Honderd verhalen in honderd dagen, 10. Het privékamertje

General Idea, Cigarette burn


Vier mannen zitten aan de soep rond een tafeltje in een duistere ruimte, je ziet dat ze het koud hebben, de stoom komt uit hun mondholte en neusgaten, je ziet dat ze zich proberen kleiner te maken, zichzelf dieper proberen te begraven in hun jas. Man 1 hangt recht boven zijn soep en eet heel langzaam, niet alleen om zo lang mogelijk te profiteren van de warmte in de mond, maar ook om de damp die afslaat van de substantie zo lang mogelijk in het gezicht te kunnen voelen. Man 2, recht tegenover man 1, heeft een andere strategie, hij probeert zoveel mogelijk te bewegen, te praten, te gesticuleren, zelfs de spieren in zijn gezicht lijkt man 2 overmatig te gebruiken. Maar tegen wie hij praat en waarover hij het heeft blijft onduidelijk. Daar gaat het hem ook niet om. Het gaat hem om de circulatie zegt hij, de circulatie moet op peil blijven, en daar heeft hij een punt als de circulatie stopt is alles voorbij, maar, zo merkt man 4 (rechts van hem) op, hij verbruikt ook veel energie met al dat theater, en zal dus eerder honger krijgen, en er is alleen maar soep, voor iedereen evenveel bovendien, dat is rechtvaardig, maar misschien toch ook niet, gezien de lichamen van de mannen, en hun metabolismen, die zijn uiteraard verschillend, – of althans, het betreft hier geen eeneiïge vierling, of klonen. Man 3 zegt niets. Hij rookt. Ongelooflijk dat iemand dat nog doet, maar hij doet het, en met verve. Maar niet voor de nicotine, de teer of een van de zeventig andere kankerverwekkende stoffen die in een sigaret schijnen te zitten volgens mensen die niet van roken houden. Nee, man 3 rookt om altijd een vuurtje bij zich te hebben, een mini-straalkacheltje, hij maakte een holletje van zijn handen en steekt de sigaret met het brandende gedeelte naar binnen. Hij verkneukelt zich bij dat kamertje dat hij gemaakt heeft, dat privékamertje waar alleen hij bij kan, en waar het gezellig is, knus, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen; alles wat het in de ruimte waarin de mannen zich bevinden niet is, dat deze vier mannen rond een tafel zitten in een ruimte is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde voor gezelligheid, er is nog iets meer nodig, behalve warmte, en een beetje licht, iets ondefinieerbaars, maar dat is er 'dus' niet, meent man 3, en hij niet alleen, ook al kan het hem weinig schelen. 'Wie-oe-wie-oe-wie-oe-wie-oe!' doet man 4 opeens. 'Wie-oe-wie-oe-wie-oe!' 'Wat doe je?' zegt man 2, 'ben je gek geworden?' 'Nee,' zegt man 4, 'bij hem gaat het rookalarm af.' Met zijn koude rode neus – zijn handen wenst hij niet tussen zijn benen vandaan te halen, die zitten daar prima – naar man 3. 'Sinds wanneer kun jij niet tegen een beetje rook?' zegt man 3, geërgerd, het ene oog samengeknepen. 'Ik zeg niet dat ik niet tegen rook kan,' zegt man 4, 'dat heb ik nooit gezegd. Ik rook al jaren met jou mee. Daar heb ik nooit bezwaar tegen gemaakt. Als ik straks onder de zoden lig door jou toedoen, dan nog zal ik je geen haat nadragen.' Man 1 kijkt traag als een reptiel op van zijn soep en grijnst. Hij is als enige nog aan het eten, de rest is allang klaar, maar hij heeft niet veel meer. Hij is nu overduidelijk tijd aan het rekken. Dan houdt man 2, die nog altijd in zichzelf aan het praten was, drukke bewegingen makend die nergens verband mee schenen te houden, ineens stil en zucht diep. 'Dat was weer mooi, mannen.' Allen staan op en verlaten zwijgend de ruimte.

Honderd verhalen in honderd dagen: 9. Twaalf seconden



Net zit ik in de geluidsbibliotheek van mijn computer te grasduinen, de geluidsbibliotheek die jarenlang met al mijn computers is meeverhuisd, of gemigreerd moet je geloof ik zeggen, – ik ben allang weer vergeten waar ik naar op zoek was –, of ik stuit op het wav-bestandje Eric.

Er gaat een siddering door mijn lichaam, zoals wanneer je 's avonds buiten in de kou een plasje doet.

