Eigen werk



Voor het voorleesontbijt in groep 3b waren vier ouders aangetreden, onder wie ondergetekende. 'Eén vader leest voor uit eigen werk,' zei de juf, ietwat verlegen. 'Mijn vader!' jubelde de zesjarige. Ik glom van trots. Mijn dochter glom van trots. De rest van de klas was niet zichtbaar onder de indruk.
Moest ik zenuwachtig zijn? Zenuwachtiger dan anders?
Ik beet het spits af. Ik dacht, bij een voorleesontbijt is de aandacht een schaars goed, maar beter als eerste die aandacht opslurpen. Deze veronderstelling bleek onjuist. De laatste voorleesouder kreeg ieders aandacht. Een kwestie van voordrachtskunst.
Toen iedereen zijn ontbijtje voor zich op tafel had uitgespreid, schraapte ik mijn keel – mijn handelsmerk – en begon aan De scheet. Iedereen was stil. Slechts een enkeling durfde te lachen, bijvoorbeeld wanneer ik scheet-geluiden maakte, wat, dacht ik, voor deze leeftijd toch wel om te lachen is. Ook de overige ouders hielden zich muisstil, alsof het een kerkdienst betrof, en dat was het natuurlijk ook. Voorlezen is het nieuwe preken.
'Dit is veel te lang,' dacht ik bij mezelf tijdens het lezen. En: 'Veel moeilijke woorden, niet te geloven dat ik dit heb geschreven voor mijn vijfjarige, vijf jaar geleden...' Maar goed, ik kon me troosten met de gedachte dat ik voorlas op verzoek van mijn dochter, die mijn voorstellen Rintje, Kleine Beer bij Opa en Oma en zelfs Varkentje Valentijn had afgewezen. Het moest en zou De scheet wezen.
Na afloop van de voorleessessies bleef het angstvallig stil. Niemand zei iets, ook de andere ouders niet. Nu is het altijd ingewikkeld om op iemands eigen werk te reageren, vooral als men er geen verstand van heeft en er nooit om gevraagd heeft, maar in dit geval was het misschien onmogelijk.

UB



Ik zit in de UB, herstel Library Learning Center, temidden van tientallen studenten, aan een tafel te, nou ja, studeren, met als achtergrondmuziek aanhoudend vogelgekwetter dat ergens van boven vandaan lijkt te komen. Vogelgekwetter waarvan je verwacht dat het tijdelijk zal zijn, dat die vogels naar verloop van tijd klaar zullen zijn met hun gekwetter. Maar nee. Overigens is het verder muisstil in de UB, ik maak denkelijk met mijn periodieke keelschraap nog het meeste rumoer.
Twee studentes komen aan mijn tafel zitten. Nu ben ik een getrouwde huisvader die zich volledig aan het laatkapitalistische burgerideaal probeert te houden (whatever this may entail), maar deze twee trekken mijn aandacht. Dat niet alleen, kennelijk trek ik ook hun aandacht, want onze blikken vinden elkaar nu en dan. Je kunt elkaar wel totaal negeren in een universiteitsbibliotheek, maar dan kun je net zo goed thuis in de kelder naast de aardappelen gaan zitten. De ene studente kijkt naar de andere, die dan weer naar mij kijkt, of omgekeerd. Een van die studentes heeft een subtiel, maar niet te verwaarlozen decolleté, een piepklein spleetje, dat je niet zou verwachten in de UB, maar misschien loop ik achter, misschien is uitgaan uit en is studeren het nieuwe uitgaan. Het enige verschil dat ik kan ontdekken verder tussen de UB dertig jaar geleden, toen ik studeerde, en de UB thans, zijn de koptelefoons en de mobieltjes en de laptops, maar die zijn 'dus' bijzaak.
Dan komt een kortgeknipte student in een oud-oranje pullover met een krokodilletje op de borst recht tegenover mij zitten. Hij klapt zijn laptop open en haalt zijn neus op. Hij pakt zijn mobiel en haalt zijn neus op. Ik lijd niet aan misofonie, of niet aan een ernstige vorm, maar ik kan me levendig voorstellen dat je woest wordt van zulk geluid, dat je de veroorzaker ervan zou willen vermoorden.
Ik moet vaker naar de UB.

