Saturday Night At The Movies




It was 9.30 PM. Just when my wife had gone to bed, my ten year old son slipped out of his room to join me on the couch. It was as if he smelled that I was going to try out our new beamer. My wife bought this gadget in order to help us get through the Corona Crisis. Every night we look forward to watching a movie on the big screen, but we're exhausted.
But now it was Saturday night. I played a YouTube compilation of T. Rex scenes from Jurassic Park (with the sound off, as not to disturb my wife). Soon enough the jaw of a huge greenish creature is chomping away in our living room. It is raining hard. Two kids are upside down in a car spinning on its roof. T. Rex comes closer, attacks. The adults in the other car do nothing. T. Rex chews on the tires of the car, one by one he is biting them off. Finally, one kid manages to wrestle himself out from under the flattened roof. The other kid is stuck.
'Dad, can we watch something else?' my son said. 'This is boring.'
I wondered what I would have said to my dad when we saw Hitchcock's Psycho together. (We never did.)
Fortunately, I stumbled upon a live feed from the International Space Station, with a breathtaking view of the planet.
No response from my son. 'Listen, do you understand what this is? We're moving at an altitude of 400 kilometers, at 27.000 kilometers per hour. We're now right above the Indian Ocean.'
He was not impressed.
My last hope: a nature documentary. We've watched nature documentaries together in the past, on a regular screen, and we talked about what we saw, which was nice. This thing on YouTube was something like the best of Planet Earth. Ten minutes. Viewed by millions of people. And indeed, it is spectacular: mountain tops, icebergs, clouds blowing through valleys at high speed.
Meanwhile, my home movie theater companion yawned. I sent him to bed.
This morning, when we are having breakfast, my son tells me he had a nightmare.
'Really?'
'Yeah, it was about you and me running from monsters. They almost got you, dad. But I saved you.'
What a relief.

Gevecht met de apparaten



Teerbeminde heeft €5 betaald om online een concert bij te wonen in de Noorderkerk, maar ze kan niet inloggen via Facebook.
Ik had een Vimeo-app gedownload om Re:Born te kunnen bekijken, een dansfilm van Annemijn Rijk,  ik verheugde me erop die op groot scherm te zien (de boekenkast is verdwenen ten gunste van de huisbioscoop) voor €1, maar mijn beamer wil niet communiceren met Apple TV.
Eindelijk krijgen we de beloofde piano-recital van Martin Oei live op de telefoon. Aansluiten op het bluetooth boxje dat ik bij Mediamarkt had gescoord? De telefoon herkent het boxje niet.
Als de corona-crisis iets heeft ontketend in mijn huishouden, is het een gevecht met de apparaten. Ik struikel over de voedingsdraden van geleende laptops voor de kinderen. Diezelfde kinderen schreeuwen moord en brand als de iPads die nacht per ongeluk niet zijn opgeladen. En sinds ik braaf de corona-check-app van de OLVG heb gedownload, ben ik oprecht teleurgesteld als ik een dag eens niet word opgeroepen om toch vooral mijn 'waarden' door te geven.
Aan het begin van de quarantaine werd lollig bericht dat de vraag naar seksspeeltjes was toegenomen en dat er een baby boom werd verwacht over negen maanden. Ik geloof daar nix van. We zijn veel te veel met onze apparaten bezig in plaats van met elkaar. We verwachten allerlei heil van onze apparaten, maar die heil is eindig en dikwijls gemankeerd.
Nu geldt dat uiteraard ook voor de bevrediging der lusten, maar als het goed is zit daar nog iets meer bij.
Het zin maken lukt even niet meer.
Ik verwacht pas een orgie als het einde in zicht is, een beetje zoals bij de bevrijding.

