Moord in de Morvan (2)



Waar ging dit naartoe? Ik bedoel, waarom moest er zonodig weer iets gebeuren? Ik was net flink op dreef met een roman, toegegeven: zo driftig als ik schreef aan mijn debuut twintig jaar geleden werd het niet meer, maar toch, ik had een hekel aan reizen, 'reizen is slechts het verplaatsen van het probleem' had ik ooit geschreven, en nu had ik ja gezegd tegen een trip naar Frankrijk. Ik stond zelfs op het punt te vertrekken. Bij elke opdracht die ik aannam, en ik had eerder opdrachten aangenomen, wie er prat op gaat subsidieloos door het leven te gaan, is gedwongen tot het aannemen van opdrachten, paste ik een simpel principe toe. Ik moest één afspraak hebben. Pas dan kon ik op pad. Bijgeloof ongetwijfeld, maar laat mij nu maar bijgelovig zijn. U, lezer, mag een glasharde rationalist blijven, een koele logicus; voor iemand als ik is het beter er hier en daar wat bij te geloven. Noem het ankerpunten. Als ik die niet heb val ik de diepte in.
De troep betreffende ir. Van Lommeren die de bevriende advocaat me had toegestuurd, met de groeten van de zoon, had ik niet eens ingekeken. Dat kon allemaal wachten. Het enige wat ik had gedaan, behalve een hotelkamer boeken in het dichtstbijzijnde dorpje, was een afspraak maken met de plaatselijke historicus, monsieur Latour (zijn naam vond ik op een ontroerend slecht vormgegeven maar uiterst informatieve website). Ik zou hem dit weekend treffen, bij hem thuis nog wel, in een of ander gehucht, voor een diepgravend gesprek over de Morvan. Ik vertelde hem dat ik op zoek was naar achtergrond over de streek. Geen toerisme. Alstublieft niet, zeg! Nee, het ging me om de geschiedenis, de aardrijkskunde, de archeologie, enzovoorts enzoverder. Althans, zo had ik het in een email aan de heer Latour beschreven. Hij hapte meteen. Ik mocht langskomen wanneer ik maar wilde, hij zou me alles vertellen wat hij wist.
O, de gretigheid van de connaisseur...!
De ervaring leerde dat hoe dieper ik erin dook, hoe meer omtrekkende bewegingen ik maakte, hoe dichter ik bij de kern zou komen. Alleen idioten gaan recht op hun doel af.
Ik pakte mijn spullen – een weekendtas met makkelijk zittende kleren, een net pak (je wist nooit), een stiletto in de vorm van een vulpen (idem), een gare laptop, een paar boeken (Moby Dick herlees ik elk jaar wel eens), de Guide Michelin en de Gault-Millau, een schetsblok – prepareerde mijn oude BMW motor (met zijspan, daar ging de bagage in), en weg was ik, naar het verhaal dat nog geen verhaal was, alleen een premisse.

Moord in de Morvan (1)



