dertig jaar minstens heb ik hem bekeken, bewonderd ook wel, al was het niet om zijn hoogte, hoezo zijn? oké haar hoogte dan, jullie je zin, dertig jaar in elk geval vormde hen (misschien is dat de oplossing) een tamelijk groot object in het decor van mijn leven, altijd als ik hen zag, en dat was onontkoombaar wanneer je de vrijheidslaan in westelijke richting op kwam, vroeg ik me af of de architect, j.f. staal, familie was van frits staal (filosoof te berkeley; lééft die eigenlijk nog? Ik wil het niet weten, maar waarom vraag ik het dan), en of de naam van de architect wel of geen verband hield met het gebruik van staal in dit staaltje (excusez) nieuwe zakelijkheid, maar sinds nieuwe vriend p. me verteld had dat hij op de bovenste verdieping was geboren, kreeg hen zelfs een emotionele betekenis voor me, maar het moest ‘dus’ kennelijk tot gisteren duren, meer in het bijzonder tot de open monumentendagen, dat ik hen daadwerkelijk zou betreden, hen van binnen zou zien, of eigenlijk, dat hen me de kans zou bieden zelf de wolken te krabben, de wolken die door hen binnen handbereik werden gebracht, en gelukkig waren die er ook, de wolken, alsof het zo was afgesproken hing er een toegankelijk wolkendek boven de wolkenkrabber, en er leken geen vliegtuigen op weg om zich in deze wolkenkrabber te boren, althans zo leek het, zeker weten deed je dat natuurlijk niet, er kon altijd een vliegtuig gekaapt zijn om zich ergens op de plek waar ik me bevond neer te storten, daar kon je niet de hele dag mee bezig zijn, ‘dus’ ik ging naar binnen en besteeg de trappen, de ene na de andere, de lift werkte namelijk niet, en die zo tot de verbeelding sprekende stortkoker was ook al lang niet meer functioneel, maar dat traplopen had juist iets moois, het maakte de bestijging magischer, eenmaal boven zou ik worden beloond met een krabpartij, zoals een kat zich ook verlustigt aan een krabpaal, hoewel ik vreesde dat een krabpaal meer weerstand biedt dan de wolken, en daarmee het krabben tot een bevredigender activiteit zou maken, minder zinledig; het krabben van wolken was sowieso abstracter, ik had het nog nooit gedaan, ik zou het zo gaan doen, nog 1, 2, 3 trappen te gaan, het werd wel al sneller warm, want het ronde trappenhuis, dat door plastic (!) vensters in stalen frames werd omhuld – dat het om plastic (hoe verzin je het) ging en niet om glas hoorde ik door er met mijn knokkels tegenaan te kloppen, voor het geval je je afvraagt hoe ik aan die materiaalwetenschap kom –, werd slecht belucht (is dat een woord, beluchting, naar het voorbeeld van belichting: waarschijnlijk wel, het zou logisch zijn, alhoewel je hoort het zelden maar dat geldt wel voor meer woorden), en daardoor werd het steeds benauwder, toen ik aankwam op de twaalfde, waar overigens geen mensen woonden, de twaalfde was een loze etage, de bewoning stopte op de elfde, dit gaf me een smoes om nieuwe vriend p. te bellen, om dat te zeggen, hij reageerde verbaasd, niet om mijn kennelijke correctie van zijn geboorte-etage, maar dat ik überhaupt in ‘zijn’ wolkenkrabber was, wat, is er open monumentendag, zei hij, dat wist ik helemaal niet, dan kom ik er ook aan, enzovoorts, maar ik zou hem niet opwachten, dat was helemaal niet nodig omdat we elkaar later toch zouden zien, we hadden die avond namelijk een afspraak, maar waar het om ging was dat ik aan het eind van de lange trapbestijging stuitte op een medewerker van de open monumentendagen die, toen ik hem bezweet, en toch ook wel enigszins uitgeput vroeg hoe het zat met de luchtverversing wees op een piepklein roostertje bij het plafond, ah de zoveelste ontwerpfout lachte ik maar hij lachte niet mee, hij vond dit niet grappig, misschien zelfs oneerbiedig immers een zeker ontzag voor architecten hoort bij de open monumentendagen, zeker bij de vrijwilligers die het ‘elk jaar weer tot een succes maken’, of hij was geen lachebekje die mensen heb je ook die genieten ‘op zich’ wel van humor maar laten dat niet zien, hun gezichtsspieren hebben wel wat beters te doen; enfin, ik vroeg me ondertussen af waar ik de wolken zou kunnen gaan krabben, want het dak kon ik niet op, misschien vanaf het piepkleine, toch nog steeds behoorlijk hoge balkonnetje van nieuwe vriend p. zijn geboorte-etage, dan op de railing gaan staan en van daaruit schuin omhoog grijpen, dan moest ik wel op mijn tenen gaan staan, maar dat had ik er wel voor over, op dit punt aangekomen, dat is toch het ding, je investeert energie in een project en dan moet je doorpakken, anders is het allemaal voor niets geweest, en in mijn geval was dat krabben, niet om de jeuk van de wolken te verlichten, dat was bijvangst, voor de wolken, nee, het ging om de krabsensatie voor mij als krabber, maar toen bekeek ik mijn vingers: geen nagels
