Honderd verhalen in honderd dagen: 4. Het uittrekkingsritueel




Een van de akeligste, hoewel misschien niet pijnlijkste, rituelen van de Tsua Yan stam, of sekte, zoals hij ook wel wordt genoemd, is die der initiatie, waarbij jonge mannen en vrouwen naakt op een houten baar worden vastgebonden, en vervolgens door oudere stam- dan wel sekteleden volledig worden geëpileerd. Alle haren en haartjes worden één voor één uitgetrokken en in een pan gedaan. Die wordt met water en kruiden op het vuur gezet. Als de kalen het brouwsel opdrinken, zijn ze huohuo, ofwel lid.

Djiwo, een meisje van zeventien, bereikte nooit dat punt, omdat ze bij de uittrekking van haar wimpers door de man en vrouw die in andere culturen haar opa en oma zouden worden genoemd, zo hevig tekeer ging, zo agressief schreeuwde en om zich heen sloeg, dat het ritueel diende te worden gestaakt.

Djiwo's wenkbrauwen waren weg, Djiwo's hoofd-, oksel-, schaam- en beenhaar was weg, maar de wimpers waren slechts gedeeltelijk verwijderd. Zowel op haar linker- als op haar rechterooglid zaten er nog een paar, die brutaal de aandacht opeisten.

Een weigering als die van Djiwo was al lang niet meer voorgekomen bij de Tsua Yans. De laatste keer dat dit gebeurde, bij een zekere Tu, werd deze onmiddellijk verbannen.

Het Djiwo-debacle zorgde voor een splitsing onder de Tsua Yans. Een meerderheid van de leden was tegen Djiwo's lidmaatschap. Zij vonden, de 'opa' en 'oma' voorop, dat Djiwo volgend jaar opnieuw aan de rituele uittrekking diende te worden onderworpen. Zou zij weer bezwaar maken, dan was het einde oefening.

Een kleine factie echter, onder leiding van de jonge chiso (scheermeester) Iraj, nam het voor Djiwo op. 'Djiwo's verzet heeft mij de ogen geopend,' sprak Iraj op een dag in de leestent. 'Het initiatieritueel moet op de schop.' De immer kritische, maar doorgaans weinig spraakzame Luthi, knikte.

Iraj en Luthi smeedden in het geheim plannen om af te scheiden van de Tsua Yan-groep. Toen deze plannen uitlekten, werden zij op het matje geroepen bij clan-oudste Wewe.

'Wat hebben jullie tegen rituele uittrekking van de wimpers?' baste Wewe, draaiend aan een van de punten van zijn hipsterbaard.

'Het is onnodig wreed,' antwoordde Iraj. 'Wij eisen vooruitgang,' vulde Luthi voorzichtig aan. 'Ook barbarisme moet mijn zijn tijd meegaan.'

Wewe, zijn beide handen rustend op zijn blote, watermeloenvormige buik, nam ruim de tijd om te lachen. Toen hij zijn ogen had gedroogd, knipte hij met zijn dikke, vettige vingers. Er kwamen vijf clanleden binnen. Ze legden Chiso en Luthi op hun zij op een baar, en sloegen in elk oor een spijker. De verwachting was, dat zij hierdoor voorlopig van hun vernieuwingsdrang waren genezen.




Honderd verhalen in honderd dagen: 3. Nietzsche en Van Gogh wandelen door het Zwarte Woud

Charles Donker


Nietzsche en Van Gogh wandelen door het Zwarte Woud. Aan Van Goghs schouder hangt een klein, aftands rugzakje met schilderspullen. Nietzsche heeft alleen een opschrijfboekje in zijn broekzak, met een stompje potlood.

'Vind je dit dan niet prachtig?' zegt Van Gogh. De adem komt als uitlaatgas zijn mond uit. 'Die glooiende heuvels, die herfstkleuren, dat late licht...'

'Dit is wat iedereen mooi vindt. Verfrissend dat wel, maar het doet me niets. Een enorme bosbrand. Aangestoken door revolutionairen. Daar zou ik graag getuige van zijn.'