Een bevriende advocaat wilde weten of ik nog iets te doen had deze zomer. Ik zei nee hoezo. Hij zei dat hij nog wel een lead had voor me. Wat dan. Nou een sterfgeval, zei hij. Een bijzonder sterfgeval. Ik zei dat er zoveel bijzondere sterfgevallen waren of hij niet wat specifieker kon zijn. Dat kon hij wel. Het ging om een Nederlandse ingenieur in de Morvan, Frankrijk, Van Lommeren heette hij, die onder verdachte omstandigheden was overleden een paar jaar geleden. Hoe dan? Hij was verdronken in een afgelegen meertje. Maar we kunnen toch allemaal wel verdrinken, als we even niet opletten? Zeker, zeker, zei hij, maar deze man lette altijd op, dat was juist een van zijn niet zo'n sympathieke karaktertrekjes, dat en dat hij door zijn zakelijk succes de indruk wekte boven de rest te staan. Bovendien: hij zwom vaak en fanatiek. En zijn vrouw, een Nepalese beauty die hij via internet aan de haak had geslagen, en die hem twee bloedjes van kinderen had geschonken, woonde nu keurig netjes in het chateau, met een rode Tesla in de ene en een grijze Tesla in de andere garage. Dus? vroeg ik. Dus dit, zei hij: de zoon van die ingenieur, uit een eerder huwelijk, vroeg mij of ik nog ideeën had. De politie bellen? Hebben ze destijds gedaan. Veelvuldig zelfs, tot aan Interpol toe. De Franse politie zag er niets in, die was zo klaar, en de Nederlanders zeiden dat ze wel wat beters te doen hadden. Letterlijk? Ja, zoiets. Toen heeft die zoon Van Lommeren nog een privé-detective ingehuurd, wel een goede, ik werk ook wel eens met hem, maar die kon ook niets vinden, maar die spreekt dan ook geen Frans, en met Nepalese vrouwen weet hij al helemaal geen raad. Toen dacht ik aan jou, Paul. Aardig van je, maar wat zou ik kunnen doen in deze? Ik zou zeggen: ga er eens heen. Jij zoekt toch afleiding? Jij bent toch permanent verveeld? Zzo zou ik het niet willen noemen. Ik betaal je vorstelijk. O. Er is die zoon echt veel aan gelegen dat er beweging komt in deze zaak. Het zit hem niet lekker. Dat kan ik me voorstellen. Die erfenis kan hij naar fluiten? Dat is inderdaad een dingetje, maar het gaat hem vooral om het principe. Hij was dol op zijn vader? Niet bepaald, maar daar gaat het nu niet om. Hij wil dat de waarheid boven tafel komt, gerechtigheid enzovoorts, en toen zei ik, dan bel ik Paul, een schrijver die ik ken. Die komt altijd wel iets te weten. En hij schrijft het vlot op. Een plus een is twee. Wat goed dat je nog kan tellen. Ik stuur morgen wat foto's, emails en andere relevante shit jouw kant op en dan zie je maar. Je mag fors declareren. Dat is aardig van je. Ik begin me te verheugen. Dat zou ik ook doen in jouw geval Paul. Misschien zit er nog wel een novelle in of zo, jij was anders toch zo ongeveer uitgeschreven?

Koken



'Ik heb nog nooit in mijn leven gekookt.' Het kwam er terloops uit tussen twee happen door, tijdens de lunch in het restaurant dat ons drie maanden had moeten missen. Voor N. was het een gegeven, een natuurwet, maar ik schrok er van. Ik geloof niet dat ik veel vrouwen ken, en al helemaal geen moeders van haar generatie, die niet zonder trots kunnen verklaren dat ze nog nooit in de keuken een maaltijd hebben bereid, voor zichzelf, of voor wie dan ook.
In New York was het anders, daar ontmoette ik in de jaren negentig voor het eerst vrouwen en mannen, mannen en vrouwen, het geslacht deed er niet toe, die nooit kookten, hun keuken alleen gebruikten om een kant en klaar maaltijd op te warmen, slechte koffie te zetten of left over sushi in de ijskast te bewaren. De logica daarachter was niet alleen luiheid trouwens. Uiteten, of afhalen was in die stad destijds zo goedkoop en goed (bijvoorbeeld behoorlijk Indiaas eten, dat lukte al voor 6 dollar), daar viel niet tegenop te koken. Maar er was nog iets anders aan de hand: je kookte ook nooit voor anderen. Je nodigde nooit iemand uit om voor te koken. Wat je deed was iemand mee uiteten nemen. En hoewel ik graag uiteten ga, liefst ook op andermans kosten, geloof ik dat ik me minder geliefd zou voelen als niemand meer voor me kookte, en ik nooit meer voor iemand mocht koken.
N. leidde samen met een andere vrouw een van de eerste all female advocatenkantoren van Nederland, dus vreemd was het niet dat het koken erbij in schoot.
Ik ken tamelijk veel werkende stellen waarvan de man vrijwel uitsluitend in de keuken staat. Vrijwel, dus die vrouw kookt ook wel eens. Laat staan dat deze vrouwen er prat op zouden gaan dat ze nog nooit in hun leven hebben gekookt.
Ik vraag me af hoe feministen tegen deze zaak aankijken. Ze zullen toejuichen dat de werkende vrouw of moeder niet automatisch meer in de keuken staat. Aan de andere kant hebben we te maken met het toch behoorlijke prestige dat culinaire know how met zich meebrengt. En dus de ontegenzeggelijke liefde die door de maag gaat, ook en vooral bij kinderen.

