Ik ga weer tikken als tien mensen bunqen

 


Bunqen kan, zoals bekend, hier, en wel vanaf €0,01. Voor niets gaat de zon op. De zonsondergang daarentegen is onbetaalbaar.


Geef en u zal gegeven worden (Lucas 6:38)

Honderd verhalen in honderd dagen: 100. Het privérestaurant




Met de opbrengst van de verkoop van zijn monumentale herenhuis, waar hij vijfendertig jaar had gewoond, besloot Johan Eerdmans na enig wikken en wegen zijn favoriete restaurant in de stad over te nemen en het appartement erboven te betrekken. Hij hoefde dan eindelijk niet meer elke avond te bedenken wat hij ging eten, en waar, laat staan boodschappen te doen en af te ruimen en meer van dat soort prozaïsche handelingen, waarvoor hij zich eigenlijk te oud voelde. Hij hoefde alleen maar voorzichtig de trap af te schuifelen, aan tafel te gaan zitten en aan het eind van de avond weer omhoog te klauteren.

Het zou mooi zijn, had hij bedacht, als hij dan ook nog af en toe iemand te spreken kreeg.

Dan kon hij dat voor die dag ook afvinken.

Johan Eerdmans’ eenzaamheid was geen gewone eenzaamheid; het was niet zo dat hij elk menselijk contact, al was het maar het Poolse echtpaar dat sinds jaar en dag bij hem schoonmaakte of de man die de wifi kwam fixen, aangreep om zijn verhaal te doen. Eigenlijk had hij aan boeken genoeg, zo bleek na de dood van zijn vrouw nu twaalf jaar geleden. Toch miste hij nu en dan een gesprekspartner, iemand die hem weerwoord gaf, die het niet met hem eens was – liefst een vrouw trouwens, maar ook een vermogend man kon niet te kieskeurig zijn.

Zijn restaurant lag goed verstopt in een vergrijsde woonwijk aan de rand van de stad. Er werd goed gekookt, maar uiteindelijk ging het Eerdmans om de sfeer. Er hing een ondefinieerbare opwinding rondom de permanent wisselende student-obers en de lichte chaos in de open keuken. Eerdmans had het gevoel dat er elke avond iets opmerkelijks kon gebeuren, al kon hij niet zeggen wat. Het gevoel was belangrijker dan de daadwerkelijke invulling.

Afgezien van de luxe nooit meer te hoeven reserveren, te bestellen of te betalen, was Joosje een niet onbelangrijke factor voor Eerdmans om zich als horeca-ondernemer te manifesteren. Voor deze restaurantmanager had hij een zwak gehad vanaf het moment dat hij het restaurant ontdekte. Niet dat hij zich wijsmaakte dat hij door de nieuwe eigenaar te worden, zich ook een nieuwe echtgenote had verworven – ze was zesenveertig jaar jonger dan hij– , maar het vooruitzicht haar dikwijls te zien en te zien werken, maakte hem op een kinderlijke manier gelukkig.

Sinds de dood van zijn vrouw kwam Eerdmans erachter dat hij geen vrienden had. Eerdmans had iedereen overleefd, behalve zijn broer Renger, die leed aan Alzheimer en die irritant met zijn kaakgewrichten knapte. Eerdmans bezocht hem een keer per maand op de gesloten afdeling en deed dan net alsof hij mee-at, totdat hij merkte dat Renger hem niet eens aankeek en alleen maar bromgeluiden maakte naar de grond. Toen had Eerdmans zijn hand op de schouder van zijn broer gelegd met de woorden: ‘Hou je taai, jongen. Ik zie je.’

Een van de weinige dingen die Eerdmans veranderde was de naam van zijn restaurant. Die luidde Zut , ooit gegeven door Antoine, de kogelronde Vlaamse kok die zijn sporen had verdiend bij sterrententen maar nu alweer jaren deed waar hij zin in had, zoals hij zelf zei. De langzaam gegaarde buikspek met boudin noir was in zijn zoetzoute knapperigheid zo troostrijk dat Eerdmans hem wel elke avond kon eten. Zijn desserts waren legendarisch, die zorgden voor kleine ontploffingen op de tong.

Eerdmans doopte zijn restaurant Mandelbrot. Niet alleen deed hem dat denken aan amandelen en brood, maar ook en vooral aan fractalen, de kronkelige, zichzelf herhalende oneindigheden, lang geleden door Benoît Mandelbrot ontdekt.

Geen modern kunstwerk, meende Eerdmans, die lang geleden een galerie had bestierd in een straat vol galerieën, kon tippen aan deze mysterieuze, imperfect-perfecte, duizelingwekkende structuren.

‘Joosje, ik wil graag dat je op de achtermuur een afbeelding van een Julia Set ophangt,’ zei hij.

Schoorvoetend was ze ermee akkoord gegaan. ‘Ik weet het niet hoor, die wormgaten van jou –.

‘Fractalen,’ hapte Eerdmans.

‘Misschien neem je ze wat te, eh, serieus.’

Plagerig, vanonder zijn nog altijd imposante haardos, zocht Eerdmans haar lieve, aansprekende ogen.

‘Jij bent de baas.’

‘Hm-hm.’

Eerdmans had nog één andere nieuwigheid in petto. Hij wilde dat Joosje elke week een disgenoot voor hem regelde. ‘Alles op mijn rekening uiteraard.’

Hij zag haar nadenken. Ze veegde een haarlok uit haar licht besproette gezicht, keek hem geamuseerd aan en vroeg: ‘Als mijn vriendinnen geweest zijn, en de afwasploeg heeft ook een keer met de excentrieke eigenaar gedineerd, moet ik dan iemand van straat pikken?’


‘Wat jij wil,’ glimlachte Eerdmans. ‘Verras me.’



De eerste eter die Joosje die maandag voor Eerdmans had geregeld, was haar buurvrouw Welmoed de Rooij, een alleenstaande moeder van negenveertig met op beide armen ingewikkelde tatoeages (ze droeg een mouwloos topje om een en ander te etaleren). ‘Mijn dochter heeft een opleiding tot tatoeerder gevolgd, we hebben een shop op het oog in de stad, maar de concurrentie is op dit moment moordend.’