Sonnetisten

Bertus Aafjes door Diana Huijts

Stiefelend over de K-gracht, – zonder rollator! – begint N. uit het niets Bloem te citeren. 'En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos ter grootte van een krant, een heuvel met wat villaatjes ertegen.'
Waar komt dat opeens vandaan? Dat weet ze niet. En ook niet hoe het verder gaat, behalve dan opeens dit weer: 'Alles is veel voor wie niet veel verwacht.' Een beroemde dichtregel, zover ben ik ook wel, en niet alleen dat, een behoorlijk goed adagium, vinden we. 'Daar zou de jeugd van tegenwoordig een voorbeeld aan kunnen nemen,' zegt N., en ik ben het roerend met haar eens – en niet alleen de jeugd, ook de volwassenen, en het meerendeel van de ouderen, en waarschijnlijk zouden ook de buitenaardsen en de ondergrondsen zich naar deze levenswijsheid moeten voegen.
Als we aan de lunchtafel zitten spuugt ze de rest eruit, dat laatste stukje dat nog ergens in de bocht van een hersenwindsel verborgen lag: Dit heb ik bij mijzelve overdacht, verregend op een miezerige morgen, domweg gelukkig, in de Dapperstraat.'
Wie schreven er vorige eeuw nog meer sonnetten? Ik kan niemand noemen behalve het wel erg makkelijke sonnet van Lucebert.
N. begint, tussen de muizenhappen door, opnieuw te citeren. 'Toen het herbegon, achter de grijze lijn der horizon, het bulderen goedmoedig der kanonnen...' en dan valt ze weer stil. Ik kan haar niet aanvullen. Dit gedicht zegt me niets.
Het is even stil. Dan kruipt weer een flard omhoog: 'Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: liefste, de oorlog is nog niet begonnen.'
Bloem?
Neen. De laatste brief, van Bertus Aafjes. Nog een sonnetist.

Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?



Terugkerend van mijn avondlijke wandeling, die iets langer was dan gebruikelijk (ik werd afgeleid door de sterren), kwam ik mijn huis niet meer in. De sleutel deed het niet. Ik wilde niet op het raam bonken en moord en brand schreeuwen; LT lag al in bed.
Ik ging op het gevelbankje zitten en dacht na, daarbij mijn telefoon tevoorschijn halend. Het komt nog maar zelden voor dat ik zonder telefoon nadenk, naar mijn telefoon staren en nadenken, lijken steeds meer samen te vallen. Veel levert het doorgaans niet op.
Ik stond op en probeerde het opnieuw. Had ik de sleutel niet per ongeluk verkeerd om gehouden, met de baard naar boven? Nee. Hij paste nog steeds niet. Ik lichtte het sleutelgat met mijn telefoon bij. Aha, mompelde Sherlock Holmes, er zat al een sleutel in, dat wil zeggen, het afgebroken deel van een sleutel. Onmiddellijk deduceerde Holmes hieruit, dat er twee mogelijkheden waren. 1. Een dronken buurman had zich vergist in de voordeur en had zijn sleutel en daarmee mijn slot vernachelt; 2. Iemand probeerde mij een loer te draaien, te benadelen, buiten te sluiten. Een vijand. Een vijand was mij gevolgd, of had in elk geval gezien dat ik aan de wandel was, en had vervolgens mijn voordeur gesaboteerd. Ja, dat moest het zijn! Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?
Naderende voetstappen in de gang. Een schim bewoog naar de deur en keek met een oog door het smalle raam. De deur ging op een kier. 'Wat zit je allemaal te prutsen?'
'Mijn sleutel werkt niet, het slot is kapot.'
'O. Nou. Kom maar gauw naar bed dan.'
De volgende ochtend waren de felicitaties niet van de lucht toen het me lukte het afgebroken sleuteleindje met een piepklein zaagje uit het gat te trekken (een oude truc).
Later die dag kreeg ik een sms van LT: 'Het was mijn sleutel die is afgebroken.'
De teleurstelling van de voor de hand liggende verklaring. Zonder paranoïa geen literatuur, laat staan detectives.