Ze rusten uit op een bankje. Talrijke wandelaars passeren, veelal kortgeknipte grijsaards, stellen met stoere schoenen en norse blikken.

'Wie had gedacht dat wandelen het medicijn tegen Corona zou worden?' zegt Nietzsche, rusteloos voorovergebogen wippend, met zijn benen over elkaar. 'Wie had gedacht dat de mens anno 2020 nog een been voor het andere zetten zou?'

Van Gogh wrijft in zijn handen. 'Nu had ik wel een broodje brie gelust.'

'Ik dacht dat jij voor proviand zou zorgen,' zegt Nietzsche, quasi geheimzinnig. 'Sta me toe een pijpje te stoppen.'

'Je gaat je gang maar... Ik vind het wel jammer trouwens dat je de tragiek van de schilderkunst niet inziet, dat er voor jou altijd een muzikaal of theatraal aspect moet zijn.'

'Ik zal voor jouw schilderijen een uitzondering maken,' zegt Nietzsche tussen het trekken aan zijn pijp door. 'Vooral voor je zelfportretten trouwens. Die zijn beslist tragisch. En heus niet alleen die met het afgesneden oor, alhoewel die misschien toch wel het meest.'

Van Gogh staat op, loopt het bos in en stuit op een piepklein appeltje. Hij bijt het rotte stuk eraf, spuugt het uit en gaat weer zitten, zijn buit trots bestuderend. 'Uit alles wat jij geschreven hebt spreekt de bijna fysieke pijn der eenzaamheid,' zegt hij, zonder Nietzsche aan te kijken. Hij neemt een muizenhapje. 'Maar je hebt humor. Die heb ik ook, maar niemand heeft er oog voor.'

'Wij zagen de wereld, maar namen er geen deel aan. Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik ken de liefde alleen uit krantenberichten.'

Nietzsche klopt zijn pijp leeg op de rand van het bankje. Met de lange nagel van zijn pink reinigt hij de kop, die de vorm heeft van een apenschedeltje.

Van Gogh heeft zijn appel op, inclusief klokhuis. Het steeltje houdt hij plagerig tussen de lippen. Hij staat op.

'Als ik thuis ben, zal ik je een brief schrijven.'

'Doe dat,' zegt Nietzsche. 'Ik kan niet beloven dat ik terugschrijf.'


Honderd verhalen in honderd dagen: 2. De jongen die sneeuw at

Ernst Haeckel

Masao Katsu, een jongen  met dikke lippen en onrustig knipperende oogleden die in een bergdorpje woonde in Hokkaido, at vanaf het moment dat die was begonnen te vallen, alleen nog maar sneeuw. Daarvoor hoefde hij slechts het raam met uitzicht over het ravijn open te doen, van zijn hand een kommetje te maken, of schepje, zo je wilt, die door de witte massa te halen die zich had opgehoopt op een voor zijn raam uitstekende boomtak, het hoopje sneeuw naar zijn mond te brengen en te happen.

Zijn lippen voelden graag de koude en de korrelige textuur van de sneeuw. 'Versgevallen sneeuw voelen smelten tegen mijn verhemelte is een sensatie die zoveel beter is dan smaak,' schreef hij in het dagboek dat hij begonnen was bij te houden sinds hij zijn kamer niet meer uitkwam en met niemand meer praatte.

Onder het kopje 'Honger?' schreef Masao, zelfs voor zijn doen raadselachtig: 'Honger? Een illusie.'

Na de zevende dag zonder conventioneel eten begonnen zijn ouders instanties in te schakelen: Instantie K, Instantie Ch en Instantie Y.