Eerdmans knikte. Hij behoorde tot de school volgens welke alleen zeelieden en Maori’s een excuus hadden zichzelf met inkt te impregneren, maar hij was stiekem ook gefascineerd door de kennelijke behoefte om het lichaam blijvend te bewerken.
Toen Welmoed hem begon uit te horen over zijn huwelijken – hij had er drie overleefd – kapte hij haar af en zei: ‘Sorry, maar ik ben niet uit op een relatie. Zelfs niet op seks.’


Dit laatste was niet helemaal waar, hij had wel degelijk, zijn oude penis als een zachte, zwartgeworden banaan in zijn hand, gefantaseerd over Joosje, maar hij maakte zich tegelijkertijd geen illusies.


De avond was verpest. Zelfs Welmoeds verhaal over hoe ze werd vastgehouden door ELN-rebellen in Colombia en pas vrij werd gelaten toen haar dochter onder dwang ‘ELN forever’ boven haar billen tatoeëerde, kon Eerdmans niet meer boeien.


De tweede gast die Eerdmans een week later aan zijn tafeltje vond was een lange, gesoigneerde man van een jaar of zeventig, in pak, met permanent opgetrokken wenkbrauwen en een spotlachje rond zijn mond. Hij had zijn servet al op schoot toen hij binnenkwam en was nu zijn bestek recht aan het leggen. Telkens als hij zijn mes goed dacht te hebben neergelegd, moest de positie van de vork worden aangepast, en omgekeerd, ad infinitum.


Traag liet Eerdmans zich in zijn stoel helpen.Met wie heb ik vanavond de eer? Nee. Wacht. Zeg maar niets. Knowledge ruins the appetite.’


De gast van vanavond leek aangenaam verrast door de uitspraak. ‘Wie zei dat, als ik vragen mag?’


‘Ik. Johan Eerdmans, adagium-automaat.’


Het voorgerecht werd geserveerd. Eerdmans vroeg zich af of de man die tegenover hem zat gay was, maar dacht er meteen achteraan: en dan? Hij bleek in elk geval overtuigd vegetariër, zweerde bij natuurwijn en bezat uitstekende tafelmanieren.


‘Tafelmanieren is iets,’ dacht Eerdmans. ‘Het is niet genoeg, maar het is iets.’


De avond kabbelde voort. Politieke koetjes en culturele kalfjes passeerden de revue. Bij het toetje, Antoines hemelse met amaretto overgoten sticky toffee cake, verontschuldigde de man zich dat hij naar huis moest om verder te werken aan zijn roman.


Nu was het Eerdmans beurt om zijn wenkbrauwen te fronsen. ’U schrijft romans?’


‘Ik ben romancier,’ verklaarde de man koket, zijn hoofd lichtjes kantelend.


Hij noemde wat titels, sommige van zijn boeken waren genomineerd voor literaire prijzen, maar Eerdmans las al jaren geen hedendaagse literatuur meer, alleen klassiekers. ‘Ik heb niet meer zoveel tijd, ziet u. En ik ben een beetje te laat begonnen, mijn vrouwen maakten mij het lezen onmogelijk.’


De man stortte zich op het toetje. Eerdmans' woorden ‘mijn vrouwen’ leken zijn interesse in het etentje definitief te hebben verdampt.


Waar was Joosje? Eerdmans keek bijna in paniek om zich heen. Hij verheugde zich op haar gezicht, dat, hoe vermoeid ook, niets aan beminnelijkheid inboette. Hij had haar nodig. Ze was toch niet ziek?


‘Ik heb nog een vraag voor u,’ zei de romanschrijver. ‘Staat u mij toe? Misschien vindt u de vraag impertinent.’

Eerdmans nam een slok water en grinnikte. ‘Ik vind een vraag zelden impertinent. U gaat mijn antwoord zeker in uw roman verwerken.’


‘U bent niet snel beledigd?’


Eerdmans schudde zijn hoofd, een keer. Dat was inderdaad een van de dingen waaraan hij enige eigenaarde ontleende: hij kon zich niet herinneren zich ooit beledigd te hebben gevoeld, behalve misschien jaren geleden toen Renger, bij diens afscheid als vooruitstrevend gevangenisdirecteur, aan iedereen die het horen wilde vertelde dat zijn oudere broer niets voorstelde, nooit iets had voorgesteld. ‘Het enige waartoe Johan in staat is, is teren op de erfenis van papa.’ Maar hij, Renger, was dan ook behoorlijk aangeschoten geweest.


De romancier haalde zijn servet van zijn schoot en begon omstandig zijn mondhoeken te poetsen. Toen hij daarmee klaar was, zei hij, met die geaffecteerde stem van hem: ‘Hoe zou u liever willen sterven, als een licht dat langzaam dimt, of zichzelf in een keer uitschakelt?’



‘En?’ vroeg Joosje de volgende avond, toen Eerdmans aan de bar zijn vaste glas cognac ingeschonken kreeg terwijl Joosje de kas opmaakte. ‘Was het gezellig?’


‘Een beleefde man. Goede manieren.’


‘Daar hou je toch van?’


‘Zeker, maar voor een geanimeerd gesprek heb je nog meer nodig.’ Eerdmans tuitte zijn oude, dunne lippen en nam een piepklein slokje. ‘Wat, dat is helaas niet zo makkelijk te zeggen.’


‘Je moet in de stemming zijn.’


‘Ik geloof niet dat ik in de stemming was.’


‘Het spijt me.’ Joosje keek op van haar computerscherm en staarde in de verte. ‘Die romancier is een oom van mij. Hij schrijft. Jij leest. Ik had gehoopt dat jullie het met elkaar konden vinden.’


‘Misschien ga ik wat van hem lezen.’


Eerdmans trommelde met zijn magere vingers op de toog. De zegelring die hij droeg was eigenlijk te groot geworden, hij draaide voortdurend naar beneden.


‘Heb je al iemand voor volgende week?’ Hij keek Joosje hoopvol aan. Hij hoopte dat ze niemand had en in plaats daarvan zelf de honneurs waar zou nemen. 


‘Ik zit er bovenop. Het wordt in elk geval geen persoon die uit is op je nalatenschap of levensverhaal.’


‘Dat wordt nog lastig.’


Joosje sloeg geruststellend haar ogen neer.


