Toegankelijkheid




N., N.'s rollator en ik proberen het Allard Pierson Museum binnen te komen, wat nog niet meevalt. Komende vanaf Hotel de l'Europe gaan we een deur in waarboven Allard Pierson Museum staat, maar die eindigt in een steile trap naar beneden. Even verderop verschijnt er een Allard Pierson-ingang met een hellend vlak naar beneden. Aantrekkelijk. Eenmaal bij de balie aangekomen, krijgen we te horen dat we de hoofdingang moeten hebben, aan het begin, of het eind, van de Oude Turfmarkt.
Eerst maar lunchen, besluiten we, dat kan daar beneden namelijk ook, in de nieuwe lunchroom. Die is, op een verdwaalde studente en een vergaderend drietal na, leeg. Al snel blijkt waarom. Eten en sfeer hebben iets weg van een gevangeniskantine. Service is überhaupt afwezig, maar de prijzen zijn er dan ook naar.
N. duwt haar rollator hetzelfde hellende vlak weer op naar buiten. Bij de hoofdingang stuiten we op het klassieke trapgewelf, dat ik me nog herinner uit mijn studententijd. 'U moet een ingang terug hebben,' zegt een ongeschoren jongeman met een oorbel.
'Daar komen we vandaan, we werden hierheen gestuurd.'
De ongeschoren jongeman is zo vriendelijk ons te begeleiden. Opnieuw het hellend vlak af, langs de portier die dus ongelijk heeft gehad maar ja, dan de lift in. Eindelijk kan het bezoek aan de tentoonstelling, over de Egyptische huisgod Bes, waarvan wij geen van beiden ooit gehoord hebben, beginnen.
'Ik heb in deze gebouwen dertig jaar geleden nog colleges gevolgd in de Griekse tragedie bij Van Erp Taalman Kip,' zeg ik.
N.'s ogen lichten op. 'Die ken ik,' zegt ze.

De mens is de taart die zichzelf bakt en opeet en het recept is scheiding.



Pas laat in Lanark, de Schotse klassieker van Alasdair Gray  – wat een geweldige auteursnaam trouwens, een pseudoniem waardig–, roept iemand, misschien toch de hoofdpersoon, nadat hij eindeloos naar een volstrekt onbegrijpelijke speech heeft geluisterd waarin de geschiedenis van de beschaving min of meer wordt 'samengevat', gehouden door een zekere, leugenachtige Lord Monboddo tot een tamelijk absurde 'raadsvergadering': 'Die man is krankzinnig.'
Die conclusie had de lezer al in een eerder stadium kunnen trekken ten aanzien van de hoofdpersoon, die in een nachtmerrie terecht lijkt te zijn gekomen die maar niet wil stoppen.
Gelukkig is de hel die Gray laat neerdalen op Unthank (Glasgow), niet alleen wrang, eng en mistroostig maar ook bij tijd en wijle erg geestig. Nu kan een krankzinnig universum geestig zijn mits goed beschreven (zie Maarten Biesheuvel). Maar die binnenste buitenwereld moet niet alleen geestig zijn, maar ook gruwelijk. Het idee, of gevoel misschien eerder, dat de werkelijkheid je ontglipt, dat iedereen tegen je samenspant ('Dat je paranoïde bent wil niet zeggen dat ze niet tegen je samenspannen'), inclusief je dierbaren (of van wie je dacht dat ze je dierbaren waren), dat je niet tot werk in staat bent omdat je geest te vertroebeld is of omdat je simpelweg niet kan bewegen, of omdat je niet kan slapen hoewel je dodelijk vermoeid bent; dat je niet weet waar je heen gaat of waar je bent, dat je eigenlijk helemaal niets begrijpt van wat anderen om je heen aan het doen zijn en wat er van jou wordt verwacht... dit alles en meer wordt op geniale wijze verteld en verbeeld (Gray kan tekenen en schilderen en heeft proeven daarvan in zijn boek verwerkt) in Lanark. Een leven in vier boeken, onlangs in het Nederlands vertaald door David Grävling en schitterend uitgebracht door de liefhebbende uitgeverij Koppernik.