Instantie K en Instantie Ch, uit het nabijgelegen Kitami, konden alleen door de deur met Masao praten aangezien Masao de deur van binnen had dichtgetimmerd (de telefoon nam hij al helemaal nooit op, sterker: Masao had nog nooit van zijn leven een telefoon opgenomen). Masao had goed opgelet bij de timmertutorials die hij volgde op internet, en hij bleek te beschikken over alle mogelijke werktuigen (waar hij die vandaan had wist niemand; hij moest ze naar binnen hebben gesmokkeld voordat zijn zelf-isolement begon). De deur van zijn kamer was met geen mogelijkheid open te krijgen, althans niet door Instantie K en Instantie Ch, die bij voorkeur met zachte krachten werkten. Instantie Y, uit het verre Sapporo, bracht handzame explosieven mee; hiertegen bleek Masao's deur niet bestand (zijn trommelvliezen ook niet, trouwens, het was vooral de oorpijn die hem op zijn knieën bracht). Plotseling leek het alsof een decorstuk uit een theater was weggenomen.

Als een ziek dier lag Masao op bed, bleek, sterk vermagerd. Hijgend, zijn telefoon vastgeklampt in zijn hand.

'Begrijp je dan niet dat je vaste stoffen tot je moet nemen om in leven te blijven, Masao?' vroeg vader Katsu. 'Water en lucht zijn onvoldoende. Water en lucht geven geen energie.'

Masao, die voorlopig niet dood wilde, ging akkoord met iedere dag een precies afgemeten portie smaakvrij voedsel. In ruil daarvoor kreeg hij toestemming om sneeuw te blijven eten, in zijn kamer te blijven wonen en zijn dagboek bij te houden.

Aan het eind van de winter, toen de laatste versgevallen sneeuw smolt in de zon voordat Masao hem kon opscheppen, schreef hij in zijn dagboek: 'Vandaag heb ik een belangrijke ontdekking gedaan. Honger is een roofdier. Leven is erin slagen het roofdier te temmen.'

 


Honderd verhalen in honderd dagen 1: De man die zichzelf uit elkaar haalde



Herman Schönerwaldt had nog maar één wens en dat was om uit elkaar te worden gehaald. Maar het was een gecompliceerde wens, want niemand mocht het doen behalve hijzelf.

'Zal ik je uit elkaar halen?' vroeg zijn vrouw.

Hij schudde zijn hoofd. 'Ik moet het zelf doen, anders telt het niet.'

'Maar het gaat toch om het resultaat?'

Hij zuchtte zodanig dat zijn lippen pruttelden. 'Het gaat om de demontage.'

Op zoek naar een leermeester keek Schönerwaldt op de in de rug van zijn linkerhand ingebouwde computer, onder Leermeesters, Ambachtslieden en andere Nijverheid, en inderdaad, daar vond hij bovenaan de lijst R. Frank Hinna, Uitelkaarhaler. Wat een eigenaardige naam, dacht Schönerwaldt nog bij zichzelf, maar hij dacht er meteen achteraan: niet eigenaardiger, welbeschouwd, dan de mijne, en: een naam zegt niets. Niets zo nietszeggend als een naam. En toch gaat de persoon naar zijn naam staan, dat is het tragische.

R. Frank Hinna was een vrouw die al enige jaren doende was zichzelf om te bouwen tot algoritme om, zoals zij het zelf uitdrukte, 'het constante leven' dichterbij te brengen.

Waar staat die R voor? dacht Schönerwaldt, maar hij vroeg er niet naar. Misschien had ze hem verzonnen en stond hij nergens voor.

'Stap 1,' sprak R. Frank Hinna, met een sonore stem, 'is weten waar de breuklijnen zitten. Het heeft weinig zin om te proberen breuken te veroorzaken op plekken waar geen breuklijnen zitten. Het kan wel, maar je maakt het jezelf nodeloos ingewikkeld.'

Er bleken nog 17 vervolgstappen te zijn; het totaalpakket kostte 40 mille; een deel ervan werd door de afdeling Zelfdemontage van de gemeente Kanjo vergoed op voorwaarde dat een onderdeel in permanente bruikleen werd gegeven aan het Onderdelenmuseum.

Na twee jaar in de leer te zijn geweest bij R. Frank Hinna keerde Schönerwaldt, die er inmiddels op stond M. Ward Höhenbrunn te worden genoemd, terug bij zijn vrouw met zijn diploma in de hand.