‘Is de omzet gedaald sinds de naamsverandering of lijkt dat maar zo?’ Niet dat zulke dingen hem werkelijk bezighielden – hij had het financiële management uitbesteed –,  en trouwens, ook bij teleurstellende resultaten kon hij het nog wel even uitzingen.


‘Nee hoor,’ zei Joosje, met een lachrimpel rond haar ogen die hij niet helemaal kon duiden. ‘Hoezo?’


‘Het restaurant lijkt leger dan gewoonlijk… Misschien zet de naam ze op het verkeerde been.’


Die avond, toen hij zoals gebruikelijk om half acht binnenkwam in Mandelbrot, zag hij Joosje aan zijn tafel zitten. Niet in haar normale werktenue, maar in een fleurig jurkje met zangvogels erop dat hem aan een Franse boerendochter deed denken, op wie hij in zijn jeugd, toen hij op kostschool zat in Bordeaux, hopeloos verliefd was geweest. Zijn wrakke hart maakte een sprongetje, waardoor hij zowat buiten adem raakte. Er stond een rollator voor hem klaar maar die weigerde hij te gebruiken.


‘Ah, meneer de restaurateur,’ zei Joosje, terwijl ze opstond om hem in zijn stoel te helpen.


‘Ik heb er zin in… Wat drink je?’


‘Gewoon, de Pesquié, ik wil je niet op kosten jagen. Bovendien, ik blijf niet zo lang.’


‘Ik doe met je mee.’ Eerdmans hoefde zo’n zin alleen maar te fluisteren, of zijn wens werd vervuld. Alsof de sommelier zijn gedachten kon lezen. Een van de leukste dingen van een eigen restaurant was het mogen bepalen van de huiswijn. Hij had over de vaucluse nog geen klachten ontvangen.


‘Eten wij vanavond samen?’


Hij wilde niet gretig klinken, maar ook niet onverschillig. Misschien zat de gretigheid in de woordkeus.


Joosje grinnikte in haar wijnglas. Je gast van vanavond is wat later. Hij kan elk moment worden gebracht.’


Eerdmans roffelde met zijn perkamenten vingertoppen op de tafelrand. De spanning stijgt…’ Hij bekeek haar zoals hij vroeger een schilderij taxeerde. Wat maakte Joosje zo aanbiddelijk? Dat was moeilijk te zeggen. Ze was geen natural beauty. Ze was klein van stuk, tenger, had geen gave tanden. Haar geprononceerde neus zou in de weg hebben gezeten als hij haar probeerde te kussen. Misschien, bedacht Eerdmans, lag het toch aan die verraderlijke, jongensachtige twinkeling in haar ogen.

Eerdmans was niet de enige die Joosjes aantrekkingskracht was opgevallen. Aan het eind van haar dienst kwamen mannen en vrouwen, de meeste in de vijftig, niet altijd ongebonden, een afzakkertje drinken, maar het leed geen twijfel dat het hen uitsluitend te doen was om haar. Ze verlangden tevergeefs, want Joosje had iemand naar het scheen (alhoewel niemand die iemand ooit te zien had gekregen), maar dat kon die aanbidders weinig schelen. 


‘Daar zul je hem hebben,’ haalde Joosje hem uit zijn gedachtentrein. ‘Ogen dicht, dat vergroot het effect.’


Eerdmans gehoorzaamde.


Daar zat hij dan, de man op hoge leeftijd, die zich bijna alles kon veroorloven, zolang zijn lichaam, dat nochtans in goede staat verkeerde (afgezien van zijn moeizame tred en enkele zwakke functies) en zijn enigszins verdofte geest het toelieten.


Gerommel van stoelen die opzij werden geduwd en de zacht dwingende stem van een verzorger. Het zal me benieuwen, dacht Eerdmans, maar toen zijn disgenoot eindelijk tegenover hem was geïnstalleerd, met behulp van Joosje, en hij zijn ogen mocht openen, mocht het hem eigenlijk niet verbazen om zijn broer tegenover hem aan te treffen. Zijn onmiskenbare knappende kaakgewrichten hadden hem verraden.


‘Ach kijk nou toch. Renger.’ Eerdmans deed geen poging zijn teleurstelling te verbergen. Hij keek op naar Joosje, met een blik van waarom doe je me dit aan, maar meteen daarna susten zijn oogleden nou ja, dat kon je ook niet weten, laat ik er maar het beste van maken.


Renger, onderuitgezakt, kromme rug, op zijn lippen het schuim der opwinding, keek Eerdmans niet aan. Hij was afgeleid door Joosje. Vanaf het moment dat hij binnen was gebracht, was hij volkomen gebiologeerd. Als een roofdier zocht hij de ruimte af naar haar verschijning. Waar mensen als Eerdmans vooral gecharmeerd waren van Joosjes ‘je m’en fou’-achtige uitstraling, haar stoere, brutale oogopslag, en haar cynische optimisme, raakte zijn seniele broer niet uitgekeken op haar decolleté. Joosje had weinig boezem, maar ze droeg vrijwel elke avond laag uitgesneden topjes, of bloesjes met een of twee knoopjes te veel open. Hoewel haar borsten meer op schelpen leken dan op artisjokken (zo had ze ze zelf eens omschreven) ging er van haar blote hals een uitnodiging uit die Renger niet bij machte was louter esthetisch, of als prettig randverschijnsel, op te vatten. Hij scheen te denken dat zij het liefste wilde dat hij haar de nek omdraaide, of overlaadde met schuimbek-kussen; mogelijk in die volgorde.


Als horecadier was Joosje wel wat gewend. Toch voelde ze zich duidelijk niet op haar gemak.


‘Eerdmans en Eerdmans!’ riep Eerdmans, overdreven articulerend, nam een slok wijn en keek om zich heen. Het restaurant was vrijwel leeg. Heel even werd de Eerdmans tegenover hem afgeleid door het roepen van zijn naam. Lui richtte hij een halfopen oog op degene die zojuist geluid had gemaakt, om daarna onmiddellijk weer de jacht op Joosje te hervatten. Voor de zekerheid had ze zich verdekt opgesteld in de keuken.


Toen de jonge, bebaarde ober het eerste gerecht omstandig begon toe te lichten, onderbrak Eerdmans hem met de woorden: ‘Misschien wil je alle gerechten tegelijk uitserveren, dat vinden wij fijn. Net als vroeger.’ Renger reageerde niet, hij roerde met zijn vinger in het halfvolle wijnglas dat Joosje had laten staan; haar lippenstift zat nog op de rand.