De twaalf laatste seconden van mijn vriend Eric. Nou ja, vriend, voorzover dat woord in New York enige betekenis heeft. Ik ken hem uit mijn stamkroeg in Soho. Maar ik heb in zijn ogen gekeken. Misschien heeft hij mij wel zijn diepste geheim verteld.

Ik wilde het bestandje onmiddellijk openen en tegelijk niet openen, altijd en nooit meer openen, publiceren en deleten. Het gehijg, het gesmak, het geknisper, het paniekerige geschreeuw (van een vrouw op de achtergrond), de suizende wind, de snoeiharde klap aan het eind, vermengd met steeds luider wordende brandweersirenes.

Dan: de herhaalde liefdesverklaring aan zijn dochter, Josey. Zeven indertijd. Ik heb haar wel eens gegoogled. Ze is DJ. Reist de wereld rond. Oogt niet ongelukkig. Maar dat zegt 'dus' allemaal niet zoveel. Haar muziekstijl is niet de mijne. Hoewel, ik heb nu een set van haar op staan uit New Delhi uit 2017 en ik raak bedwelmd door het gestamp en gedreun. Eén grote, grommende machine die alles en iedereen tussen zijn kaken vermaalt, daar doet het me aan denken. Toen net dacht ik dat ik een flard uit Eric hoorde, maar dat moet inbeelding zijn.

Hoe zou het met zijn vrouw zijn, Kathryn? Hoe zou zij het hebben gevonden dat Eric de laatste seconden aan zijn dochter opdroeg? Misschien heeft ze gedacht dat zijn liefde door hun dochter tot de moeder kwam.

Waarom heeft hij het gedaan? Waarom heeft hij zijn boodschap niet opgenomen voor de sprong? Hij kon toch weten, financial wizard als hij was, dat hij na zoveel seconden, – hoeveel waren het er geweest? vier, vijf? – letterlijk buiten adem zou zijn? Dat zijn dictafoon uit zijn hand viel, dat er alleen ruis over zou blijven?

Misschien was er geen tijd meer, kwam hij te laat op het idee.

Hij wilde de dood te slim af zijn, denk ik, zo lang mogelijk bewijs leveren van zijn leven (vandaar ook dat zijn laatste stemgeluid meer wegheeft van zang, dan van een gil, maar misschien wil ik dat erin horen).

Misschien dacht hij dat hij nog inzichten kreeg die de moeite van het delen waard waren. Absurd, maar zo'n ongeneeslijke optimist was hij.

Die inzichten zijn niet bewaard gebleven. De rest dus wel.

Heeft Kathryn hier ook maar enige troost uit geput, uit deze schreeuw uit het graf? Misschien heeft ze er nooit naar durven luisteren.

We waren nooit close, Kathryn en ik. Na mijn terugkeer naar Europa heb ik haar niet meer gesproken. Moet ik haar alsnog een berichtje sturen, om haar te laten weten dat ik aan Eric denk, zoveel jaar na dato? Dat Eric nog leeft, omdat hij leeft in mijn gedachten, ook al gebeurde dit dan serendipitously?





Honderd verhalen in honderd dagen 8. Arthur Schopenhauers klappen

Henry Moore


Over Schopenhauer wordt veel onzin beweerd. Bijvoorbeeld dat hij zijn vrouw zou slaan, zijn zus zou slaan, zijn moeder zou slaan en zijn werkster zou slaan, omdat hij een hekel had aan vrouwen. Niets is echter minder waar. Schopenhauer sloeg vrouwen omdat hij meende dat ze daarom vroegen. 'Iedere vrouw die ik voor me zie,' zei hij, 'beschouw ik als een uitnodiging voor een oorvijg.'

De klappen die Schopenhauer gaf waren altijd dezelfde, en konden dus na verloop van tijd door de vrouwen in zijn leven gemakkelijk worden ontweken. Hij gaf altijd een klap met de vlakke linkerhand – Schopenhauer had zulke worstige vingertjes dat hij nauwelijks een vuist kon maken. Eerst gaf hij een soort backhand op de rechterwang van de vrouw in kwestie, daarna pakte hij door, door met zijn handpalm een goede klets te verkopen op de linkerwang van het slachtoffer. Soms, als hij er aardigheid in kreeg, en de vrouw bleef voor hem staan, herhaalde hij de procedure.