Mevrouw Schönerwaldt had het inmiddels aangelegd met mevrouw N{Piango, die ze had ontmoet bij de ondergrondse gym. Haar interesse in de vaardigheden van haar man was 'dus' behoorlijk geslonken, maar ze wilde niet flauw zijn, dus zei ze: 'Doe je je arm maar even. We zijn reuze benieuwd.'

'Het kan maar één keer.'

'Dan geef je die arm toch in bruikleen aan het Onderdelenmuseum? Dan is die schuld ook meteen afbetaald.'

Höhenbrunn, zoals immer verheugd over het praktisch inzicht van zijn vrouw, die hij nu moest delen met N{Piango maar aan dat delen kleefde, wist hij, ook voordelen, haalde in vijf katachtige bewegingen zijn arm uit elkaar (zijn rechter want hij was links).

'Mogen we de rest ook zien, tot het einde zeg maar?' vroeg N{Piango bijna achteloos.

'Natuurlijk,' lachte Höhenbrunn en haalde zichzelf helemaal uit elkaar, waarna er, behalve wat wondvocht, niets meer van hem overbleef.



Kettingroken met bloemen



Mijn ouders hadden me gevraagd namens hen een bezoekje te brengen aan mijn tante in Buitenveldert. Dat deed ik graag, want ik heb een zwak voor deze bijna 90-jarige dubbele weduwe en amateurschilderes (zie boven), maar toch was ik huiverig, want ja, wat moesten haar kinderen wel niet denken (wat als ik haar C. gaf)?

Toen ik aanbelde bij haar appartementencomplex zei niemand door de intercom: 'Wie daar?' Of zelfs: 'Wat doe j i j  hier?' Zonder tekst werd ik naar binnen gezoemd. Misschien omdat ik een mondkapje droeg.

Ik liep door de hal. De voordeur ging open. Tante verscheen in haar ochtendjas. Ik bood haar mijn bloemen aan.

'Wat leuk dat je gekomen bent!'

'Weet je nog wie ik ben?' Ik deed mijn mondkapje even af.

'Jazeker!'

'Wie dan?'

Ze noemde de naam van haar laatst overleden echtgenoot (dat liefdeshuwelijk had helaas te kort geduurd).

Ik corrigeerde haar. (Later dacht ik: waarom eigenlijk?)

'Maar natuurlijk!' Ze nam een bos verlepte bloemen uit een vaas, gaf die aan mij en zette er de nieuwe bloemen in. Ik deed de verlepte bloemen in het papier waarin de nieuwe bloemen hadden gezeten. Een soort kettingroken met bloemen.

Ze verontschuldigde zich dat ze, zo laat op de middag, nog in ochtendjas liep. Maar ja, het was zaterdag. Ik zei dat ze zich absoluut niet hoefde te verontschuldigen. Mijn komst was onaangekondigd. Als iemand van tegen de negentig zich al ergens voor zou moeten verontschuldigen, dan toch niet voor haar ochtendjas.

Zij ging in haar vaste stoel zitten, omringd door kranten. Mij wees ze een fauteuil aan die ze bestempelde als de 'vader-stoel'.

Ik keek naar haar wat dikkige blote benen. 'Schilder je nog?'

Ze schudde haar hoofd. 'Ik mis het wel.'

'Misschien kun je tekenen. Met stiften. Met een blad op schoot.'

Dat leek haar wel wat. Ik maakte een mentale notitie: volgende keer in plaats van bloemen tekenset meebrengen.

Vroeg of laat gaat het over Indië. 'Ik ging vaak naar het achterhuis waar de baboe, de djongos en de boy woonden, om te spelen. Eigenlijk vond moeder dat niet goed. Ze wilde niet dat wij te close waren met de inlanders.'

Aarde der mensen van Pramoedya Ananta Toer had ze ook gelezen, maar ze was het verhaal vergeten en we konden het niet vinden in de boekenkast (wel een meter Voskuil). Ik wilde het voor haar aanschaffen, maar bedacht me. 'Is een luisterboek niet iets? Dat lijkt me op jouw leeftijd ideaal.' Ze bleek onbekend met het fenomeen. Ik probeerde op haar iPad een luisterboek te downloaden, totdat ik stuitte op de integrale De avonden, voorgelezen door de volksschrijver zelve, gratis en voor niets op YT.