De ober verdween, even later stond de hele tafel vol eten.


Renger stortte zich op de arancini, gefrituurde risottoballetjes met een scherpe mayonaisesaus erbij. Toen die op waren, keek hij verwachtingsvol naar Eerdmans, als een hond die hoopt te worden uitgelaten. Eerdmans liet nog een bakje arancini aanrukken, en nog een. Zelf kreeg hij nauwelijks zijn flinterdunne carpaccio door de keel.


Waar moesten ze het over hebben? Zijn broer en hij leefden in volmaakt verschillende werelden, dat hadden ze altijd gedaan. Toen Renger nog goed was, toonde hij zich een pragmatische bedrijfsleider. Eerdmans hechtte meer belang aan een beschaafd leven waarin kunst en cultuur centraal stonden. Voor Renger was wat Johan belangrijk vond franje; en omgekeerd. Hij herinnerde zich eens gekscherend bij een verjaardagstoast te hebben opgemerkt dat de enige cultuur die zijn broer opsnoof bestond uit de lucht van rotte vis dobberend in de haven waar zijn zeilscheepje lag.


Een erg lang uur later verscheen Joosje aan hun tafeltje. Eerdmans haalde diep adem door zijn neus, het einde leek nabij.

‘Alles naar wens?’ Ze had een sigaret gerookt, rook Eerdmans. Zelfs dat dodemansparfum paste haar goed.


‘Ik denk dat mijn broer graag naar huis wil.’ Eerdmans knikte naar Joosje. ‘Het is mooi geweest.’


Renger leunde naar voren, hij leek op te staan, maar hij stond niet op, hij leunde alleen naar voren, zijn zitvlak kwam van de stoel, zijn romp steunde op de rand van de tafel, en hij boog over de borden met eten heen met zijn verwrongen skelet. Zijn mond opende zich voor de arancini-bolletjes die vrijwel ongewijzigd, dat wil zeggen, zo goed als onverteerd, een uitweg zochten, ze maakten onderdeel uit van een soep, een arancini-soep, een gerecht dat nog nog niet op Mandelbrots menu stond, en die soep werd, onder luid, angstaanjagend gebrul, in een vrijwel rechte lijn op Eerdmans afgevuurd. In een reflex deinsde de restauranthouder naar achter, waarbij hij met stoel en al achterover viel.




 



 








99. De corona oorlogen




Je kunt erop wachten dat het ene land het andere land binnenvalt om vaccins te roven, je kunt erop wachten dat terroristen voorraden vaccins doen ontploffen omdat de uitrolstrategie ze niet bevalt, je kunt erop wachten dat de laatste geïnfecteerden de ongeïnfecteerden uitmoorden, of andersom, je kunt erop wachten dat de ene buurman de andere zijn hersens inslaat – niet uit jaloezie, maar uit waanzin –, je kunt erop wachten dat er gevochten gaat worden om schoon water en lucht, je kunt erop wachten dat populisten elkaar om de oren slaan met leugens, je kunt erop wachten dat een volk zich laat voorlichten door een clown, je kunt erop wachten dat de verkiezingen je niets meer kunnen schelen, je kunt erop wachten dat we allemaal bewapend worden, je kunt erop wachten dat we niet gaan wachten op die bewapening maar onze eigen wapens kiezen, je kunt erop wachten dat we gevaarlijke mensen gaan opsluiten, je kunt erop wachten dat gevaarlijke mensen zich beter bewapenen dan ongevaarlijke en zich op die manier succesvol verzetten tegen hun opsluiting, je kunt erop wachten dat mondkapjes bij honderdduizenden worden verbrand, je kunt erop wachten dat kiezers stemmen op partijen die tegen hun eigenbelang ingaan, je kunt erop wachten dat democratie overbodig wordt, niet meer voldoet, niet meer volstaat om weerstand te bieden tegen dominante machtsblokken en virussen, je kunt erop wachten dat er een virtuele pandemie uitbreekt, je kunt erop wachten dat de cyberoorlogen die ons al zo lang zijn beloofd door visionairen eindelijk zullen losbarsten maar dat niemand komt opdagen, je kunt er op wachten dat avondklokrellers met feestende starters op de vuist gaan, je kunt erop wachten dat viruswappies in alle richtingen agressief om zich heen gaan slaan, je kunt erop wachten dat de koning en de koningin vluchten naar Zweden (per schip), je kunt erop wachten dat de ongeletterden de geletterden gaan bekogelen met hun eigen boeken, je kunt erop wachten dat de afstammelingen van tot slaaf gemaakten de afstammelingen van slavenhouders tot slaaf maken, je kunt erop wachten dat landen zichzelf opheffen om vrij baan te geven aan oorlogvoerende multinationals, je kunt erop wachten dat er alleen nog tech-reuzen overblijven die elkaar op alle continenten eerst juridisch, dan politiek en economisch en ten slotte militair bestrijden, je kunt er op wachten dat gezinnen uiteen vallen door huiselijke oorlogen en scheidingsveldslagen, je kunt erop wachten dat alleenstaanden wraak nemen op de tweeliggenden, je kunt erop wachten dat de kinderlozen wraaknemen op de babydumpers, je kunt erop wachten dat het ondrinkbare water ons aan de lippen staat, dijken of geen dijken, je kunt erop wachten dat er geen geld meer is om geld te verdienen aan de grillige koers van bitcoin, je kunt erop wachten dat het leger van de ene cryptomunt het leger van de andere cryptomunt gaat vermorzelen middels onbegrijpelijke blockchains, je kunt erop wachten dat deze litanie aan jobstijdingen ergens eindigt, maar je kunt ook ophouden met lezen.