Leeshuis





De zon scheen, ook in het Leeshuis. Ik stapte naar binnen, waar drie mensen aan een tafel zaten: een vrouw van middelbare leeftijd met een kogelrond gezicht, een jongere vrouw met golvend haar en een lange man die me op een of andere manier aan Gerard Depardieu deed denken. Een Nederlandse les was in volle gang. De voorpagina van Het Parool werd gespeld.
'Ik hoop niet dat ik stoor,' zei ik.
'Helemaal niet,' zei de vrouw met het kogelronde gezicht. 'Wilt u wat lezen?' Ze wees op de volle boekenkasten.
'Altijd,' zei ik.
'Dan bent u hier aan het juiste adres.'
Iedereen glimlachte. Het scheen me toe dat er in het Leeshuis dikwijls werd geglimlacht. Ik wierp mijn trilby aan de kapstok, schonk mezelf thee in, opende een koektrommel waarin bastognes zaten, verrukt uitroepend 'warempel nog koekjes ook!', greep Malcolm Lowry's Onder de vulkaan van een stapel, sloeg de beduimelde Bezige Bij-pocket open. Wat ik las viel me niet mee, wat mijn idee van dit boek als meesterwerk aantastte.
'Wat is beleggen, is dat hetzelfde als belegen? Als in belegen kaas?' vroeg de jonge vrouw met het golvende haar.
De docente corrigeerde haar. Even later wilde de Depardieu-lookalike, in wie ik een Amerikaan vermoedde, weten wat het verschil was tussen geslaagd en geslacht.
'Geslacht is your genitals,' glimlachte de docente.
'Wat is bescherming?' vroeg de jonge vrouw met het golvende haar.
'Protection. Wat je gebruikt om geslachtsziekte te voorkomen.'
Iedereen glimlachte. Ik stak het laatste stukje koekje in mijn mond, pakte mijn hoed en vertrok.

De gelukkige nihilist

Jacob Marrel

1. Alle menselijke activiteiten  zijn, vroeg of laat, een meer of minder omslachtige, meer of minder geslaagde vorm van tijddoding. 

2. Er is geen doel. We doen omdat we niet anders kunnen in het continuüm van tijd en ruimte. 

3. Het heelal beweegt zonder zin of betekenis. Het wordt geregeerd door het toeval, dat soms de neiging heeft samen te klonteren in betekenisvolle patronen.

4. Het leven wordt in bijna ieder opzicht beter maar dit heeft geen effect op het menselijk tekort. 

5. Mensen doen maar wat. Hun plannen en ongeneeslijke optimisme kunnen niet anders dan als aandoenlijk worden gekenschetst. 

6. Vrijheid is, net zoals zelfbewustzijn en liefde, wat wel wordt genoemd een vruchtbare illusie.

7. Een mens, als kluwen zenuwen, kan niet niet-voelen. Hij kan wel moeite hebben zijn gevoelens te uiten.

8. Pijn bestaat en gaat niet altijd over. Wel is het mogelijk meer en minder succesvolle strategieën toe te passen om de pijn te verzachten.

9. Genot dient in hoge mate te worden nagestreefd, zij het dat genot hevig onderworpen is aan inflatie. Afwisseling is het devies.

10. Alle bezit is ballast. Alleen natuur, kunst, werk (voor sommigen: sport en gastronomie), vriendschap en liefde kunnen, ook als illusie, een mens (of meerdere mensen) in extase brengen. Het besef dat dit tijdelijk is, hoeft weinig af te doen aan de intensiteit.

11. Drugsgebruikers en hevige drinkers spelen vals en moeten vroeg of laat voor hun valse spel betalen.

12. Geluk is in zoverre te vergelijken met de dood, dat de gelukkige voor even vergeet dat hij bestaat.

13. De mens is niet in aanleg uit op destructie. Destructie is een paardenmiddel. Veel, maar niet alle, destructie komt voort uit frustratie.