Ademloos luisterden we naar Reves superieure voorleesstem. Dat deze roman weinig aan zeggingskracht verloren heeft, bleek toen de nachtmerrie die Frits beschrijft helemaal aan het begin, waarin een hand uit een spleet in een doodskist steekt, en probeert een van de dragers te wurgen, zowel Tante als mij deed huiveren.

'Zeg ik ga maar weer eens op huis aan. Ik kom nog wel eens terug.'

'Doe dat,' zei tante. 'Dan ga ik mij nu aankleden.'

Ik nam de bos verlepte bloemen mee en gooide ze in een container op de parkeerplaats.


Gesprekken met mijn schildpad (10)



Ook wat.

Wat is er, Koos?

Je práát niet meer met me.

Je hebt gelijk, het is alweer even geleden.

Mensen denken dat ik dood ben.

Ho. Misschien denken ze dat je een winterslaap houdt.

Bij 24 graden? Ik word langzaam gegaard!

Luister, dat was het advies van de dierenwinkel. Je bent tropisch.

Dezelfde die zei: 'wat jij wil', toen jij vroeg naar de verschoningsfrequentie?

Die ja. Ik heb je trouwens net verschoond.

Kon eerder. Je verschoningsfrequentie heb je gehalveerd zonder mij te consulteren, van eens per week naar eens per twee weken.

Verschoning! Ik dacht: zo lang er geen vuil is, hoeft er ook niet worden verschoond.

Je zou je wel eens meer om mij mogen bekommeren. Heb je niet gelezen dat je door mij langer leeft? Dat onderzoek waaruit blijkt dat de zorg voor een huisdier of kamerplant –

Kamerplant? Dat had me verschoningswerk gescheeld. Een kamerplant hoef je alleen maar af te stoffen. Terwijl bij jou kost het me een uur om alle aangekoekte kalk, algen, en geelgroene prut van je aqua-meubilair af te schrobben.

En in de tussentijd zet je me in een ovenschaal met een slablaadje? Denk na! Die aaibare moordenaar van je lag op hemelsbreed een meter te knorren. Als die me had geroken, had ie me kapotgeknaagd, terwijl jij in de badkamer steentjes spoelde. Dan had je nog een overlijdensgedicht moeten schrijven.

Verder nog grieven?

Laat ik met een positieve noot eindigen.

Fideel van je.

Je dochter, mijn wettige eigenares, gaf me een kusje op mijn schild. Voor het eerst.

Zag ik! Ze leek ietwat teleurgesteld toen je niet in Prins Carl Philip van Zweden veranderde. Scherts.

Hou je scherts voor je. Net zoals die schoonvader van je, die het niet kon laten om weer de 's-soep- verwijzing' uit de mottenballen te halen, toen hij me voor het eerst kwam bekijken.

Mijn verontschuldigingen. Ik ergerde me er ook aan. Interspeciële inclusiviteit is nog iets waaraan wordt gewerkt.

Succes daarmee.

(Zwemt weg.)


Dear Rudy Giuliani:

©Morad Bouchakour

Congratulations with starring in Sacha Baron Cohen's Borats Subsequent Moviefilm. I haven't seen it yet, but it was hard to miss the clip that was shared beforehand, I guess to create some buzz, of you in a hotelroom being 'interviewed' by Borat's supposedly 15 year old sister, played by the marvelous Maria Bakalova.

The least you could say about that clip, Rudy, was that you seemed not entirely immune to Ms. Bakalova's marvelousness.

Then again, who would?

Remember our little interview back in, I think it was 2005? It was a lot less touchy feely. You were promoting your new consultancy, which was heavily based on the sheer mythical reputation you earned as New York's, or rather make that the world's, mayor in the aftermath of 9/11.

In our interview, you didn't seem to care much about your likability, Rudy. To be honest, I'm sorry to say, you were a pompous ass. When you spoke, my eyes were drawn towards your mouth and lips. I know you can do nothing about it, but I commiserate with the person who has to undergo your kissing.