98. Geen verhaal maar wel waar (III)

Meneer en mevrouw Tsjechov



Mijn vader aan de telefoon. Dat het hem toch wel dwars zit, zoals ik hem op deze plek recentelijk heb geportretteerd. Dat hij mijn helpende hand weigert – weigeren is een te groot woord bij nader inzien, hij neemt hem gewoon niet aan. 
Aha, ik raak aan een gevoelig punt.
Weet je, zegt hij, ik heb mijn hele leven aan de andere kant gestaan. Ik was degene die hielp. Ik ben het niet gewend om geholpen te worden.
O, dus dat was het. Het heeft inderdaad niets met de oorlog te maken (of misschien toch een beetje want in de oorlog hielp iedereen zichzelf stel ik me zo voor), maar vooral met het feit dat hij zijn werkzame leven een zorgberoep heeft uitgeoefend. Eerst huisarts, daarna bedrijfsarts aan de TU Eindhoven.
Mooi beroep trouwens, huisarts. Ik zou bijna zeggen een literair beroep. Van alle beroepen vormt niet advocaat, journalist, dominee, natuurkundige of psychiater maar huisarts denkelijk de beste ondergrond voor literaire grootheid. Denk aan Tsjechov, Céline, Vestdijk. Ik heb mijn vader om die reden wel eens geprobeerd aan het schrijven te krijgen, maar dat is op niets uitgelopen; nu probeer ik het, met meer succes, bij mijn moeder.
'Jij bent ook nooit ziek geweest,' zeg ik. 'Ik kan me niet herinneren dat jij ooit ziek was. Een huisarts mag niet ziek zijn.' (Meteen denk ik erachter aan, dat is mijn beroepsdeformatie, mooie titel voor een verhaal of novelle: De zieke huisarts, die gaat op mijn lijstje van te schrijven verhalen.)
'Inderdaad.'
Daarom schrok ik ook zo toen ik hem een aantal jaar geleden voor een zware operatie in het ziekenhuis zag liggen. Ik had nog nooit zoiets gezien: een zwakke vader. Een zwakke vader vreet aan je existentie.
'Vaders mogen niet ziek zijn, ze mogen geen zwakte tonen,' ga ik verder. Traditionele vaders bedoel ik. Moderne vaders wel, die doen niet anders, die gebruiken de zwakte als een ironisch schild.
Het is even stil. Vroeger zou je samen luisteren naar het gezellige gekraak van de telefoonlijn, alsof je samen rond het haardvuur zat. Nu hoor je helemaal niets meer en vraag je je af of de ander er nog is.
Mijn vader is er nog. En hoe.
Mooi dat we een gesprek hebben over gevoelens. Gevoelens zijn lang taboe geweest in mijn familie, en misschien wel in elke huisartsenfamilie. Pijn was weliswaar een gevoel – fysieke pijn –, maar daar moest je tegen kunnen. Daar werd je hard van. Alleen in geval van nood nam je een pil.
Die hardheid heeft denk ik wel weer te maken met de oorlog; gelukkig maar.
'Trouwens erg fijn dat je mijn scootmobiel weer aan de praat kreeg,' zegt hij nog. Hij maakt geen grap. Toch moet ik lachen.
'Dat was mazzel. Hij maakte gewoon weer even contact.'
Net zoals wij.





97. Helga's ondergrondse




Natuurkundeleraar Brandt ging er op uit in travestie om inlichtingen in te winnen voor het verzet. Zijn natuurkunde kwam hem van pas bij de vervaardiging van een geloofwaardige boezem. Vanavond had hij zich in een koningsblauwe jurk gehesen, zichzelf kettingen omgehangen en een bruine pruik en lippenstift opgedaan, maar er wel voor uitkijkend, dat hij niet buiten de lip stiftte, want dat zou verdacht zijn. Slordig gestifte lippen wezen op onervarenheid, slechte vermomming of dronkenschap – signalen die Brandt niet wilde afgeven. Zulke fouten konden levensgevaarlijk zijn.

Hij had ook nog een handtasje omgedaan met een aardappelschilmesje erin, voor de zekerheid.

Helga vond hij dat hij vanavond moest heten. Hoge hakken had Helga niet aangedaan, want daar kon ze niet op lopen, in plaats daarvan balletschoentjes in grote maat. Te voet zou ze naar het broeinest gaan voor SS'ers en Gestapo's om zich daar als meisje van plezier aan te bieden. Een meisje van plezier met extra mogelijkheden, was het idee.

Helga had zich voorgenomen om zo snel mogelijk handtastelijk te worden. Als haar slachtoffer uit was op een verzetje, zou die dat onmiddellijk laten blijken. Ze was ervan overtuigd dat mannen die zich inlieten met een travestiet minder remmingen kenden, dat ze ook loslippig werden, geneigd om wat over hun werk los te laten, tussen de bedrijven door.

Met een droge keel van de spanning doorkruiste ze het park in de richting van het broeinest. Het was al laat, maar het zou nog zeker twee uur open zijn. Het was een koele zomeravond. Daarom had ze een cape omgeslagen. Ze zag er goed uit, in deze gedaante zou het haar geen moeite kosten om binnen te komen. En inderdaad, toen ze aankwam bij de ondergrondse sociëteit werd ze onmiddellijk door de portier verwelkomd alsof ze een vaste klant was.

'Gutenabend,' zei de portier, 'sie sind allein?'

Helga knikte en glimlachte.

'Wunderbar.'

De portier knipoogde en liet haar binnen.

Het was druk en rokerig. Geen muziek. Het geroezemoes was oorverdovend. Als je je oren niet spitste hoorde je niet dat er Duits werd gesproken. De tafels stonden vol met halve liter glazen bier.

'Waarom deed je zo lang over?' vroeg een gedistingeerde oudere man zonder uniform in het Duits, die meteen op haar was komen aflopen, haar cape aannam en die over zijn arm hing. Hij zag er niet uit als een nazi, eerder als een Engelsman. Hij had kort grijs haar, een gouden brilletje en een sardonische glimlach rond de mond. Hij deed Helga denken aan de rector van het gymnasium waar Brandt doceerde.

Terwijl Helga de man recht in zijn ogen aankeek, bracht ze haar ene hand naar zijn kruis, oefende lichte druk uit op wat ze daar voelde, terwijl ze met het topje van de wijsvinger van de andere hand over haar vochtige, gestifte onderlip ging.

Meer was niet nodig.

'Zullen we een stukje wandelen?' zei de Duitser. 'Ik heb het hier wel een beetje gezien.'

Helga hoorde aan zijn ademhaling dat hij opgewonden was.

Helga knikte, langzaam. Dat was cruciaal: ook al werden mannen nog zo ongeduldig, zij moest haar kalmte bewaren. 

Een paar minuten later stonden ze buiten in het park. De portier leek niet verbaasd dat ze nu alweer vertrok, en niet in haar eentje.