Feiten en fantasie

Jorge Luis Borges

Toen ik de eerste paar pagina's uit de dummy van mijn nieuwe roman had voorgelezen – ik zag het gezicht van mijn moeder steeds verder betrekken – riep ze uit: 'Vermoeiend hoor! Ik vind het nogal veel allemaal. Ik moet het even verwerken.' Ze nam een slok witte wijn.
Mijn vader nam ook een slok witte wijn.
Ik klapte de dummy dicht en nipte aan mijn witte wijn. Ik weet niet precies wat er zo komisch aan was maar het lukte mij niet een lach te onderdrukken.
Mijn vader zei vanuit zijn vaste stoel in de hoek van de kamer (op tenminste drie meter afstand): 'Ik heb geen fantasie. Dat zat niet in mijn opvoeding.'
Het is een terugkerend thema in zijn reactie op mijn werk: waar ik het toch allemaal vandaan haal. En: dat hij dat nooit zou kunnen. (Terwijl ik vind dat hij heel aardig schrijft. Mijn pogingen om mijn vader aan het schrijven te krijgen blijven evenwel vruchteloos.)
'Dat is wel waar,' zei mijn moeder, 'fantasie kun je niet leren. Die heb je of heb je niet.'
'Onzin,' zei ik. 'Iedereen heeft fantasie. Je kunt leren om die te gebruiken. Kwestie van oefening.'
'Dat komt door mijn opvoeding,' herhaalde mijn vader.
'Er is durf voor nodig om je fantasie te gebruiken. Het is veel veiliger om bij de feiten te blijven. En guess wat, hierin lijk je op de meeste mannen. De meeste mannen zoeken hun heil bij feiten. Terwijl ik geloof dat een belangrijk deel van de troost van verhalen juist ligt bij de fantasiewereld die ze oproepen. Feiten troosten ook, zeker, maar fantasie troost op een andere manier. Fantasie neemt je mee naar een andere wereld, verleidt je, betovert je... als het goed is. Maar dat gevoel moet je toelaten. Vrouwen laten het over het algemeen makkelijker toe dan mannen.'
Ik was weer lekker op dreef. Misschien kwam het door de wijn.
'Wij hadden in het kamp alleen maar feiten,' zei mijn vader. 'Er was geen plaats voor fantasie.'
Ik keek naar mijn vader, inderdaad de grootste rationalist die ik ken.
'Ik hou ook van feiten,' zei ik. 'Feiten zijn heel belangrijk, maar fantasie biedt uiteindelijk meer troost, denk ik.'
'Ligt eraan,' zei mijn vader.

In The Paris Review een interessant interview met Borges. Volgens Borges is fantasie een intentie.


Risico managen

Sandro Boticcelli: Sint Sebastiaan, een van de zes pestheiligen


Het is officieel: ik ben één handdruk verwijderd van een corona-dode. Statistieken zijn een ding, individuele gevallen een ander. Statistieken verspreiden een angst die ik abstract zou willen noemen, een dodelijk slachtoffer in mijn kennissenkring doet me daadwerkelijk sidderen.
Heel even.
Moet ik me nu meer zorgen maken? Nee, omdat de handdruk alweer van lang geleden dateert, en ik, daar zijn de statistieken weer, niet ziek ben (over mijn geest hebben we het niet) en niet tot de risicogroep behoor. Ik schat mijn kans om te overlijden bij besmetting op 1 procent. Dat is niet weinig, maar het is ook niet, nou ja, veel. Toch wil ik nog niet dood. Zo ben ik dan ook wel weer.
Was het verstandig om vandaag mijn ouders te bezoeken om, zoals beloofd, hen aan te sluiten op de wondere wereld die Netflix heet zodat ook zij Marriage Story kunnen bekijken, de nieuwe film van de nieuwe Woody Allen, Noah Baumbach?
Nee en ja. Nee, omdat de overheid elke onnodige verplaatsing van mensen afraadt, zeker niet door brandhaard Brabant, en mijn ouders wel degelijk tot de risicogroep behoren. Anderzijds heb ik geprobeerd zo veel mogelijk bij mijn ouders uit de buurt te blijven (probeer dat maar eens bij mijn moeder) en mijn handen veel te wassen en hen te bewegen hetzelfde te doen. Schrijf ik dit stukje om mijn angst dat ik mijn ouders heb besmet en wellicht vroegtijdig de IC en daarna de EJ (eeuwige jachtvelden) in heb gestuurd uit te smeren over mijn lezers? Ja en nee. Ik geloof dat er een kans is dat ik mijn ouders onvrijwillig heb geëuthanaseerd, maar tegelijk geloof ik dat die kans klein is. Heel klein.
Leven is het managen van risico's. Wat dat betreft zijn we allemaal day traders. We proberen iets uit onder onvolledige informatie, zonder alle mogelijke uitkomsten te weten, en hopen er het beste van. Toch kun je de goden ook tarten. Dat hoop ik in dit geval niet te hebben gedaan. Ik zal me voor de zekerheid tot de zes pestheiligen wenden en een schietgebed doen.