Anti-racisme debat



Al zappende bleef ik hangen bij Politiek 24, en ik viel middenin het anti-racisme debat (van afgelopen woensdag). Lodewijk Asscher, mijn volksvertegenwoordiger (ik heb meermaals op hem gestemd), was bezig zich te verweren tegen aanvallen van eerst Geert Wilders en daarna Farid Azarkan. Ik vond het boeiende televisie. Sterker, ik kan me niet herinneren ooit zulke boeiende politieke televisie, uit de Tweede Kamer althans, te hebben gezien.
Asscher stond er wat gespannen bij, vond ik, in zijn krappe kraag en strakke das, maar zo vaak zie ik hem ook niet, dus misschien was dit zijn normale stand.
Geert Wilders stond aan de interruptie-microfoon zijn stokpaardje te berijden. Hij leek bijna in slaap te vallen terwijl hij praatte. Hij draaide de zaak gewiekst om. In plaats van mee te huilen met de wolven over het racisme in Nederland, zei hij (ik citeer uit het hoofd): het anti-racisme debat is een belediging van de Nederlanders want zij zijn helemaal niet racistisch.
Interessant: Wilders betoonde zich expliciet tegenstander van discriminatie. Wat, had ik dan verwacht dat hij openlijk zou uitkomen voor een soort white supremacy-denken? Nou nee. Hij is slim genoeg om in te zien dat hij zich daar alleen maar belachelijk mee zou maken. (Onduidelijk waarom 'vervelend ventje' Baudet niets had in te brengen over 'institutioneel racisme', althans ik heb hem niet voorbij zien komen, misschien had hij een boreale knuppel in het hoenderhok kunnen gooien).
Niet verwonderlijk maakte Asscher makkelijk korte metten met Wilders' argumentatie.
De hardste aanval tegen Asscher kwam echter van Farid Azarkan van Denk. Deze volksvertegenwoordiger verweet Asscher hypocrisie. Ja ja, nu maakte hij goede sier, wilde hij maar zeggen, met een groots anti-racisme gebaar terwijl hij systematisch moties had weggestemd die concrete verbeteringen op dat punt beoogden (ingediend door, u raadt het, Denk).
Hij wilde er een wedstrijdje van maken, Azarkan, een wedstrijdje wie het meest anti-racistisch is.
Asscher werd emotioneel, fel. Hij besloot in de tegenaanval te gaan en beschuldigde Azarkan zelf van valse verdachtmakingen, etnisch profileren en mensen gelijkstellen aan hun afkomst.
Het kan verkeren. Azarkan is zo niet een product van de PvdA, dan toch van het gedachtengoed van die partij. Een vader die aangevallen wordt door een van zijn kinderen, daar had deze confrontatie toch het meest van weg. Vader bijt van zich af. Kind druipt af. Fascinerend.