Maar Helga was er nog niet, integendeel: ze had een willige nazi, maar nu moest ze hem nog aan het praten krijgen. Ze moest weer gas terugnemen, anders dacht hij nog maar aan een ding.

'Ken je nog een mop, ik heb zin om te lachen,' zei ze. Ze was verbaasd over zichzelf, hoe goed ze dit speelde. Humor was een beproefde manier om de intimiteit vast te houden, maar de lust te laten verdampen.

De Duitser kwam na veel vijven en zessen met een matige grap. Daarna zei hij dat hij pipi moest machen, en verdween in de bosjes. Hij kwam niet meer terug.



96. xXx




Wonen op Mars, overwoog xXx, was allemaal leuk en aardig, maar hij had nog steeds tinnitus. Nog altijd had hij sterk de indruk dat de keuzes die hij maakte bij de proteïne-shakes die hij nam voor ontbijt, lunch en avondeten, volstrekt arbitrair waren. Koffie. Framboos. Kip. Hij was eenzaam, maar hij was dat altijd geweest, hij zou zich zelfs op een andere planeet geen leven kunnen voorstellen dat niet door wat hij noemde die humane grondhouding gekenmerkt werd.

Dat had niets van doen met zijn naam. Iedereen onder de twintig had tegenwoordig zelfgekozen codenamen. Het hele voornaam achternaam gedoe met vergezochte betekenissen waarmee ouders zich van elkaar probeerden te onderscheiden (of juist niet) was al lang geleden afgeschaft. Namen veranderden ook voortdurend, net zoals kamers en straten; ze waren fluïde, dat was een van de weinige leuke dingen zelfs aan het contemporaine leven op de rode planeet.

Naar gangbare Martiaanse maatstaven was xXx beslist niet onknap, maar ook niet onlelijk. Enfin, medium, zoals de meesten, en dat had ook wel iets veiligs. Eigenaardigheden als zijn linkeroorschelp, die tegen zijn kale schedel aangegroeid was, en de rare tic die hij had om steeds voordat hij iets ging zeggen met zijn tongpunt zijn boventanden aan te raken, had hij ongecorrigeerd gelaten.

Overigens sprak hij nog maar nauwelijks. Eigenlijk alleen 'au' als hij zijn teen stootte (zulke dingen gebeurden nog maar niet vaak), en 'oe' als hij klaarkwam (idem).

Nee, zijn eenzaamheid was fundamenteler, die had te maken met het besef dat contact ook en juist in tijden van virtuele relaties, die traditionele relaties thans vrijwel geheel hadden vervangen, een pipe dream bleef.

xXx had het geprobeerd, daar lag het niet aan, met alle mogelijke entiteiten, hij was behoorlijk open minded geweest over de soorten relaties die hij was aangegaan, maar steeds had hij het gevoel gehad dat het ware leven elders was, dat de meeste emoties en gedragingen geveinsd waren, ook die van hemzelf, en dat zijn leven op Mars niet zozeer zinloos was, als wel volstrekt voorspelbaar. Het was steeds moeilijker gebleken in tijden van total information awareness en instant afstand overbrugging enig reliëf aan te brengen in de dag, verrast te worden, iets authentieks te beleven, ergens, met iemand, al was het maar voor even. (Een paar goede seconden konden een dag redden, maar vind ze maar eens.)

Bevrijding zocht hij vooralsnog in werk. xXx gaf leiding aan de ontwikkeling van Kreateur, de eerste kunstenaar-robot, binnenkort zou het eerste prototype worden gelanceerd, maar er waren zorgen. Niet over de technische details, of het algoritme, daar was grondig over nagedacht, de ingenieur-bots werkten uiterst precies, veel preciezer dan een mens, maar xXx werd geplaagd door de angst dat dezelfde ingenieurs hem een streek leverden. Dat ze vlak voor de lancering de boel zouden opblazen, of dat ze hem systematisch hadden misleid over de voortgang.

Misschien was hij paranoïde. Paranoïa was goed, het hield je scherp, maar het was ook erg vermoeiend.

Gezichtsverlies, aantasting van het ego, afwijzing: je zou denken dat op Mars anno 2170, voorbij de pioniersjaren in zekere zin, zulke sociale ongemakkelijkheden vlotjes konden worden gladgestreken met behulp van frontale kwab-therapie, maar niets was minder waar.

xXx betrapte zich erop dat hij zich de laatste tijd steeds minder verheugde op zijn op handen zijnde onsterfelijkheid.

Het alarm dat om hem heen afging, in diverse toonsoorten, maakte hij onklaar.

Nu zou alleen nog een kleine elite op aarde afweten van xXx' status, maar het was altijd weer spannend of ze het nodig vonden om in te grijpen.