Amuse in Febo-bakje



Patronizing a store is een mooi concept dat ik me uit Amerika herinner; volgens mij is er geen goede Nederlandse vertaling voor. Ondersteunen, beschermen, bevoogden klinkt toch anders. Schever. Patronizing is meer zoiets als vriendschap sluiten met een winkel. Waarom zou je zoiets doen? Wel, omdat je die winkel sympathiek vindt bijvoorbeeld. Waarom zou een winkel sympathiek zijn? Omdat de winkel goede spullen heeft en mensen je op een prettige manier helpen.
Een vriend of kennis hebben met een winkel vergemakkelijkt het patronizen. Zo bestelden we gisteren twee drie gangen maaltijden bij Kaagman & Kortekaas (wij kennen Kortekaas).
Toen ik om 8 uur 's avonds het restaurant aan de Sint Nicolaassteeg binnenliep, herinnerde weinig aan de sfeervolle tent van vroeger. Een oorlogsopstelling: het personeel achter dubbele tafels, en een kleine wachtruimte voor de clientèle.
Wie bij de Febo een frikandel bestelt en die mede naar huis vervoert, kan verwachten dat die frikandel ongeveer in oorspronkelijke (hooguit iets afgekoelde) staat arriveert, maar bij K&K, dat in een ander segment opereert, leek mij het afhalen wat spannender.
De papieren tassen met de maaltijden wogen weinig vergeleken bij Indiaas, of zelfs Japans: een goed teken.
Toen we aan tafel gingen bleek het voorgerecht (biet, burata en witte voorjaarstruffel) zich op te houden in een hoek van de container. Kwestie van herschikken. We vonden ook nog een heerlijk soepje (dat nog warm was) en een amuse, inderdaad, in een febo-bakje. Een amuse in een febo-bakje is zoiets als een trouwring in een luciferdoos, maar in tijden van oorlog moet je niet zeuren.
Het toetje, eclair met schorseneren en lambada aardbeien en ricard, was wat soggy geworden, misschien was het geheel wat door elkaar geschud tijdens de rit naar huis, maar het smaakte nog steeds verrukkelijk. Nee: verrukkelijker. De jonge god(in) die doorgaans bij K&K serveert, moesten we er bij denken.

Statusrapport N.