Dear Brand Loyalty,



Thank you for ruining my life.
It seems only yesterday that I was taking down the sustainable christmas tree and bringing it back to the place where my wife bought it, to be replanted so that it can grow again. Ain't that swell?
Were there any left overs from Christmas 2019? Oh yes. A little plastic global village, with global brands well represented. Cute? Very. Plastic? Even more so.
Mr. Loyalty, I want to thank you for your plastic. Very sustainable, indeed! I reckon your village will last another three thousand years, if it doesn't somehow land in a fireplace. Have you ever witnessed a plastic village melting in a fire? The scent...  makes me sentimental. It takes me back to my youth, Brand.
And who remembers the wonderful soccer cards you threw around not so long ago? I certainly do. Ari van Veenendaal! Every day I was picking up bits of paper, tear sheets from the cards – stickers really – that my kids were frantically collecting and that were even more frantically handed out by the beautiful girls your wonderful client Albert Heijn hires to sit at the register, but will soon make redundant by installing do it yourself cash registers (please give Albert my thanks for making people redundant).
Did I mention kids? Did I mention soccer cards? Where have I seen that combination before? This morning, in my living room. In the bedroom of my kids, their classroom. Brand, once more you have successfully infiltrated the lives of my kids where it matters most. You are ruining their sleep, and you are ruining their education and I love you for that.
Only this time you have included a soccer ball and a pump. Great idea! More fake leather and plastic, exactly what we needed in our house.
Every few months or so for the past couple of years we start all over again, – soccer cards -'moestuintjes' - fuzzy animals – and I want to thank you for that, Mr. Loyalty. I want to thank you for your reiteration, the basis of all influencing.
Brand, it's so wonderful how you ruin the concept of collecting, the concept of scarcity, the concept of freedom in the name of profit. Now my kids only want me to go back to the aforementioned Mr. Heijn, and that is exactly where you, Brand, want them – and me! – to be, to buy every plastic we can dream of.
I understand that you are happy.
Let me restate that: that you create happiness. (Because that's the business you're in.)
Happy with yourself.
Happy with engineering people.
Happy with the profits you make by making my kids and me do things that help your clients.
Good luck, Mr. Loyalty, and thanks again for your commitment to destroying the planet. We could never do it on our own.

Yours, till I die, etc.

Held



Maandagochtend, 9 uur, een man alleen aan een tafel in de studiezaal op de tweede verdieping van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Hij is van pensioengerechtigde leeftijd, maar dat belette hem er niet van vandaag keurig gekleed naar zijn werk te gaan. Zijn fleurige, detonerende stopdas en zijn ietwat slordige geschoren kaak, verraden wellicht zijn status van alleenstaande. Hij schrijft in een ruitjesschrift, heel nauwkeurig, iets over uit een boek. Telkens als hij een regel af heeft, onderstreept hij die met een meegebrachte lineaal. Naast hem op tafel ligt een woordenboek. Grieks? Hij kijkt even op, en werpt mij over zijn bril een sceptische blik toe. Ik doe net alsof ik op mijn telefoon bezig ben; dit ben ik trouwens ook, ik maak deze notitie in de notitie-app. Een schrijver is een amateur spion zonder C. De man werkt verder. Ik kan niet weggaan zonder te checken of hij Grieks leert. Ik veins interesse in de stripboekbakken  en stel me op achter een pilaar. Nu valt me op dat er een rugzakje bij zijn voeten ligt. Het woord Duits lees ik op de rug van het woordenboek. Moeilijk om iemand die met een Duits woordenboek in de weer is en er zo uitziet niet te associëren met de leraar Duits (Pierre Bokma) uit Rundfunk, of Wim de Bie's oud-leraar Duits O. den Besten. Ik stap iets dichterbij. Ik zou de man kunnen wurgen als ik zou willen, maar ik heb geen draad bij me. Wat zie ik in zijn schrift? Chinese karakters. Aha, een Chinees-Duits woordenboek. Nu kantelt mijn beeld van deze student. Van een wat betreurenswaardige zonderling, groeit hij uit tot held. De enige die weet waar hij bezig is.