95. Het fantastische diner

Cy Twombly: Blooming



Het wij zijn fantastisch huis heeft veel ramen aan de voorkant, hele grote, waardoor voorbijgangers goed kunnen zien hoe fantastisch wij het hebben. Wij zitten aan de eettafel, die fantastisch is uitgelicht, en die reusachtig is, want als wij het fantastisch hebben willen we het met zo veel mogelijk mensen fantastisch hebben; wij geloven in het verspreiden van het fantastische gevoel. Moeten wij zeggen dat wij er fantastisch uitzien? Ja, het kan nooit kwaad dit nog eens extra te benadrukken. Niet alleen zijn wij fijn uitgelicht, daar heeft de interieurarchitect goed over nagedacht en niet alleen daarover trouwens, ook over de zwarte vloer en de bloedrode badkamer, maar we beschikken ook over fantastische features. Neem B., die heeft een fantastische jurk aan, zeg nou zelf, met rozen die wegzwemmen, maar ook H., die een fantastisch pak aan heeft getrokken, hij ziet eruit als de dood, en trouwens, nu we toch bezig zijn, mag het best gezegd worden dat onze J. met zijn fantastische creatie ook fantastisch macaber oogt. Je zou denken: wat vermoeiend, al die fantastische mensen in dat fantastische huis, maar niets is minder fantastisch. Wij hebben fantastische gesprekken. De onderwerpen die J. aandraagt zijn alleen al fantastisch, en H. weet er ook altijd zo'n fantastisch lugubere draai aan te geven. B. staat te koken, ze begint daar al vroeg mee, en ze kookt fantastisch, of had ik dat al gezegd? H. had dan ook fantastische boodschappen gedaan. J. zou het als een belediging beschouwen als we zouden zeggen dat hij de tafel fantastisch had gedekt. Het is geen dekken, het is regisseren. De tafel is een decor, wij zijn figuranten en alles ziet er hoe dan ook fantastisch uit. Net toen we dachten waar blijven W. en K., onze fantastische gasten, de hoofdrolspelers van vanavond, kwamen ze er aan, de timing kon niet anders dan fantastisch worden genoemd. Wat fantastisch dat jullie er zijn, zei B. en ze had gelijk, daarmee gaf ze gehoor aan het algemene gevoelen. W. en K. brachten fantastische bloemen mee, het was een ronduit fantastisch boeket, en fantastische wijn ook nog. H. nam de wijn aan, zei dat hij er fantastische dingen over had gehoord, terwijl J. een vaas ging zoeken. Een fantastische, voor minder deed hij het niet. Het fantastische diner nam een aanvang. J. kwam, toch nog onverwacht, met een fantastisch hakmes uit de keuken en hakte op W.'s schouder in, terwijl H. met een fondueprikker prikte in K.'s wangen, het spoot meteen alle kanten op, wat een fantastisch effect gaf. B. kreeg toen ook de geest, sloeg een fles fantastische wijn kapot en draaide de kapotte kant in het gezicht van W. ; we hoorden de glasscherven schrapen tegen zijn neusbrug. De gasten bloedden fantastisch en terwijl ze bloedden keken wij elkaar aan en we waren het stilzwijgend met elkaar eens: dit is fantastisch. Gelukkig liepen precies op dat moment mensen langs die een blik naar binnen wierpen door de fantastisch grote ramen anders was het allemaal voor niets geweest.

94. Max krijgt een spuitje

Jay Schmetz



De eerste of de derde persoon, dat is de vraag. Ja, of de tweede persoon, maar dat is een uitzondering, een abberatie. Is de derde persoon, of de tweede desnoods, een afspiegeling van de eerste, is het een smoes, een excuus voor de eerste? Is het gebruik van de derde persoon een voortzetting van de eerste persoon met andere middelen? Schrijft een auteur hoe dan ook altijd weer over zichzelf?
Max was een teckel van zestien, of bijna zestien, en hij kreeg een spuitje. Het was mooi geweest, zijn leventje zat erop. Het was een goed leven, geen honger, genoeg aandacht en warmte, regelmatig uitlaten ook, maar hij kon nauwelijks meer op zijn poten staan en was zwaar incontinent. Bovendien was hij dement. Alles bij elkaar opgeteld genoeg reden voor zijn baasje om diens levenseinde kunstmatig te bespoedigen.
Moet je je voorstellen: zestien jaar deel uitmaken van een familie, want dat is toch wat je doet als hond, en dan ineens wordt er, eenzijdig toch wel, besloten dat je beter dood kunt zijn dan levend. Ondraaglijk lijden bij een hond is lastig vast te stellen, om nog maar te zwijgen van voltooid leven. Het perspectief van het baasje is doorslaggevend, en hoe kan het ook anders, hij betaalt de dierenarts. Wie betaalt, bepaalt. Nergens is dat zo duidelijk als bij huisdierbezitters.
Mijn een na laatste ervaring met Max – ah, daar is meneer de auteur weer, de eerste persoon kan het weer niet laten zichzelf op te voeren – was op het strand van Scheveningen. Max zijn baasje en ik voerden een druk gesprek terwijl we driftig voortwandelden. We liepen tegen de wind in, op weg naar de pier, en werden geheel in beslag genomen door uiterst belangwekkende onderwerpen die ik me nu absoluut niet meer kan herinneren.
Wat ik me nog wel goed kan herinneren was dat we Max kwijt waren. Wat wilde het geval, het geval wilde van alles, maar vooral dat Max ver achterop was geraakt, en dat niet alleen, hij volgde het verkeerde baasje. Dat kwam, hij leed aan ouderdomsstaar en was zo goed als blind. Zijn baasje floot, riep: Max! Ik floot en riep: Max! Maar dit alles had nul en generlei effect. Max was namelijk zo goed als doof. We moesten hem gaan halen. Hij was niet geheel verbaasd dat hij achter de verkeerde was aangelopen, dacht: kan gebeuren, ik heb ergere dingen meegemaakt. Wat me ontroerde was hoe het baasje Max optilde, gewoon zo bij zijn buik, van de grond, als een opgerold tapijt, en hem onder zijn arm mee vervoerde op de elektrische scooter mee naar huis.
De laatste ervaring met Max was minder memorabel omdat hij werd vertroebeld door de ervaring met een andere teckel, een jonge teckel, die de geliefde van het baasje van Max zichzelf had toebedeeld (op aanraden van het baasje van Max natuurlijk, zul je net zien, geen dier zo inwisselbaar als een geliefd huisdier, nog voordat je onder de zoden ligt word je geconfronteerd met je vervanger). Een heerlijke, speelse, actieve, knuffelige teckel, deze jonge teckel van de geliefde van Max' baasje. Niet het knorrige, stekelige, warrige oudje; het contrast met Max kon niet groter zijn.
Max sleepte zijn buik over de vloer, liep tegen de tafelpoot op en ja, kon niet meer.
De jonge teckel sprong, likte, gilde van levenslust, het was bijna pijnlijk om te zien hoe overbodig de oude was geworden.
Als alle schrijven een manier is om de vervlogen tijd tegen te houden, vast te pakken, terug te draaien, moeten deze woorden worden opgevat als een eerbetoon aan Max.