Twee dingen zijn opmerkelijk aan dit gedrag, dat kennelijk Schopenhauers hele volwassen leven voortduurde. Ten eerste, het aantal vrouwen dat terugsloeg. Meer dan de helft van de vrouwen in zijn leven sloeg terug, maar slechts een kwart raakte. Weer een ander kwart bleek uiteindelijk toch niet gediend te zijn van zijn klappen en verdween. Dit was bijvoorbeeld het geval met zijn huishoudster, Frau Jakobi. Deze vrouw had Schopenhauers klappen vijfendertig jaar ondergaan, telkens als zij hem onder ogen kwam bij het uitbetalen van het weekloon. Halverwege het zesendertigste jaar hield ze het voor gezien, zonder iets te zeggen trouwens, dus het was niet vreemd dat Schopenhauer dacht dat ze wegging omdat ze een filosoof had gevonden die beter betaalde.

Mevrouw Schopenhauer had in de loop der jaren een speciale modus gevonden om de klappen te pareren. Zij wist wanneer ze kwamen (namelijk steeds wanneer zij de badkamer uitkwam, 's ochtends, en hij bezig was zich aan te kleden) en ontweek ze behendig, als een bokser in de ring. Dit werd een spel, waarbij beide echtelieden vroeg of laat de slappe lach kregen – zij trouwens nog net iets eerder dan hij. Dat dit aspect van hun huwelijk nooit erg bekend is geworden in de bestaande biografieën over Arthur Schopenhauer, zou ermee te maken kunnen hebben dat er in het Duits geen woord is voor slappe lach.

Die Welt als Wille und Vorstellung, Zweiter Band. Kapittel 8. Zur Theorie des Lächerlichen.



Honderd verhalen in honderd dagen: 7. Endgame



Naakt en uitgestrekt zwevend in het midden van de lege unit componeerde S*//  verder aan Endgame, hen magnum opus. Hen haalde beelden voor hen geestesoog, zoals een kolibrie aan de Californische kust, ruimtestation Harmony dat een eeuw eerder spectaculair uit elkaar spatte door toedoen van de Anti's en twee non binaries en vijf intersekse personen die telesex hadden op drie verschillende planeten, maar de Mentaposer gaf geen geluid, of nou ja, wel geluid maar dat viel, zelfs anno 3189, niet als muziek te interpreteren. Maak daarvan: interessante muziek, muziek die langer dan een paar tijdseenheden bleef boeien. Waar een structuur, een opbouw, een spanningsboog (het woord was wonderwel nog steeds niet uitgestorven) in viel te herkennen.

Ook al was iedereen componist, gebruikte iedereen dezelfde technologie en componeerde iedereen sinds enige eeuwen uitsluitend voor zichzelf, dat betekende nog steeds niet dat alle composities inwisselbaar waren geworden.

In chaos was vooralsnog slechts een select groepje geïnteresseerd, dat bekend stond als De Autisten. Chaos was oneindig gecompliceerd en leek toch steeds verdacht veel op andere chaos. Zonder ordening geen differentiatie, en hoewel het aantal mogelijke ordeningen nog steeds niet was uitgeput (in tegenstelling tot wat eerder door technosofen van de Universiteit van Wega werd aangenomen bleek dit aantal wel degelijk eindig), vond S*// het steeds moeilijker om gebieden, gedachten en gevoelens op te zoeken in de verbeelding die nog niet waren gecoverd.

Telkens als een sequentie van Endgame af was, kreeg S*// te horen middels een irritant bliepje of de sequentie doubleerde met die van een andere componist.

De wens om origineel te zijn viel geheel en al samen met de angst voor overtolligheid.

Misschien toch wat random schoonheid toevoegen, overwoog S*//, op basis van minieme hartslagfluctuaties. Meteen daarop commentarieerde AE, hen alter ego: 'Of op basis van de vorm van huidschilfers. Wat dacht je daarvan , S*//?'

S*// nam het idee over en schakelde AE's commentaarfunctie uit door een keer met de tong te klakken.

Vorige week had hen getracht een dertien uur durende cantate te schrijven, een lofzang eigenlijk, getiteld [>.<]; ook die pakte teleurstellend uit. Er was contrapunt, maar waar was de climax? Er bleef weinig van hangen. Lag het aan de Mentaposer, die hoognodig moest worden geüpdate? Nee, die smoes was te makkelijk. Hen moest beter hen best doen, zo was het. Zo was het altijd geweest en zo zou het altijd zijn.

Maar waarom?

De vraag stellen was de vraag stellen. S*// deed wat hen deed, omdat iets anders doen iets anders doen was en hen kon nog altijd slechts één pad volgen in het ruimte-tijd continuüm (Andromeda werkte aan multi-universale manifestatie, maar de uitrol liet nog enkele decennia op zich wachten). Vrijheid was een ontroerende illusie geweest op Planeet 3 in Q3 en Q4 van Millennium II. Toch bleef, ook in het IIIIe, de waarom-vraag even hardnekkig als kanker. (Het bleek neuro-chirurgisch onmogelijk om de waarom-functie uit te schakelen zonder het bewustzijn aan te tasten.)