Still, I remember one life lesson you bothered to share with me, Mr. Nobody from Nowhereland, a pitiful hack with NRC Nothing. Two words, that, to your mind, encapsulated success: underpromise and overdeliver.

Now, as Trump's apologist, you're overdoing the overdelivering, Rudolph. I suggest you cut your losses. Your efforts to get Trump a second term are going nowhere. Even Trump knows it. When he speculated this summer about not leaving the White House even if he would lose the presidential elections, I thought: ah! Donnie is preparing for the downfall.

As always, you can take comfort in the fact that in America, everything is entertainment. But watching you running yourself deeper into the mud, is entertainment of the crueler kind. I would take the money and run.

Yours faithfully, and give my regards to Broadway, etc.

Wat doen we met ons lijk?

capsula mundi



'Lijkt jou dat wat, resomeren?' Bij het ontbijt wijs ik met mijn neus op de krant waarin wordt uitgelegd wat dat ook alweer is, en dat het binnenkort een derde legale mogelijkheid wordt, naast cremeren en begraven.
'Ik had het erover met Nico, die leek het wel wat,' zegt A. 'En dat de botten die overblijven worden gevijzeld tot pillen.'
Ik liet het beeld van gevijzelde beenderen even tot me doordringen. Zou ik zo'n pil nemen? Toch een vorm van postuum kannibalisme. 'En jij zelf?'
'Mij staat tegen dat resomeren niet duurzaam is.'
'Het is juist wel duurzaam! Duurzamer dan cremeren. Verbranden met kist kost veel energie.'
'Ja, maar die vloeistof waarin je vlees wordt opgelost...'
'...is niet giftig. Kan gewoon door de gootsteen. Ik hoef niet met jouw sap naar de afvalstraat.'
'Gatver...' Ze nam een slok thee.
'Dus je wilt gecremeerd worden?'
A. keek opnieuw vies. 'Nee, cremeren, dat nooit! Dat vind ik zo'n akelig idee!'
Ik maakte een mentale notitie. Zo leer je nog eens wat over je levenspartner. 'Wat staat je niet aan van cremeren? Ruimt toch lekker op?'
'Verdwijnen in de vlammen heeft niet mijn voorkeur.'
'Wat wil je dan, wegrotten in een kist onder de grond?'
'Verteren bedoel je. Ja, dat vind ik al een een stuk sympathieker.'
'Maar je kunt tegenwoordig toch niet meer tot in einde van dagen een plek bezet houden?'
'Er is ook nog zoiets als natuurbegraven. Dat heeft die vader van D. gedaan.'
'En hoe was dat?'
'D. vond het heel heftig.'
'Ik heb eens een vrouw ontmoet die lijkwades ontwierp voor een natuurbegraving. Dat je lijk er nog een beetje leuk uitziet, zeg maar, onder de grond.'
'Echt? Heb je nooit verteld...'
'Oké, valt dat ook af. Blijft over balsemen, cryoneren, ofwel bevriezen –'
'Nee, nee en nog eens nee.'
'...een zeemansgraf, maar dat vind ik ook niks voor jou...'
Ik probeerde nog meer dingen te bedenken die je met een lijk zou kunnen doen, maar dat is 'dus' niet zo eenvoudig. Het is misschien wel een van de oudste opruimproblemen van de mensheid.
Googelend stuit ik op twee Italianen die het lijk in een ei willen stoppen onder de grond, opdat er op die plek een boom groeit. Zo krijgt tree hugging weer betekenis.
Misschien moesten we het er bij de lunch nog eens over hebben.





Verdrinkingen



Ik lig in bad bij mijn zuster thuis en probeer te verdrinken. Ik had eerst gevraagd of mijn zuster me wilde verdrinken; ze stribbelde tegen, uiteindelijk wilde ze wel.

Misschien even uitleggen.

Als aspirant Gerauschmacher voor mijn opkomende podcast (misschien is audiofictie beter) Moord in de Morvan was ik op zoek naar het geluid van een verdrinking. Wat ik online vond was niet geloofwaardig genoeg.