EXEXEX

Lanark begint al meteen unheimisch, macaber en somber, met Lanark die probeert in een duistere stad waar de zon nooit schijnt aansluiting te vinden bij handigere mannen dan hij zoals Sludden (ook alweer zo'n mooie naam) en sluwe vrouwen als Rima (een anagram van Irma, lijkt me). Hij bewoont een naargeestig appartement, bij een kreng van een hospita, ligt de hele dag in bed en vervuilt. Hij is niet eens in staat om alcoholicus te worden. Hij slaagt er 'gewoon' niet in zijn leven op de rails te krijgen, in geen enkel opzicht. Daarbij komt dat hij lijdt aan astma, en aan drakenziekte, zijn arm verandert langzaam in drakenhuid.
'Ik zat in de hel. Zonder ogen probeerde ik te huilen, zonder lippen te schreeuwen, en met alle kracht die mijn veronachtzaamde hart op kon brengen riep ik om hulp.'
Zo eindigt de gitzwarte, onheilspellende, maar prachtig surreële proloog van Lanark. Menigmaal vraag je je af als lezer in welke angstdroom je nu weer terecht bent gekomen; bij alles wat Gray verzint verbleekt W.F. Hermans' 'Manuscript in een gekkenhuis gevonden' maar ook Gogols, Tolstojs, Tsjechovs en Dostojevski's pogingen om gekte geloofwaardig weer te geven. Gray legt de gekte achter op je tong, je wordt gedwongen hem uit te spugen of door te slikken.
Tijdelijke verlossing volgt, na 130 pagina's, in Boek Een. Dit is een betrekkelijk traditioneel vertelde flashback naar de jongere jaren van de hoofdpersoon, nu Duncan Thaw geheten, die opgroeit met een liefhebbende vader en een zus (moeder overlijdt opeens). Hij slaagt erin om aangenomen te worden op de kunstacademie, zich te omringen met enkele eveneens getalenteerde vrienden en uit te groeien tot een redelijk succesvol beeldend kunstenaar. Deze kunstenaarsgeschiedenis duurt tot hoofdstuk 29 (van de 44), maar tegen die tijd heeft Thaw zichzelf natuurlijk alweer – excusez le mot – in een hoek geschilderd. Een opdracht die hij gretig heeft aangenomen voor een muurschildering in een kathedraal drijft hem tot wanhoop. Het is een groots en meeslepende opdracht, maar hij blijkt ook onmogelijk uit te voeren, zeker voor een jonge perfectionist als hij. Ondertussen wordt hij van de kunstacademie afgetrapt, en ook de kerk, zijn aanvankelijke mecenas, verliest zijn geduld met hem. Iedereen verliest zijn geduld met Thaw. Hij vergeet dat tijd een relatieve factor is, hij weigert in te zien dat ook kunst en liefde aan elkaar hangen van rafeligheid, van compromissen, van imperfecte samenwerkingen, van een beetje geluk hier en een beetje geld daar – net zoals het leven, trouwens. Zijn absolutisme wordt zijn ondergang.

EXEXEX

Zijn dit spoilers? Nauwelijks, lijkt me. De componenten die deel uitmaken van de plot zijn irrelevant. Gray bespeelt het orgel van de eenzaamheid. Niet alleen de eenzaamheid van de opsluiting, maar ook en vooral die van het er niet bij horen, het niet begrijpen van wat er aan de hand is, van het erbuiten staan – niet vanwege een gebrek aan intelligentie, eerder wellicht vanwege een teveel eraan – ja, de eenzaamheid van de goede bedoelingen. Wie zijn privéwereld en de maatschappij maar ook de kosmos wil doorgronden raakt makkelijk het spoor bijster. Leven is accepteren dat er niets valt te doorgronden; keep calm and carry on. Lanark protesteert zinloos tegen de zinloosheid en de wreedheid van het alledaagse, de idiotie van de traditie en de malle gebruiken, de inherente onrechtvaardigheid van het machtsspel dat alleen gewonnen, of zelfs maar gespeeld, kan worden door de tacticus die hij haat.