Schoonheid

Vincent van Gogh

'Wat heb je spuuglelijke schoenen aan,' zegt lieftallige.
Sinds gisteren draag ik tennisschoenen die ik in de schoenenla heb gevonden. Ze leken me prettig om op te lopen, mede gezien een knie die opspeelt de laatste tijd. Het zijn grote gevallen, maar dat is de schuld van de schepper. In de neus zit een raster van gaatjes. Aan de zij- en achterkant zit een blauwe rand.
Nikes.
'Ze zijn zo lelijk dat ze weer mooi worden,' probeer ik.
'Nee, ze zijn en blijven lelijk.'
'Jij hebt ze voor me gekocht, kan ik me herinneren.'
'Om mee te tennissen.'
We zijn op weg naar een vernissage (alleen al om dat woord zou je er af en toe een moeten bezoeken) van de onvolprezen en aanbiddelijke portretschilder Jeannette Laros, die zojuist is toegetreden tot de KZOD, de oudste kunstenaarsvereniging van het land, als ik het goed begrijp, in de Waag in Haarlem. (KZOD staat voor Kunst Zij Ons Doel, nou dan weet je het wel.)
Jeannette haar man, zien we als we aan onze wijntjes nippen, draagt sneakers van het hippe soort.
'Kijk, zulke gympen kunnen wel,' zegt lieftallige, met een goedkeurend knikje.
'Wat vind jij van mijn schoenen? Vind je ze gewoon lelijk of zo lelijk dat ze weer mooi worden?'
Nog voor hij kan antwoorden, zegt lieftallige: 'Het zijn goedkope tennisschoenen.'
Als ze niets had gezegd, of had gezegd dat ze duur waren, had hij ze misschien wel zo lelijk gevonden dat ze weer mooi worden, maar nu vindt hij ze gewoon lelijk. Met name de gaatjes op de neus van de schoenen vindt hij niet geslaagd.
Even later ben ik bij mijn zus, wier smaakoordeel ik blind vertrouw.
Ik zwaai een van mijn tennisschoenen op tafel.
'Niet met de schoenen op tafel!'
'Maar wat vind je van mijn schoenen?'
'Ik heb niks met sneakers,' zegt ze.



Mislukte misantropie



Als ik aanbel bij de buurvrouw met de open gordijnen – ik zie haar zitten, met haar rug naar mij toe, op de bank – doet ze niet open.
Ik kom haar man, De Blinde Fotograaf, ophalen om hem op zijn verzoek te begeleiden naar de borrel van AtlasContact, zijn uitgever, op de Prinsengracht. Ik sputterde aanvankelijk tegen, onder het mom van 'wat moet ik op jouw borrel?' en: 'trouwens, ik ben een misantroop', maar hij wist me te vermurwen. 'Misschien kom je nog iemand tegen,' zei hij. 'Een leuke redactrice of zo.' Maar hij is niet thuis, realiseer ik me, hij zit op kantoor; ik zal hem tegemoet moeten reizen met de tram.
Eigenaardig: aanbellen en op twee meter afstand de aangebelde zien zitten die doet alsof er niet is aangebeld. Misantropie? Niet thuis geven was nog nooit zo doorzichtig, behalve in die cartoon die ik me herinner uit The New Yorker, waarin een echtpaar spontaan aanbelt bij vrienden, die zich achter de bank blijken schuil te houden.
Als ik Hannes 's avonds weer aflever na de borrel, – ik kwam inderdaad iemand tegen –, en bij de buurvrouw informeer naar haar afwezige reactie op de deurbel, zegt ze: 'Ik dacht dat het de bezorger was van een trui die ik had besteld maar die ik eigenlijk helemaal niet wil hebben.' Ze lacht. Ik vertel haar over de New Yorker cartoon. Daarop memoreert zij een verhaal van Carmiggelt, waarin een stel spontaan langsgaat bij vrienden die daar geen zin in hebben en ter plekke voorgeven dat ze op het punt staan op familiebezoek te gaan in Baarn. 'Oké, dan brengen we jullie wel even naar het station.' Het liegende stel laat zich naar het station brengen en op de trein naar Baarn zetten. 'Veel plezier en tot gauw!'