. Meer dan een oog, je had het willen confisqueren om het cadeau te kunnen doen aan je veeleisende vriendin. Dat was de deal. Op de vrije markt lukte het je niet een bevredigende aanschaf te doen. Jij zou een bijdrage leveren aan de verbetering van mijn leefomgeving, en die van mijn vrouw, en ik zou jou in ruil voor die daad, nobel of niet, mijn huis cadeau doen. Je was er meteen verliefd op, op mijn huis. Je was ook meteen verliefd op de deal. Je zag alles ineens samenkomen: gunst, noodlot, en liefde. Ik heb je wat aanwijzingen gegeven, die heb je opgevolgd. Ook daar ben ik je dankbaar voor. Maar je begrijpt waarom ik mijn aandeel in de transactie niet kan nakomen. Halverwege heb je het gruwelijk laten afweten. Je lafheid heeft je ingehaald, Frédéric Groeninx van Zoelen. Heb je je mooie vriendin inmiddels van ons verteld? Verbaast me niets. Het hoeft al niet meer, Frédéric. Dit is het laatste wat je van me hoort, ik hef dit emailadres op, en ik stel voor dat jij hetzelfde doet. Pouff! Hartelijks, enz.'