Bij de dood langs

Gister met mijn moeder bij de dood langsgefietst.

Ze was wel wat zenuwachtig, want ja,

de dood in de ogen kijken – of aanraken, althans –

is wat anders dan vreesloos speculeren.


De bladerpracht was niet de oorzaak maar

we fietsten fout; de rijstijl van mijn moeder

houdt het midden tussen onbesuisd

en roekeloos. Wij zijn één.


We parkeerden voor de laagbouw.

De zonen heetten ons welkom.

De dood lag achter een wandje.

Wij vermorsten geen tijd.


Ze kwam toch nog als een verrassing.

Schokkend anders, de vriendin,

haar huid wit als kipfilet,

hoofd opzij, spleet tussen de lippen,


alsof ze verlegen was met de situatie,

zich schaamde voor haar

onomkeerbaarheid,

voor alles, voor ons.


Mijn moeder huilde kort bij het ophalen

van een herinnering en vroeg, dromerig:

‘Waar zou ze nu zijn?’

‘Ik denk hier,’ zei ik. ‘Voor onze neus.’

Twee polaroids



We hebben twee polaroids, met negentien jaar ertussen.

Op de ene zitten twee mensen op het trappetje van een brownstone,
twee mensen die wij ooit waren.

Blije apen. Onbezoedelde zielen.

De andere is gisteravond in het restaurant om de hoek genomen
door een voorbijkomende polaroidfotograaf.

Vijf euro kostte hij.
Jij had dat bij je.

Sadder and wiser
heet dan de uitdrukking te zijn

Maar toch: een polaroid.

Samenleven is samen
polaroids verzamelen.


Natuurlijke dood




De natuurlijke dood als oneindige moeheid,

als niet meer kunnen, op zijn –

niet levensmoe –

maar te moe om te leven


Ik kwam tot deze definitie toen ik mijn vader

hoorde verzuchten dat hij zo moe was, zo moe –

te moe om zich te verplaatsen, te praten,

te eten, te ademen


Edoch nadat hij een half uur op bed had gerust

lokte ik hem er weer uit met een wijntje –

hij was behoorlijk opgeknapt,

als begon hij aan een nieuwe jeugd


Ik vertelde hem over een meisje van zeventien

dat dood wil dat niet meer leven wil

dat klaar is met het leven –

ze heeft van alles geprobeerd, het lukt maar niet


Mijn vader nam een slokje van zijn wijn,

hij at een nootje, nam een hapje

van het toastje dat ik voor hem had belegd met kaas

en zei bizar


 

Een grote vermissing

waar is iedereen
waar is iedereen gebleven
waar zijn al die mensen
die ik door mijn hele leven
heb ontmoet bekenden, oude en halve vrienden, contacten
vijanden waar zijn ze

ik loop over straat en ik zie ze niet
ik zie alle mogelijke mensen in de stad
maar dat zijn allemaal anderen
met andere geschiedenissen
andere relaties tot elkaar en tot mij

herkennen we elkaar niet meer,
omdat we blind zijn geworden
onverschillig gevoelloos doof

nee nog niet
de bekenden hebben zich teruggetrokken in hun holen
net zoals ik me heb teruggetrokken in het mijne
en ze zullen zich hooguit weer laten zien
– hoewel niet aan mij –
bij het afscheid

algemene relativiteitstheorie

denk je god wat een leven denk dan even

aan een vluchteling die nergens welkom is


ben je een vluchteling die nergens welkom is

denk dan even aan iemand die achter is gebleven

en ’s nachts wakker wordt gehouden door bommen


word je ’s nachts wakker gehouden door bommen

denk dan even aan iemand die een been heeft verloren

of een oog door een gemeen geplaatste mijn


viel je ten prooi aan een gemeen geplaatste mijn,

denk dan even aan iemand die gemarteld is, of verkracht


ben je gemarteld of verkracht

denk dan even aan iemand die een kind heeft verloren,

of een kind zijn moeder, of vader


heb je je kind verloren, of een ouder, denk dan even aan iemand

die de liefde kwijt is die het leven zin gaf


ben je iemand die de zingevende liefde kwijt is

denk dan even aan iemand

die op het punt staat het leven te verliezen


sta je op het punt het leven te verliezen

denk dan even aan iemand die niet meer leeft


ben je iemand die niet meer leeft

wees blij dat je niet meer hoeft te denken


Vier ZKG's voor een regenachtige zondag

1. Grenzen aan het laconieke

Alles is niets
voor wie nergens iets in ziet
Tot iets toch alles blijkt
en er niets van over blijft

2. De tegenwoordigheid van de jeugd

Werelden aan de vingertoppen

Universa aan de schone voeten

Jonge verveelde goden krijgen een paniekaanval

de jacht naar uppers geeft downers

Het brein leeggezogen

Het hart gehalveerd en uitgeperst

Opgebruikte citrusvruchten


3. Leescrisis


ik scrol

tot ik tol

tot ik vol ben

                                    en


                                                            dol


4. Sonnet (naar Lucebert)



Kont

Tiet

Tiet

Kont


Kut

Lul

Lul

Kut


Zaad

Ei

Kind


Zaad

Ei

Kind


Natuurlyriek (echt)

Er is een Lyriek die wij in Ere herstellen

Hele, Ware, Pure Schoonheid

Die erom schreeuwt te worden vereeuwigd

Voordat het Te Laat is


Zoals die Avond op de Camping

Toen er een Zangvogel zong

Ergens op een tak onzichtbaar

Zo geraffineerd, zo Delicaat

Dat kan, dachten wij, geen Nachtegaal zijn

Dat zou Te Mooi Voor Woorden zijn

Dit moet een valse nachtegaal zijn

Om ons lyrici te misleiden


Toch maar even de App gecheckt

Of dit niet toch per Ongeluk

En Verdomd voor het eerst in ons Leven

Hadden we Hem Echt Gehoord





 

Zweefvlucht

 


Herfstiger




dichters die het over de herfst willen gaan hebben
hebben het makkelijk deze herfst
nog voor goed en wel
overal dood en verderf
alles stuk in grote scherf
niemand die zegt leef
iedereen die zegt sterf

en ik? ik veeg bladeren bijeen
op een doodstil kurkdroog erf
ze zijn groter doder dit jaar
kronkeliger krokanter
wat zout er overheen
en zo bij de borrel
in de aula van het knekelhuis

maar wat doet het ertoe
het gaat niet om de familie
het gaat niet om de soort
het gaat niet om de botanie
het gaat enkel en alleen
krikkrak schrans nerf
om vroegere vergankelijkheid