Rachmaninov

Rachmaninov met zijn oudste dochter Irina


Gisteren was ik de gelukkige recipiënt van een mini privé-concert door Daria van den Bercken in haar studio in een statig pand aan de Amstel. Met corona had deze setting niets te maken, wel met een 'piano solo overweging' die ze in voorbereiding heeft, waarin de vraag centraal staat: wat verwacht ik van de natuur?
Ja, wat verwacht ik van de natuur? Goede vraag. Veel tijd om erover na te denken kreeg ik niet, want mijn gedachten gingen uit naar Rachmaninov, want dat was wat Daria speelde. Je mag er geloof ik niet voor uitkomen, maar ik ben verliefd op Rachmaninov. Dat bedoel ik tamelijk letterlijk. Ik werd omver geblazen, toen ik, op mijn zestiende schat ik, voor het eerst de Tweede Pianosonate, uitgevoerd door Vladimir Horowitz, op de pick up legde. Ik kan me die handeling nog goed herinneren, het statische getik van het vinyl uit de hoes, de naald in de groef met het welbekende knapperend haardvuur en dan die bulderende beginakkoorden. Wie zichzelf geen romantiek toestaat is een dief van zijn eigen hart. Zouden er mensen zijn die zich niet kunnen laten meeslepen? (Ik ken er genoeg die dat niet van zichzelf mogen.) Een paar jaar later, toen ik weggeblazen werd door David Lean's klassieker Brief Encounter, waarin Rachmaninov weer mocht bulderen, maar nu dan het Tweede Piano Concert, was ik opnieuw verliefd. Maar in Kikkerland mag je geen romanticus zijn. Dan ben je een aansteller, een melodramaticus, een pathetische idioot. In Kikkerland geldt: geen dag zonder Bach, en een algeheel verbod op emoties.
Je gelooft het niet, maar ik werd wederom verliefd. Ik was vergeten hoe magistraal deze componist het groots en meeslepend levensgevoel vertolkt, de klankkleuren, akkoorden en figuren die hij daarvoor gebruikt. De kleine herhalinkjes, de pijlsnelle motiefjes, de virtuoze notenwolken, de sombere en dan weer lichte toets, en altijd de verrassing. Rachmaninov verrast je, telkens opnieuw, zoals een ware geliefde daartoe in staat is.
'Misschien kun je het zelf spelen,' suggereerde Daria na afloop (ze is korte tijd mijn pianolerares geweest).
Ik dacht dat ze een grapje maakte, maar ze meende het.
Ik laat het spelen van Rachmaninov graag aan haar over. Laat mij maar voelen, daar heb ik het druk genoeg mede.

Troostborrel



Op de troostborrel van De Parade, in de Tolhuistuin, zat ik in mijn eentje aan een tafeltje voor twee. Her en der waren groepjes Parade-oudgedienden diep in gesprek. Wat deed ik hier? Het makkelijkste antwoord zou zijn: niets. Elders zou ik ook niets doen. Jazeker, ik zou dit jaar debuteren als liefdes- en haatbrievenschrijver op bestelling, maar dat werd kortgesloten door een wet market (het woord alleen al) in Wuhan. Deo volente, insjallah en b'ezrat hashem wordt het programma doorgezet naar 2021, dus troost is niet op zijn plaats (een borrel daarentegen vrijwel altijd). Ik begon aan mijn tweede blikje. Nog steeds had niemand de behoefte gevoeld zich bij mij te komen invechten. Ik ontdekte een andere Parade-noviet in Lucky Fonz III, die ik vagelijk 'ken'. Hij hanteerde een tegenovergestelde strategie. Hij zwierf door de tuin, rugzakje op de rug, en hoopte, net als ik, op aanspraak. Toen hij op mijn tafeltje af scheen te zwerven, werd in mijn geest dat eigenaardige mechaniek in werking gesteld om een taalhandeling te verrichten. Ik begon dus in zijn richting zijn naam uit te spreken, maar precies op dat moment (of was het een fractie later?), sprak hij zelf een groepje aan een belendend tafeltje aan, en was ik weer alleen. Niet getreurd, want ik ben graag alleen, alleen wordt de vraag wat men 'dan' onder de mensen doet iets pregnanter. Alleen drinken kun je overal, lukt zonder mensen erbij zelfs beter. Zou er een (sub)cultuur bestaan, vroeg ik mij af, waar het cool gevonden wordt om geen aansluiting te vinden bij 'de rest'? Waar je status ontleent aan je gebrek aan connecties? Dan zou ik graag tot die cultuur willen behoren – of nee, laat maar. De kwestie was inmiddels ook academisch geworden omdat ik in gesprek was geraakt met een hoogblonde, kortgerokte vrouw met felrood gelakte nagels (het zal niet waar zijn), die bovendien in het bezit was van staalblauwe ogen, heel lichte sproeten hoog op het voorhoofd en een ontwapenende manier van doen. Daphne Gakes heette ze. Theatermaakster. Onlangs gedebuteerd bij Mai Spijkers (aardige man, maar ze doen niets voor je, niets!). Ze had allerlei ideeën om mijn 'show' (ik wist niet dat ik een show kon hebben) minder arbeidsintensief en dus lucratiever te maken. Als ik me niet vergis heb ik haar het idee aan de hand gedaan te publiceren onder (mannelijk) pseudoniem. Niets revolutionairs, maar je moet er wel op komen. En dan bij voorkeur niet Jan Cremer. Hoewel...