Hoe het met N. gaat? Naar omstandigheden goed, zou ik willen zeggen, maar dan lieg ik. Het is namelijk nog nooit beter met haar gegaan. Dat ze nog niet eens zo lang geleden in het ziekenhuis lag met NIET REANIMEREN op haar voorhoofd geschreven; dat ze kwakkelde, wankelde en viel; het lijkt tot een ver, boosaardig verleden te behoren. Als ik haar zo zie aanliggen op de bank in haar bibliotheek – zo valt haar etage aan de gracht toch het best te omschrijven –, met La Peste van Camus op schoot (een F-N woordenboek zei ze niet nodig te hebben maar had ik voor de zekerheid toch maar binnen handbereik gelegd), vraag ik me af wat er in vredesnaam nog aan dit plaatje te verbeteren valt. De zon valt met bakken naar binnen. We lunchen genoeglijk aan haar bureau, keuvelend over zaken als:
* Het matige retorische talent der Nederlandse politici (volgens N. was Den Uyl een goede, maar zijn rede tot de natie logenstraft dit; Joop klinkt nog het meest als een oom die maar blijft doorzagen over hetzelfde onderwerp, jaha oom, zou je naar het scherm willen roepen, jaahaa. Zoals bij Rutte en W.A. vraag je je af: waar is het Grote Verhaal, waar is de verbeelding?);
* De kliniek in Scheveningen waar N. is geboren;
* De dochter in Londen met tips over hoe je het uit moet houden met zijn tweeën in quarantaine ('haal er een derde bij en geef die de schuld van alles');
* Of het toegestaan is, auteursrechtelijk en anderszins, dat Wessel te Gussinklo de titel van zijn roman De hoogstapelaar zo overduidelijk ontleende aan Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull van Thomas Mann (antwoord: uitgever noch auteur hoeven zich iets te verwijten);
* Onze spontane uitvinding: hoepelrok met een straal van 1.5 meter. Verplicht te dragen wanneer men de straat op gaat. Te ontwerpen door Viktor... & Rolf, verkrijgbaar bij Lidl. Niet dat N. die gaat dragen, want ze heeft geen  e n k e l e  behoefte om naar buiten te gaan. Waarom zou ze?

Me time



Net heb ik mij geïnstalleerd in de trein op Den Haag Centraal, – ik klap mijn laptop open, verheug me om eindelijk weer eens wat te werken – of er stapt een luidruchtige dronkenlap in.
'Godverdomme waar is iedereen?' zegt de man in plat Haags. Hij heeft een muts op, een shaggie in zijn mond en hij zwaait met een fles witte wijn in het rond. Hij gooit zijn rugzak op de bank en gaat aan de andere kant van het gangpad zitten, zoveel beschaving heeft hij dan nog wel. 'Zit je lekker achter je computer? Je hebt toch geen last van me? Hé, heb je een probleem of zo?'
Ik probeer hem te negeren. Dat lukt vrij aardig. Hij pakt zijn rugzak en gaat achter me in de eerste klas zitten, op de rode bankjes.
Ik concentreer op me op mijn tekst, maar ik heb geen inspiratie. Een conducteur komt de trein binnen en bemoeit zich onmiddellijk met de man op de rode bankjes.
'Meneer, mag ik uw vervoersbewijs zien? U zit in de eerste klas.'
Onverstaanbaar protest. Tierend komt de conducteur de eerste klas-coupé weer uit. 'En haal je gore rotpoten van de bank af zwijn!'
Ik had me deze me time anders voorgesteld.
De man zeilt mijn coupé weer in. Nadat hij me een dodelijke blik heeft toegeworpen met die ongeschoren tronie van hem, stort hij neer bij een jong stelletje, dat bij binnenkomst ook al had geprobeerd grappig te zijn; hij althans, met de dead pan vraag, aan mij gesteld (er was niemand anders): 'Gaat deze naar de Efteling?'
Het meisje voert een gesprek met de dronkelap. Ik wil er niet naar luisteren, maar er zit niets anders op. De man is dakloos. Wilde bij zijn vriendin intrekken, maar die doet de deur niet meer voor hem open. Zijn moeder, zegt hij, heeft nooit van hem gehouden. En nu is hij op weg naar 'destination unknown'. Goed verhaal.