EXEXEX

Lanark, dat in 1981 verscheen en waaraan de schrijver, zelf van 1934, naar verluid dertig jaar heeft gewerkt, is niet alleen naar de inhoud maar ook naar de vorm een jaloersmakend goed geschreven en originele roman. Uiteraard bevat een boek waarin gekte een zo grote rol speelt allerlei vormen van recursie, van slangen die zichzelf in de staart bijten. Mooi is de scene waarin Lanark met zijn schepper, de Goochelaar, in discussie gaat over het einde van het boek. Lanark wil dat het goed afloopt met hem, maar de schrijver vindt dat niet zo interessant. Ze hebben verschillende belangen. Laat elke recensent en interviewer die naarstig op zoek is naar autobiografische elementen in een roman dit goed inprenten. Een schrijver legt de hoofdpersoon die hij wil zijn en tegelijk niet zijn op de pijnbank.
Over recensies gesproken, gewaagd is de 'recensie' die Gray alvast zelf geeft van zijn werk (niet mals). Potsierlijk wordt het niet, hooguit getuigt het van valse bescheidenheid, want ook grootheidswaanzin is de schrijver niet vreemd. Een heel hoofdstuk wijdt hij aan de diverse vormen van plagiaat die hij heeft gepleegd, en dit is misschien wel een spoiler maar een spoiler waar je wat aan hebt: hij sluit een register bij van alle schrijvers bij wie hij heeft geleend, gejat en gekeken. Dat alleen al is een mer à boire aan referenties, een literatuurhistorisch geschenk, natuurlijk valt het zwaartepunt bij Anglosaksische titels maar ja. Opvallend is dat hij Flan O'Brien, wiens The Third Policeman verwant is aan Lanark, meerdere malen aanhaalt.
Net als Ulysses kun je Lanark eindeloos herlezen, en, ook fijn, je kunt er middenin vallen. Lanark is niet verslavend omdat je benieuwd bent 'hoe het verder gaat' of hoe het zal aflopen (dat zou onzin zijn want het einde wordt alsmaar aangekondigd, op allerlei verschillende manieren; het is trouwens niet zo geruststellend als je misschien stiekem toch zou willen, en toch ontroert het), maar omdat het zo rijk is aan scherpzinnige inzichten, mooi geformuleerde zinnen en mantra's (zie de titel boven dit stuk).
Ongelooflijk hoe actueel de politieke discussie – hoe onnavolgbaar gevoerd ook – nog is, bijna veertig jaar na dato. Hoe idealistisch kan een mens zijn? Is engagement een uiting van domheid of juist intelligentie? De onmogelijkheid van de waarachtige politieke stellingname, maar ook het gevaar van opportunisme en lethargie, is een terugkerend thema.


EXEXEX




Volgens de flaptekst gaat Lanark vooral 'over de onmogelijkheid van de mens om lief te hebben en de innerlijke dwang om het te blijven proberen.' Geldt dat niet voor alle werken uit de moderne literatuur? Waarschijnlijk, maar het geldt in het bijzonder voor de kleine, schurende, meedogenloze subplot rondom Lanarks vaderschap. Wie dit boek niet leest is gek.

Dear Ella Vogelaar,



De afgelopen twee nachten sliep ik in een wijk die jou onsterfelijk heeft gemaakt, maar voor hoelang nog? Veel wees erop dat deze wijk drukdoende was jouw onsterfelijkheid van zich af te schudden. Het was een onwerkelijke ervaring. Het huis zelf kon niet anders worden omschreven als een dinkie-duplex. Weet je nog wat dinkie ooit betekende? Double income no kids. Dus: denk tropische regen douche, open keuken met Quoker, veel glas en vloerverwarming waar mogelijk. Wie 's ochtends bij het sippen aan de verse capo de moeite nam naar buiten te kijken, zag wel kids, maar weldoorvoede, onder de hoede van weldoorvoede opa's en oma's, omdat pappie en mammie moeten werken, en bouwvakkers, heel veel bouwvakkers, die in hoog tempo nog meer duplexen aan het bouwen zijn, voorzien van glasfiber en wat niet voor de aanstormende horden yuppen. Op de hoek het weldenkende mensen-café met veganistische brownies en zelfgemaakte limo. Waar zijn de kanslozen, Ella? Is hier dan niets meer dat jouw onsterfelijkheid rechtvaardigt? Doch. Ga de hoek om en bezoek de Aldi. Loop nog verder, langs het oude café op de hoek aan de ene kant waar oude stedelingen de tijd proberen stil zetten (rookruimte aanwezig), en het andere, iets minder oude café waar mannen met gezichtshaar bomen. Maar de sfeer is goed, Ella, de sfeer is heel goed, we laten ons niet van de wijs brengen door hipsters met deprimerende mutsen, parken die als vuilnisbelt worden gebruikt, schimmige hoekjes met dode zonnebloemen en eentonige, franjeloze nieuwbouw-straten – de moderne ghetto's – waar veel mensen, teveel mensen, niets te doen lijken te hebben. Ik wou dat je het kon zien, Ella, de veelgeroemde opwaartse werking van het nieuwe geld, maar ik dacht, misschien heb je het al gezien.