Afgehakte penissen



'Ik zal Freud maar niet loslaten op die afgehakte penissen,' zei ik tegen N., terwijl we de trappen van Huis Marseille op en af waren gezwoegd om de foto's van Viviane Sassen te bezichtigen en terug naar haar appartement schuifelden. 'Nee, doe dat maar niet,' zei N. op de haar kenmerkende onderkoelde wijze.
N. heeft een Sassen in haar woonkamer hangen – een oude Sassen weliswaar, maar niettemin: een Sassen (hierop is Tommy Wieringa te zien, of beter gezegd niet te zien, omdat zijn gezicht schuilgaat achter een nogal hevig uitstekend bloemboeket) – dus ze was extra gemotiveerd om de tentoonstelling te bezoeken. De eerste post corona. Het bleek niet nodig om alle zalen van het monumentale grachtenpand af te rollatoren, aangezien in één bovenzaal alle foto's langskwamen in een diashow, waarvoor we, eerlijk is eerlijk, ook best thuis konden blijven (mits je een beamer gebruikt, niet meer dan zes personen binnenlaat en de lichten dooft).
De levensgrote dia's leken, als een virus, if you will, uit een hoek van de zaal te groeien. Op de linkermuur verscheen het origineel, en tegelijk schoof het spiegelbeeld op de aangrenzende muur voorbij. Een mooi, zij het obsceen, effect had dit (op mij). Maakt niet uit wat de foto voorstelt, zeg, een close up van een steen, als hij gesplitst, vanuit het midden, ontstaat, dan denk je (ik) al snel aan gapende lichaamsorganen, organen die tot gapen in staat zijn. Sassen heeft ook iets met anussen, meen ik. Hier en daar trok een geel geverfd anusje voorbij, een detail in het beeldhouwwerk. En neuzen. Ik was als een kind zo blij met het stickervel dat ik beneden in de giftshop aantrof met zes neuzen. Ik heb er meteen een over de aangevreten appel op mijn laptop geplakt (ik hou niet van aangevreten appels).
Blijvende indruk: afgehakte penissen.
Ter Sassens verdediging kan worden aangevoerd dat ze de penissen niet zelf heeft afgehakt. Ten minste, daar ga ik van uit. Het betrof hier immers close ups van mannelijke beelden uit de oudheid die in de loop der tijd hun geslacht waren kwijtgeraakt. Ja, moet je maar niet zo'n apparaat aan de buitenkant hebben hangen. Handen, voeten en neuzen waren om dezelfde reden kwetsbaar. Borsten en tepels van vrouwelijke torso's bleven vorstelijk buiten schot.