Wat je zou willen



Je zou willen dat je problemen werden weggevaagd, dat je zorgen zouden verdampen, dat je moeilijkheden met de Grote Moeilijkheid in een klap verdwenen. Je zou willen dat nu alles anders werd. Niet alleen hygiënisch, epidemiologisch, quarantaine-technisch, maar je hele leven, dat je hele leven in een ander licht zou komen te staan, dat je nu eindelijk aan dat nieuwe hoofdstuk zou kunnen beginnen, omdat de urgentie nog nooit zo hoog is geweest. Je zou wensen dat de handelingen die eerst zinloos leken, nu langzamerhand betekenis kregen. Je zou hopen dat het Grote Drama jouw eigen Kleine Drama gunstig beïnvloedde. Je zou hopen dat omdat iedereen in de shit zit, jij wat minder in de shit zit, omdat je al in de shit zat. Je zou verwachten dat als iedereen in paniek is, jij helemaal niet in paniek bent, omdat je al in paniek was over iets anders, iets dat je aan niemand durft te vertellen. Je zou denken dat jouw eenzaamheid minder werd omdat je onderdeel bent geworden van een grotere eenzaamheid, weliswaar een naargeestige eenzaamheid, geen melancholische, maar toch. Lotgenoten heb je plotseling overal en nergens, je zou hopen dat dat een band schiep, dat dat je saamhorig maakte, maar niet alleen dat, dat die saamhorigheid je zou afleiden van je onderliggende noodlot, dat je al jaren, misschien wel decennia, achtervolgt. Je zou hopen dat jouw lot werd afgeleid door het grote lot dat iedereen treft; dat jouw lot zichzelf eventjes in de wacht zou zetten, zichzelf misschien wel zou deleten. Je zou hopen dat als alles relatief is, dit nieuwe paradigma ook voor nieuwe relativiteiten zou zorgen, voor nieuwe verhoudingen, veranderingen van kansen, mogelijkheden. Je zou willen dat als dit alles voorbij is, jouw wereld er anders uitzag.

Borrelen zonder besmetting



Vrijdagmiddagborrel nieuwe stijl. Ik heb mijn telefoon op een statief gezet en proost naar Nieuwe Vriend P. op het schermpje. 'Ik geloof niet dat ik ooit in mijn leven geproost heb naar iemand op een telefoon,' zeg ik. Hij ook niet. Hij vertelt dat hij voor het eerst beeldgebeld (gebeeldbeld?) heeft met zijn moeder. Ze wist nauwelijks dat het mogelijk was maar ze vond het erg leuk.
Als ik mijn eigen moeder voorstel om te facetimen, skypen of wat er verder nog voor middelen zijn om elkaars gezichten tevoorschijn te toveren, zegt ze: 'Dat vind ik niks. En ik word er onrustig van. Ik weet toch al hoe je eruit ziet?' 'Dus je wilt dat als ik ooit nog een keer bij je langskom achter een scherm ga zitten?'
Het online in real time ouwehoeren met Nieuwe Vriend P. loopt gesmeerd totdat het beeld vastloopt om daarna in hoog tempo de verloren tijd in te halen. Ik wou dat tête à têtes ook zo werkten. Maar wacht, zo werken ze ook, in mijn hoofd...
Daar is ie alweer, P., en nu loopt hij synchroon. Hij heeft altijd verhalen, daarom houd ik van hem. Zoals het verhaal over de Chinees die de autoriteiten belde met corona-achtige klachten. Een half uur later hoort hij hoe zijn huis van buiten wordt dicht gelast. Oké, dat was misschien fictie. Geen fictie: de vriendin die het allerlaatste vliegtuig naar Marokko had genomen, met de waarschuwing: misschien wordt het lastig om terug te vliegen. Die waarschuwing had de vriendin in de wind geslagen. Nu zit ze in het aller-allerlaatste vliegtuig terug naar Nederland. Mazzel. Ik stel me zo voor dat er mensen aan de vleugels hangen van dat vliegtuig, zichzelf hebben verpakt in een koffer...
Nieuwe Vriend P. zijn Nieuwe Vriendin komt er ook bij zitten, – gezellig –; lieftallige maakt plaats voor haar jongere versie: de Keizerin van Kusland, die trots vertelt over haar vorderingen op blokfluit (sic).
Vlak voordat de verbinding wordt verbroken, maakt P. nog een grimmige vergelijking die eigenlijk helemaal niet zo vergezocht is: deportatie.
We zitten met zijn allen op onze deportatie te wachten.

Geschiedenis van het beeldbellen. Die droom bestond al lang.