93. Vuilnisroman




Mijn naam is A.A. en ik kom uit een vuilcontainer. Geen vuilnisbak, mind you, met zo'n ludieke deksel, maar een vuilcontainer, een ondergrondse stalen bak van twee kubieke meter, te openen aan de bovenzijde met een schuif, waardoor er zich een cilindervormige ruimte openbaart, die zichzelf leegmaakt als de schuif weer wordt dichtgedaan – tenminste zo zou het moeten.
Mooi mechanisme. Zulke containers waren in de jaren tien en twintig van de eenentwintigste eeuw nog vrij algemeen in gebruik, totdat ze plaats moesten maken voor betere, soepelere, schonere systemen van afvalverwerking, waar we nu aan gewend zijn.
Ik zat in een Jumbotas. Zo'n stevige, gele. Het was tot daaraan toe om in de vuilcontainer te worden gedumpt, wist ik veel, maar om een paar meter de diepte in te vallen was minder. Nog minder was het om daarna uw vuilniszakken te incasseren, die landden boven op mij, gelukkig waren ze niet zwaar, anders had ik het niet overleefd, dan was ik in de Jumbo-tas gestikt, bedolven onder huishoudelijk vuil. Etensresten, blik, verpakkingen, you name it; ik hoef u niets uit te leggen.
Iedereen weet alles allang. Ik was in februari 2021 de bekendste baby van Nederland. Een bekende Nederlander, maar ik had er weinig profijt van, ik zat niet in talkshows. Het was geen bekendheid waar ik om had gevraagd. Het was een bekendheid waar niemand om had gevraagd.
Men vraagt mij wel eens of ik de persoon die gewezen heeft op mijn aanwezigheid in de vuilcontainer dankbaar ben.
Een ridicule vraag.
Ik heb enige tijd met de vraag rondgelopen of ik die persoon, en niet alleen die persoon, zou moeten aanklagen.
Waarom heeft die persoon mij niet laten liggen, waarom heeft die het nodig gevonden om de hulpdiensten, de politie te attenderen op mijn persoon? Wat had voor zin? Waarom heeft deze persoon mij, of meer precies: mijn babygehuil, niet genegeerd? Was dat zo moeilijk? Zeker, dan was ik vroeg of laat overleden aan de honger of dorst (die twee waren voor mij op dat moment hetzelfde), maar dan had ik deze geschiedenis, die ik u nu vertel, niet met mij mee hoeven dragen, dan had ik deze geschiedenis met mij mee het graf in genomen.
Het graf waar ik al in lag.
Men heeft nog lang geprobeerd mijn geschiedenis voor mij verborgen te houden. Dat was nobel. Dat getuigt van goede bedoelingen. Maar het heeft niet gewerkt, omdat alles vroeg of laat uit komt.
Bijna alles.
Gelukkig heb ik de literatuur ontdekt. Ik zal de mensen versteld doen staan met mijn levensverhaal. Want ja, hebt u al een roman gelezen die begon met de zin Mijn naam is A.A. en ik kom uit een vuilcontainer? Met het succes van mijn vuilnisroman zal ik de wereld veroveren, dat zal mijn ultieme wraak zijn op alles en iedereen.

92. Geen verhaal maar wel waar (II)




Mijn vader neemt mijn hand niet aan als ik hem wil helpen. Corona zal meespelen, maar hij is gevaccineerd en volgens mij weigerde hij daarvoor ook al. Als eenennegentigjarige die slecht ter been is, lijkt mij dat iedere hand welkom is, maar hij ondersteunt zich liever zelf. Als hij de keus heeft tussen mijn hand en de handgreep van de rollator kiest hij voor de laatste. Als ik hem omhoog wil helpen uit een stoel dan laat hij mijn hand in het luchtledige hangen.
Ik begrijp zijn hang naar autonomie; toch verwacht ik kennelijk af en toe dat zijn afkeer van afhankelijkheid (van zijn jongste zoon nog wel), het aflegt tegen zijn behoefte aan steun. 
Tijdens ons bezoek wees ik een paar keer op deze eigenaardigheid, maar niemand reageerde.
Ik vermoed dat hij de hand van mijn moeder wel aanneemt, hoewel ik hem dat niet heb zien doen.
Ondersteuning nodig hebben is vernederend, maar moet worden afgewogen tegen andere vernederingen. Stel voor dat ik helemaal niet zou aanbieden om hem te helpen, en hij viel, wat dan? Ik stel me zo voor dat ik, als ik zelf aan de beurt ben, me dankbaar zou vastklampen aan de helpende hand van een van mijn zoons, maar misschien denk ik tegen die tijd ook 'zelfredzaamheid of de dood'.
Mijn vader is een ouderwetse vader. Een vader die nog altijd bang is om van zijn voetstuk te vallen. Ik heb nooit op een voetstuk gestaan, wat als nadeel heeft dat er niet naar mij wordt opgekeken, maar als groot voordeel dat ik er ook niet van af kan vallen.
Moderne vaders worden bespot in plaats van gevreesd. Ik krijg trappen tegen mijn achterste van mijn elfjarige, in plaats van eerbied en ontzag.
Ik geloof wel dat ik enige punten bij mijn vader heb verdiend door zijn scootmobiel, dat halverwege de wandeling plotseling dienst weigerde, weer aan de praat te krijgen, maar zeker ben ik daar niet van. Ik heb zo'n vermoeden dat mijn vader mij hoe dan ook niet in een zorgverlenende rol wenst te zien, en zichzelf niet in een zorgnemende.
Hij viel bijna om. Dat gebeurde toen hij een afritje van de stoep de straat op te ruim nam. Ik stond naast hem, klaar om hem op te vangen, maar als hij werkelijk was gekapseisd was ik weer nutteloos geweest, zoals altijd.
Zie je nou wel!
Hier is een verschil tussen fictie en non fictie: de val van mijn vader, met zijn scootmobiel, terwijl ik erbij sta en niets kan doen, of niets doe, is een mooie premisse voor een verhaal, maar in een stukje zoals dit waarin ik het eigenlijk over iets anders wil hebben, namelijk de zorgweigering van mijn vader, vormt de mogelijkheid ervan slechts een zijpad.
Hij vond het niet leuk dat ik een foto maakte van hem in zijn scootmobiel. Een moderne vader zou er met (zelf)spot mee om kunnen gaan. Misschien is dat het grootste verschil tussen mijn vader als vader en mijzelf als vader: ik neem mijn vaderschap niet altijd serieus, probeer er zelfs aan te ontsnappen als het me teveel wordt. Ik ben dan ook nauwelijks kostwinner, laat staan een ouderwetse, degelijke, zoals hij altijd is geweest, en als iets ontzag inboezemt, dan is het inkomen.
Of zou het toch weer met de oorlog te maken hebben?
Het is moeilijk vol te houden dat de oorlog er niets mee te maken heeft.
Ik moet mijn vader eens vragen of zijn vader zijn helpende hand ook niet aannam, toen hij in de negentig was.