Vierendertigste werkdag



Wonderlijk wat een trip down memory lane kan losmaken bij een dementerende. Toen ik aan de oud-bibliothecaresse – thans woonachtig in de gesloten afdeling van een Amsterdams zorgcentrum – voorstelde om naar haar geboortegrond Barneveld te gaan, ontsnapte eerst een vloek uit haar mond. Daarna zei ze: 'Beslis jij maar.' Ik besliste Barneveld. Ze was er al dertig jaar niet meer geweest.
Eenmaal in het dorp spuugde ze het adres uit van haar ouderlijk huis. Het bleek om een statig pand te gaan zoals het een notabele betaamt (haar vader was tandarts); zij bewoonde, wist ze opeens, het kamertje met de uitbouw aan de zijkant, 'met uitzicht op het paardje van Van Essen'.
Ik reed de rolstoel door de tuin en belde aan. Een jonge vrouw deed open. We mochten even binnen kijken, maar dat had weinig zin, het huis was het afgelopen jaar volledig verbouwd naar de nieuwe esthetiek. Wel zat het luik er nog naar de onwaarschijnlijk krappe kruipruimte waar onderduikers hadden gezeten, vertelde de vrouw, maar die kon de oud-bibliothecaresse zich niet meer herinneren. Wel dat haar vader werd opgepakt wegens verzetsactiviteiten. Naar verluid was hij de enige tandarts van Gelderland in de oorlog.
Toen de oud-bibliothecaresse de schommel zag in de achtertuin, een enorm ding dat mij aan een guillotine deed denken, verscheen er een grote glimlach op het gezicht, een betrekkelijk zeldzaamheid. Ze hees zichzelf uit de rolstoel en schuifelde op de schommel af. Ik mocht haar op de plank tillen en een duwtje geven.
Het was mooi geweest om haar daar een uur te laten zitten, maar we moesten ter kerke. De Oude Kerk van Barneveld heeft vele deuren maar die waren allemaal dicht. Ik belde de beheerder, die zich in een mum meldde en ons lachend binnenliet.
'Waar zat je altijd?'
'Helemaal achterin,' zei de oud-bibliothecaresse.
'Nou, ga daar dan maar weer zitten,' zei ik.
Ze zat en zong: Ai laat mij niet van druk verkwijnen, leen mij een toegenegen oor...
'Vers 4, Psalm 84,' zei de beheerder, nog steeds lachend, 'ook een van mijn favorieten'.
Toen ik haar in de auto had geladen voor de terugreis kwam er nog wat opborrelen. 'Op dat veld kreeg ik een trap van Schaap.'
'Heb je een trap gekregen van een schaap?'
'Nee van Schaap, een jongen.'
'Wat had je misdaan?'
'Niets. Schaap was niet helemaal goed wijs.'

Mijn postbode †



In de krant stuit ik op een overlijdensadvertentie van een postbode geplaatst door PostNL. Een overlijdensadvertentie van een postbode, geplaatst door PostNL? Jawel. De postbode heet Ron Kleine. Maar wacht eens even, is dat dezelfde Ron die jarenlang bij mij de post bezorgde? Navraag bij een oud-collega leert dat dit inderdaad dezelfde Ron was. Hij was hem tegengekomen op de oncologie-afdeling van het AMC, waar hij een chemokuur zou beginnen. 'Dat heeft dus geen goed resultaat opgeleverd.'
Ik bleef altijd een beetje bang voor Ron en niet alleen omdat hij op zijn kale achterhoofd een tatoeage van een oog had laten zetten. Sommige mensen jagen schrik aan. Daar kunnen zij nix aan doen, denk ik, maar de hebber van de schrik 'dus' ook niet. Ondertussen is Ron Kleine wel dood, dus mijn gedachten gaan uit naar hem en zijn nabestaanden.
Ron bracht soms opvallend laat de post rond, maar goed, hij bracht wel de post rond. Hij had ook eigenzinnige leiderschapskwaliteiten, maar die heb ik alleen van horen zeggen.
Er komt een anekdote bij me naar boven, ook beschreven in Dagboek van een postbode (pag 75), namelijk dat Ron tijdens een KNJ-werkoverleg voorstelde om een mijnlamp te dragen tijdens het werk. Handig, want dan kun je in de donkere dagen tenminste zien wat je aan het doen bent, vooral ook in portieken en dergelijke. Toen vond ik dat voorstel nogal zot, maar zo zot was het eigenlijk niet. Mijn zoontje heeft inmiddels ook zo'n ding en ik sluit niet uit dat ik hem gebruikt zou hebben, als PostNL mij niet, zoals dat heet, had laten gaan.

