Ruimtereis

Kom met mij overnachten in het landverhuizershotel

En laat ons Amerika aandoen, Antarctica en Azië

Laten we niet hier blijven maar daarheen gaan


Waar ze vreemde talen spreken en geuren verspreiden



Liefste reis met me mee naar dat land aan de andere kant


Van de wereld ik ben de naam vergeten maar die is egaal


Die plaats waar alles anders is, de volmaakte tegenpool


Dat moet een fantastisch rijk zijn, een heerlijkheid



Maar waarom op aarde blijven als we toch verhuizen


Wat hebben we helemaal nodig op onze ruimtereis


Behalve zuurstof, lef, een schip, miljoenen


En enige niet al te hete, concrete planeten?

Onbekendegracht (slot)

In dit vreemde huis word ik wakker gehouden door:


• een half-Noorse boskat roepnaam Monster

die onder het bed aan fantoom-wondverzorging doet

door de binnenkant van de plastic kap om zijn nek

stelselmatig te likken;


• een bovenbuurman die in zijn slaap neuriet,

gromt, kreunt, zingt, tegen zichzelf praat,

in zichzelf praat, tegen imaginaire bewoners praat

edoch niet snurkt, nochtans;


• voetstappen over de 

interessant krakende

kale houten vloer

met loszittende planken;


• de eeuwig draaiende ventilator;


•mijn eigen verontrustende gedachten.




Begrensde aansprakelijkheid

Men kan


Een mens


Niet kwalijk nemen


Dat hen


bestaat.

Ver haal

Een gedicht zonder verhaal is als een verhaal zonder pointe

Dichtte de verhalenverslaafde, doceerde de parttime dichter


Aan een groep juristen in een Parijs hotel bijeen.



Wie kan mij een verhaal vertellen, spontaan


Ik! Op de heenweg in de trein was het een komen en gaan


Van snuffelende douane-honden en stillen met armlinten.



Aardig, maar hooguit het begin van een verhaal.


Bij Brussel had er iets kunnen gebeuren, ging hij verder.


Quod non! interrumpeerde de plothongerige bruut.



Enfin. Op de terugweg bij Rotterdam, men dommelde,


Vond ik het nodig hoog in mijn rolkoffer te rommelen.


Uit een vak viel in het gangpad een lang vergeten joint.





Doppelgänger

Op boulevard Saint Germain natuurlijk weer
Zit een man met een grijs gecoiffeerd baardje
Keurig op een bank met een bloknoot op schoot
Ruitjespapier net schrift 30 lees ik


In de ene hand houdt hij een balpen

In de andere een sigaret

Voor hem op het trottoir een bordje

Ik schrijf een roman


Wat geld zou mij helpen

(of een sigaret)

Ik ben ooit gestopt met roken

Dus ik geef hem munten


Ben je bij hoofdstuk 30

Nee pagina 30 dit is mijn levensverhaal

Ik ben geen zwerver ik heb een kamer

Familie ja broers


Hoe heet je vraag ik voor het geval

Het een besteller wordt

Philippe Cartier schrijft hij in mijn bloknoot

Cartier? roep ik gespeeld verbaasd uit


Hij kijkt mij aan ik had hem kunnen zijn

En hij mij denkt hij waarschijnlijk ook

En hij toont mij zijn lege pols

Met een zoetzure glimlach

Onbekendegracht (II)

Mijn moeder en mijn zus zijn in aantocht.
Er ging druk berichtenverkeer aan vooraf.
Ze komen op de thee. Mijn vrouw kocht cake.


Mijn advies om links om Carré heen te lopen

Omdat de loopbrug over de Onbekendegracht

Zeer instabiel is verklaard wordt niet opgevolgd.


Bij de loopbrug aangekomen wil mijn moeder

Er natuurlijk toch overheen, verbodsbord of niet,

Want ja, hoezo instabiel en wie bepaalt dat.


Ik zie haar al, achter in de tachtig, tongpunt tussen de lippen,

Regenhoedje scheef op het hoofd, over het hek klimmen,

Terwijl mijn zus haar probeert naar beneden te trekken.


Het hek valt om. De brug stort in. Mijn moeder en mijn zus

Raken te water. Een eenzame zwaan schiet te hulp.

Nee, zo gaat het niet, zo gaat het nooit.


Mijn vrouw ziet hoe onze dochter op schoot kruipt bij mijn zus.

Ik plof naast mijn moeder op de bank, sla een arm om haar heen

En aai haar over haar stevige, witte haar.