Eerst dacht ik iedereen te slim af te zijn door een afwasteiltje met water te vullen en hierin mijn gezicht onder te dompelen en vervolgens verdrink-geluiden te maken.

Wat is verdrinking? Stikken in water.

Ik stuurde de opname naar mijn Gesprekspartner sinds '83, sinds kort tevens, I'm happy to report, de componist bij mijn audiofictie.

'Lijkt meer op wurgseks,' was zijn commentaar. Hij had een punt, en wurgseksgeluiden, hoe leuk ook, had ik niet nodig voor dit project.

Ik boekte een badsessie bij mijn zus. 'Mijn lekkere badspul is op,' zei ze.

'Ik kom niet om te badderen, ik kom om me te laten verdrinken. Ben je er klaar voor?'

Mijn zus was er klaar voor. Ze nam me mee naar de badkamer, gaf me een handdoek en zei: 'Geef maar een gil als je me nodig hebt.'

Maar ik had haar niet nodig, dacht ik. Ik heb nooit iemand nodig, ik kan altijd alles alleen. Dat is het voordeel van schrijven. Maar ik was niet aan het schrijven, ik was aan het Gerauschmachen. Ik nam de druppende kraan op, gewroet in de kuip, gehijg onderwater en bovenwater, en 'dus' iets dat op een verdrinking leek.

Ik dankte mijn zuster. Opmerkelijk uitgeput en hongerig fietste ik naar huis.

Thuis mixte ik de geluiden door elkaar en stuurde het resultaat, dat volgens mij eng was, naar mijn Componist sinds '83.

Hij maakte er gehakt van.

Toen ik in bed lag dacht ik: hij heeft gelijk. Alles moet subtieler.

Verontruste dieren



Het bos dat ik al veertig jaar niet meer had bezocht vond ik meteen, en het leek alsof er niets was veranderd, hooguit het bordje bij de ingang.

Ik heb het over het bos tussen Driebergen en Austerlitz, waar ik vroeger, toen ik logeerde bij mijn peettante, – door A. ook wel Tante Hex genoemd –, met de hond ging wandelen. Niet mijn hond, de hond van mijn peettante, een van de vele, en ik ging helaas niet alleen, iemand ging mee, waarschijnlijk een van mijn neven, of mijn nichten, of mijn peettante zelf. (Mijn peetoom bemoeide zich niet met mijn logeerpartij.)

Wat ik me nog herinner, en waaraan ik nu ook weer word herinnerd, is dat dit bos heuvels heeft (hence Utrechtse Heuvelrug, zover was ik ook). De bossen in Brabant waren saai en plat. Maar om deze bollingen nu heuvels te noemen is ook weer wat overdreven. Het zijn puisten. Maar Utrechtse Puistenrug klinkt niet.

Grote villa's en bungalows, zoals waarin mijn peettante en -oom resideerden, omzomen het bos. Ligt het aan mij of word ik hier door de hondenuitlaatservice-meneer en een toevallige passant aangekeken alsof ik hier niet thuis hoor, alsof ik, ja de rust kom verstoren?

Zou kunnen.

'DE TOEGANG IS VERBODEN...' volgt een rijtje verbodsbepalingen. En dan nog: 'EN OOK WANNEER U', en dan lees ik: 'dieren verontrust'.

Ben ik dieren aan het verontrusten? Misschien. Ik voel me een indringer, iedereen die ergens voor het eerst, of voor het eerst sinds jaren, komt, voelt zich een indringer. Ik maak weinig geluid, ik zucht alleen een beetje, maar ja, ik ga van het gebaande pad af, dat is waar. Dat zit in mijn aard. Maar voor de rest? De natte bladeren onder mijn schoenen voelen als hoogpolig tapijt. De lichtval, op deze doordeweekse middag, is die van de dood, maar dat is overal zo.

Wat is er eigenlijk nodig om dieren te verontrusten?

Misschien als ik ze een documentaire van Sir David Attenborough vertoon?

Wie is er hier het verontruste dier?