De Koerdische zaak in Brooklyn




Bij mij om de hoek in Prospect Heights, Brooklyn, had je het Kurdistan Information Centre. Ik liep er wel eens naar binnen. In de donkere benedenverdieping van een brownstone had een praatgraag, geestig, van de hak op de tak springend weduwtje, Vera Beaudin Saeedpour heette ze, alle mogelijke boeken, tijdschriften, brieven, artikelen, foto's en andere artefacten van en over het Koerdische volk bijeengebracht. Die werden haar, zei ze, uit alle delen der Koerdische diaspora toegestuurd. Ik meen me te herinneren dat er in de volgestampte kamer ook nog een sabel hing, en een fez, maar die details heeft mijn brein er mogelijk bij verzonnen (waarschijnlijk dragen Koerden helemaal geen fez, beschouwen ze dat als een affront, en gebruiken ze geen sabels maar degens of weet ik wat).
Ze publiceerde ook twee wetenschappelijke tijdschriften.
Vera was een kleine vrouw die van grote beweringen hield. Haar KIC was uiteraard het belangrijkste in zijn soort ter wereld. Het Koerdische volk was het nobelste volk was dat ooit leefde. Ik kon dat allemaal niet controleren; ik kende geen Koerden (nu, dankzij de heerlijke immigratiegolf van 2015, heb ik een Koerdische kapper, en ik moet zeggen die is behoorlijk nobel).
Vera Beaudin Saeedpour was getrouwd met een Koerd en had bij de dood van haar man in de tachtiger jaren van de vorige eeuw beloofd zich vanuit Brooklyn in te zetten voor de Koerdische zaak.
Ik lees op Wp dat Vera in 2010 is gestorven en dat haar bibliotheek niet bij het grofvuil is gezet maar een plek heeft gevonden bij een Amerikaanse universiteit.
Als ik aan haar terugdenk, hoor ik haar fulmineren tegen Trump.

Gele doekjes



Met mijn zesjarige dochter draag ik mijn steentje bij aan de participatiemaatschappij door bij de buurvrouw op driehoog, herstellende van een heupoperatie, een kijkje te gaan nemen.
We bellen aan en jawel, na lang wachten verschijnt er een verfrommeld hoofd uit het raam. Ze is schrikbarend mager geworden.
'Ja?'
'We vroegen ons af,' roep ik door de toeter van mijn handen naar boven, 'of we even op ziekenbezoek mogen komen. Want we hebben je al zolang niet meer buiten gezien.'
'Wat?'
Ik herhaal onze missie.
Hoewel we haar wakker hebben gebeld, het is twee uur in de middag, zijn we welkom; sterker, als het haar daagt wat de bedoeling is, gaan alle deuren open. We nestelen ons op de bank van haar warmgestookte, verduisterde woning. Aan de muur foto's van hunks die haar zoon of zelfs kleinzoon zouden kunnen zijn geweest.
'Ik zie eruit als een oude heks.' Ze trekt aan haar rommelige, uitgelopen roodgeverfde haar, en inderdaad, in haar slaapshirt, en met haar ingevallen wangen, is de overeenkomst treffend, maar ik probeer, ook voor mijn dochter, de zonnige zijde te beschijnen en zeg: 'Als een oude fee.'
'Feeks!' maakt ze er onmiddellijk van.
Onderaan de achterkant van haar slaapshirt zit een natte plek. 'Ik ben incontinent,' zegt ze.
'Ik zie het. Misschien een nieuw verbandje?'
Ze gaat naar achter, even later verschijnt ze aangekleed en wel. 'Ik ben een nachtvlinder. Ik ga pas om 4 uur 's nachts naar bed. Ik kijk veel televisie. Ik heb geen pijn maar ben wel veel alleen.'
Met een geel doekje dept ze het plasje bij de bank op. 'Ik moet nieuwe gele doekjes hebben,' zegt ze.
Ik beloof die voor haar te halen. Dat is het minste wat een buurman kan doen.