Onbekendegracht (I)

 


Herfstschrift

 


Liefde slaat alles

je hoort wel fluisteren bij haardvuur

onder snoepende ogen in de bioscoop

in de kerk ook de vrijgemaakte

en in plattelandsdiscotheken

vlak voor het licht aangaat


liefde slaat alles


vertel dat de Afghaan de Taliban

vertel dat de uitbehandelde uitgezaaide

huidhongerende uitgekotste kapotgemaakte

vertel het aan hen die zijn veroordeeld

tot een naar oorlog verlangende vrede


liefde slaat alles


en toch ben ik van mening excuus voor deze afwijking

voor het moedwillig uitzetten van het kille verstand

voor deze behoefte aan een gemoedstoestand

voor dit ongefundeerde geloof dit blind vertrouwen

in een gloed een roes een vlucht


liefde slaat alles


Briefschrijverette



Geen mensenmassa's gisteren op het Museumplein, noch hinderlijke autoriteiten. Windstil (zo goed als), prettig warm (niet heet of benauwd), kortom ideale condities, als die bestaan, voor het tikken in de buitenlucht van brieven van liefde en haat.

Maar werd er ook geld verdiend?

Meteen al bij het opstellen van mijn gouden statafel, viel mijn blik op een jong stelletje dat op een bankje aan het uitrusten was (ja, van wat eigenlijk? van het blowen waarschijnlijk). 'Mag ik een liefdesbrief voor jullie schrijven?' vroeg ik. Dat mocht, maar toen ik begon over €10 per pagina, zei hij: 'Wat dacht je van drie stroopwafels?'

Ruilhandel kan ik niet aan beginnen, zou nooit de goedkeuring krijgen van mijn CFO. Bovendien eet ik alleen verse.

Er kwam een gay couple aanzetten, twee kortgeknipte sportschooltypes uit Mexico by way of Los Angeles. Ik heb het eerder vastgesteld: vooral Amerikanen zien de lol in van mijn performance en zijn ook bereid daarvoor cash neer te tellen. Dus daar ging ik: 'Dear Renato:' Het werd een beetje een brave brief, behalve het einde: 'I wish I were a dog.' Dat sloeg hierop, dat Renatoliefje eerst nogal tegen de honden was van Luis, zijn geliefde (en mijn opdrachtgever), maar daarna dusdanig voor ze viel, dat hij Luis niet meer zag staan. Mijn tiksel ontlokte een brokje in het keeltje van de geadresseerde en dat is me zoveel meer waard dan die luizige tien euro. Ik moest nog wel even poseren voor de Insta Story, een hit ongetwijfeld in LA en omstreken, maar voor de kunsten en voor de (heren)liefde ben ik tot veel, zo niet alles bereid.

Toen werd het stil. Natuurlijk zit een schrijver het liefst in een ivoren toren of een grafkelder zonder aanziens des persoons zijn fantasieën uit te walsen, maar ik moest er op uit, mensen aanspreken, de blijde/wrede boodschap verkondigen.

Niemand hapte.

Als vingeroefening begon ik aan een haatbrief.

Vervolgens kreeg ik bezoek van een jonge zwerver uit Finland. Konsta was klein van stuk, en droeg naast een rugzakje, een lange sliertige baard en een smoezelige stropdas met speelkaarten erop. Hij trok aan een half vergaan stickie. 'Waar is meer vraag naar, liefdesbrieven of hatemail?'

Ik antwoordde naar waarheid dat de vraag naar de liefde vooralsnog groter is, maar dat kan aan het weer liggen, en/of schaamte.

Het deed hem deugd dit te horen. 'Ik vertel moppen voor geld,' zei hij, en schoot zijn peuk weg.

'Als jij mij een mop vertelt, schrijf ik voor jou een brief.'

'Laat die brief maar zitten... Wat wil je: family friendly, dirty of dark?'

'Doe maar dark,' zei ik.

Na even te hebben nagedacht zei hij: 'Wat kreeg het kind zonder armen voor zijn verjaardag vorig jaar?'

'Een gitaar?'

'Geen idee, want hij heeft het nog steeds niet uitgepakt.'

Niet slecht, maar als ik hier €3 voor had moeten betalen, zou ik me toch bekocht voelen. Zo niet de Rus, vertelde Konsta, die zag hoe zijn vriendin schaterde van het lachen, terwijl hij er zelf niets van begreep. Om ervan af te zijn drukte hij de moppentapper 250 euro in de hand. 'Dat waren nog eens tijden,' zei Konsta. 'Eh, heb je nog wat kleingeld voor me?'

Net voordat ik mijn boeltje wilde oppakken, passeerden er twee grijze duiven met die typische, jeugdige oogopslag van verliefde mensen. Ze kenden elkaar nog niet zo lang, maar zij durfde het wel aan. Ze las de brief. 'Ik moet er bijna van huilen,' zei ze.

Hij trok aan zijn elektrische sigaret en vond het ook mooi, maar mijn aanbod om haar een brief terug te schrijven, sloeg hij af.