Een gevoel if there ever was one

Wolfgang Pauli op schoolgaande leeftijd. Ook een genie


Wie zijn gevoelens begrijpt, begrijpt zichzelf. Ik vermoed dat dit een levenslang project wordt. Pas wie tussen zes planken ligt, of in een urn zit, kan met enig recht zeggen dat hij zichzelf en zijn gevoelens begrijpt. (Over het begrijpen van de gevoelens van anderen wil ik het niet eens hebben.)
Bij mijn tweede kind had ik me voorgenomen me minder aan te trekken van het door hem behaalde niveau in het onderwijssysteem dat ook wel 'school' wordt genoemd. Of hij nu mavo, lavo of zavo zou gaan doen, ik zou evenveel van hem houden, en trouwens, wie weet welke skills er worden verlangd op de arbeidsmarkt van de toekomst? Voor hetzelfde geldt ziet Kikkerland het licht en krijgt hij een basisinkomen en mag hij de rest van zijn leven gaan gamen. Of hij daarvan gelukkig wordt, is een tweede, en daar beginnen, voor mij als vader, de zorgen.
Zo stelden Kletsmajoor, voorheen Kleine Leeuw, 11 jaar jong, en zijn moeder en ikzelf (wij zijn getrouwd, vandaar), ons achter de laptop op voor het zoom-gesprek met meester Grindr, voor het langverwachte Pre-advies. (Voor mensen die geen kinderen hebben: dit is het advies voorafgaand aan het schooladvies, op basis waarvan je vanaf groep 8 naar de middelbare wordt gestuurd.)
Hoe dat advies luidde? Het op een na hoogste. Dat vond ik teleurstellend, en mijn teleurstelling (een gevoel, if there ever was one) kwam ook naar buiten: hoezo niet het hoogste? zei ik. Hij doet het toch hartstikke goed? Hij is toch een fantastische leerling? Goed, wij zien ook wel dat hij soms wat slordig en lui kan zijn, maar voor de rest: geniaal.
Het kwam er nogal, nou ja emotioneel, uit.
Waar was mijn voorgenomen zen-houding ten aanzien van de schoolprestaties van De Jongen van wie ik Altijd zou Houden, Wat er ook Gebeurt?
Ik dacht aan mijn gedrag langs de lijn van het voetbalveld. Het spel kan mij gestolen worden, en ik weet als geen ander dat het om de lol gaat en niet om de score, en toch hoor ik mezelf semi-hysterisch mijn kinderen aanmoedigen en pijn in mijn hart bij een gemiste kans.
Voor wie er nog aan twijfelde, een kind is een verlengstuk van jezelf. Wie niet inzet op het hoogste voor zijn kind, doet niet alleen hem of haar maar ook zichzelf tekort.