Laatste sacrament

Matthew Teter: Olive oil and egg

'Maar ik ben oud hoor!' verzucht mijn moeder weer eens als ik gezellig bij mijn ouders op de bank zit.
'Hou daar toch eens mee op,' zeg ik. 'Niets wijst erop dat jij oud bent. Pa is oud en die hoor je er nooit over.'
'Nee, waarom zou ik,' zegt mijn vader.
Mijn moeder denkt cq. hoopt dat ze heel oud wordt. Dat zou wel eens kunnen. 'Ik heb iedereen overleefd,' zegt ze dikwijls, niet zonder trots, maar ze is de eerste om toe te geven dat dit ook zo zijn nadelen heeft.
'Willen jullie op jullie sterfbed bij wijze van laatste sacrament het heilig oliesel ontvangen?'
Geen gekke vraag dacht ik, voor zich noemende katholieken in de herfst van hun leven.
Mijn moeder kijkt dromerig voor zich uit. 'Ik vind het wel een mooi ritueel.' Ze was erbij toen haar beste vriendin het heilig oliesel ontving: de pastoor kwam, sprak enige gebedsteksten uit en bracht olie aan op het voorhoofd van de stervende.
'Slaolie?' wil mijn vader weten.
'Hè wat flauw,' zegt mijn moeder.
Ik lees op Wikipedia dat in het recept voor het heilig oliesel uit de Bijbel (Exodus, nota bene) als ingrediënt olijfolie wordt genoemd.
Ik lees ook, mijn moeder wist het al, dat het heilig oliesel, tevens als ziekenzalving wordt gebruikt.
'O,' zegt mijn vader, 'dus je krijgt die olie als je ziek bent. Word je beter, dan was het een zalving; ga je dood, dan was er sprake van het laatste sacrament. Twee vliegen in een klap.'
Pa is goed op dreef vanavond.

Sightseeing met extinctie

Bedreigd met extinctie: Ili Pika

Als we ons hebben geïnstalleerd in de taxi die ons van de Keizersgracht naar de St. Antoniebreestraat moet brengen, – pakweg 1400 stappen, ofwel een kwartiertje lopen –, begint de chauffeur zichzelf onmiddellijk te verontschuldigen voor de omweg die hij gaat maken: 'Stadshouderskade is dicht.' Een eerdere passagier, vertelt hij, ging uit zijn plaat vanwege de onhandige route. 'Ik heb de centrale moeten bellen om hem uit te leggen dat het niet anders kon.'
N. en ik hebben vooralsnog geen reden om de navigatiekunst van onze chauffeur te betwijfelen, dus we laten ons de vertraging zonder mokken aanleunen. Een taxi die omrijdt door Amsterdam is geen straf, dat is sightseeing.
Wat blijkt, de Stadhouderskade is gestremd bij het Rijks wegens een demonstratie voor het klimaat en tegen extinctie. Komende vanuit de Spiegelgracht zien we niets van de demonstratie maar alles van de pojisiebusjes, pojisie-motoren en welke pojisie dies meer zij om de demonstranten in toom te houden.
'Aan hoeveel demonstraties heb jij in je leven deelgenomen,' zeg ik tegen N., 'nul?'
'Daaromtrent.'
Ik één, de Grote Vredesdemonstratie van 1981. Vanuit de achtergebleven gebieden ging ik daar met mijn moeder heen, ook een vorm van sightseeing.
Twintig minuten later en twintig euro's lichter zijn we op de St Antoniebreestraat.
Ik vraag me af hoeveel extra uitstoot deze omweg heeft veroorzaakt en welke dieren, if any, hierdoor nog iets sneller richting hun extinctie zijn gedirigeerd.

Kunstinstallatie




Twee meisjes zitten bovenop een tot de rand toe gevulde container en wroeten in de troep. Waarom? Dat gaat me niks aan. Maar ik zeg toch: doen jullie voorzichtig, want er zitten planken bij met spijkers er nog in, en andere scherpe objecten.
Wie een dochter heeft, ziet overal dochters.
Gaat goed hoor, roepen ze. Maakt u zich geen zorgen.
Mooi, denk ik. Meisjes in de weer met bouwmaterialen. Beter dan met roze eenhoorns of die eeuwige paarden.
Als ik even later langs het parkje loop zie ik dat de twee meisjes in een boom zijn geklommen, vrij hoog, waar ze drukdoende zijn planken op takken te bevestigen, en andere spullen die ze uit de container hebben gevist.
Ik wil me ermee bemoeien maar houd voor deze ene keer mijn mond. Wat weet ik nu helemaal?
Een dag later kan ik het resultaat van de handarbeid van de meisjes bewonderen: twee scheve planken in de lucht, een zwarte cement-emmer die aan een touw bungelt en een onduidelijke plaat die waarschijnlijk eerder al naar beneden is gekukeld.
Van de meisjes is geen spoor meer te bekennen.

Toespraak tot de dieren