De zelfkant van een eiland




Om 02.49 uur is er een regen van dode vogels die op de verwoeste aarde neerploft; alleen de gieren blijven biddend hangen aan de hemel. Plots schieten ook zij pijlsnel omlaag en steken vraatzuchtig hun kale kop in de karkassen van de gezwollen mensen en dieren. Wanneer de koppen weer naar buiten komen zitten er grote brokken ingewanden aan de gebogen snavels, druipend van bloed en vet. Op de ruïnes van de steden en dorpen krioelen de insecten met overladen magen tussen de ontvleesde menselijke en dierlijke lichaamsresten. De mieren verlaten nu hun verstoorde staten en trekken in ontelbare, geordende legers op voor de afstraffing. De oververzadigde gieren en insekten tussen de skeletten en riffen kunnen geen weerstand bieden en worden alle vernietigd. Wanneer deze vergeldingstaak is uitgevoerd, klampt elke mier zich aan een ander en na een rituele dodendans verwonden beide partners elkaar met hun mandibels pols en doen hun moordend gif in elkander overgaan. Niets leeft meer op het vasteland.
Ah, de bevrediging van het apocalyptische schrijven. Bovenstaande las ik aan het eind van 'De morgen loeit weer aan' van Tip Marugg. Als literatuur de lezer in staat stelt naar een andere plek te reizen die zij nog niet kent, zonder van haar krent te hoeven komen, dan is Marugg in zijn missie geslaagd. In nog geen honderdvijftig pagina's neemt hij je mee naar de zelfkant van een Caraïbisch eiland, naar een wereld die niet meer bestaat en tegelijk altijd heeft bestaan. Deze roman bevat vele parels. De jeugdherinneringen aan de naïeve priester-oom in Venezuela, die gevangenissen bezoekt. Of de boer die zijn arm in zijn moeizaam barende koe steekt, daarbinnen het vastzittende pootje van het ongeboren kalf rechtzet, en voor deze daad bedankt wordt met een lik over zijn hand van de moeder. Of de kijvende vrouwen uit het dorp die een geheel eigen methode voor conflict resolution hebben: ze stellen zich op aan weerszijden van de rivier en beginnen elkaar verrot te schelden. Dorpelingen kiezen partij. Als de woorden op zijn, volgt het moddergooien. (Zouden we hier ook moeten doen. Mediator onnodig.) Maar het mooiste beeld dat Marugg schetst is van de ik-figuur, een homo tragicus die zijn laatste nacht op de veranda doorbrengt met vier (elkaar hatende) honden en whisky en bier binnen handbereik. Is De morgen loeit weer aan de Nederlandse, of beter gezegd, de Caraïbische Under the vulcano? Misschien. Hoe dan ook: wie gaat dit meesterwerk verfilmen?

Droomdouche



Douchen is een vorm van goedkope en efficiënte zelf-therapie, wij maken er veelvuldig gebruik van, maar volgens A. kon de douche in de postzegelbadkamer beter. Omdat we een keer in een AirBnB huis hadden gelogeerd met een regendouche, tropische douche, nucleaire douche of noem maar op, werd dit haar nieuwe project. Op een dag bracht de post slordig ingetapete dozen. Daar bleek de droomdouche in te zitten die A. voor weinig op marktplaats had gescoord. Maar: hij paste niet, constateerde de zwarte loodgieter die ze voor de installatie had ingehuurd. De hart op hartmaat van de kraan kwam niet overeen met die van de waterleiding. Een lang verblijf onder het ouderlijk bed viel de droomdouche ten deel. Maanden, misschien een jaar, lag de douche stof te vergaren, totdat hij me dermate tegen de borst of eigenlijk de stofzuiger begon te stuiten, dat ik een poging ondernam om S-koppelingen te bemachtigen. Bent u er nog? Gaan douchen? Vanochtend kwam de door mij tegen volgens A. een bespottelijke prijs ingehuurde witte loodgieter met bijbehorende koppelingen. (Voor de goede orde, de witte loodgieter had een niet-witte compagnon, dus qua inclusie kan mij niets worden verweten. Hem ook niet trouwens.) Wat bleek: de S-koppelingen voldeden niet. Het bleek onmogelijk om de droomdouche te installeren in de postzegelbadkamer. Wat hadden we ook gedacht? Wacht even, zei de loodgieter, wat als ik er een andere kraan opzet die wel past? Die had hij nog wel in de winkel liggen. Klabang! Ieder markplaatsvoordeel was tegen die tijd verpulverd maar de grootste hindernis was genomen. Nu de tamelijk ingewikkelde douchestang voorzien van douchekop die nog het meeste weghad van een portobello-champignon met jeugdpuistjes. 'De originele ophanging ontbreekt,' zei de loodgieter. ARGH! In een vlaag van pragmatisme en ook om voor eens en voor altijd van het droomdouche-debacle af te zijn, spurtte ik naar de dichtstbijzijnde Praxis, kocht daar lukraak montagebeugels en die – hoera! – voldeden, mits versmald middels een stukje rubber uit de rubbermat die in de tuin ligt te verkruimelen. Jawel, we hebben hete regen. Alleen valt de druk tegen. Wie heeft er nog een zes liter combiketel?