S*// manoeuvreerde zich in een zithouding en nam een paarse inspiratie-pil in, plus twee roze anti-vervelingpillen, met een exact afgemeten hoeveelheid water. Hen communiceerde kort met Hash Tag op planeet Gaugoi, maar veel verder dan het uitwisselen van wat algemeenheden (er was een meteorietstorm op komst; op Gaugoi droeg men nog kleren, weliswaar van lotax, maar toch, op die planeet hadden lichamen zich nog niet volledig geadapteerd aan de omgeving), en ging verder met componeren.

Wat wil ik uitdrukken? Ook al zo'n vraag die zich, als een puist op een puberhuid, te pas en te onpas manifesteerde. S*// lachte om de zinloosheid van de vraag, maar verspeelde daarmee 50 humorpunten. Hen dwong hen voorhoofd in een frons en riep een historische voorstelling op die hen weemoedig maakte: een 'baby' die zich 'voedde' aan de 'borst' van een 'moeder'.

Niets kon onmogelijk het antwoord zijn.

Een componist die niets wilde uitdrukken was dood zonder het te weten.


 




Honderd verhalen in honderd dagen: 6. Ludmilla

Frits Ahlefeldt

Ludmilla woonde op de 23ste verdieping van een woontoren net buiten de stad, met uitzicht over de stad, en met uitzicht over andere woontorens met uitzicht over de stad en met uitzicht over Ludmilla's woontoren. De woontorens waren niet allemaal even hoog, maar er waren vanuit haar woontoren toch op pakweg hemelsbreed enkele honderden meters vergelijkbare appartementen te onderscheiden als het hare, hoewel het onmogelijk was om met het blote oog contact te maken. Zeker, met een verrekijker zou je bij elkaar naar binnen moeten kunnen kijken, en veel bewoners hadden ook zo'n verrekijker of zelfs telescoop geïnstalleerd, maar niet Ludmilla.

Niet zo heel lang geleden woonde ze nog in een krottige oude woning, zo een waarin niets het echt goed deed, alles kierde en tochtte, en zij 's nachts wakker werd gehouden door het rusteloze gedraai en gesleep van de bovenbuurman en de muizen die ritselden achter het plafond.

In de woontoren, op de 23ste verdieping, was het stil. Doodstil. Zelfs als er een helikopter hoog langs kwam, van de politie of het ziekenhuis, of een ambulance of brandweerwagen helemaal beneden, die ze kon volgen door haar neus tegen de ruit te drukken, werd de rust nauwelijks verstoord.

Ludmilla had nooit kunnen wennen aan de stilte.

Ze had een gitaar gekocht, ze had een paar online tutorials gevolgd, ze had kort een vriendje gehad die haar wat lessen gaf, maar die hobby had niet doorgezet. Het instrument staarde haar nu in al zijn onschuld en schoonheid aan vanaf zijn standaard.

Hetzelfde was gebeurd met salsa. Eerst was ze helemaal into salsa, danste zichzelf wekenlang, maandenlang, in het zweet, met en zonder vriendje, dan weer staarde ze naar haar salsakleding met een meewarige blik: what was I thinking?

Ludmilla leidde geen solitair bestaan. Ze bemoeide zich graag met anderen, de bewonersvereniging, buren – voorzover je daarvan kon spreken, liftgenoten was misschien een betere term – en spande zich in om het leven voor haarzelf, maar ook en vooral voor anderen, beter te maken. Groener.

Toch voelde ze een diepe leegte, een holte in haar hart, die niet met muziek, niet met dans, niet met groene doelen kon worden gevuld.

Ludmilla belde haar moeder. Eerst voelde ze een lichte huivering om haar moeder te bellen, omdat dit een overgave leek, een nederlaag, maar toen ze merkte hoezeer ze opknapte van haar moeders simpele, ja, onstadse adviezen – 'Er komt wel iets', 'Je doet het heel goed' – begon ze iedere dag te bellen.

'Ik verbeeldde me dat de aarde een virusdeeltje was en de woontoren een uitsteeksel, dat we samen een partikel vormden en dat we samen op weg waren, de aarde en ik, om de rest van het zonnestelsel te infecteren, te vernietigen. Er waren geen antistoffen, of ze kwamen te laat. En weet je wat het rare was mam? Het voelde goed, het voelde veilig. Het voelde als thuiskomen.'

Honderd verhalen in honderd dagen: 5. Bezoek voor de heer en mevrouw Stork

Salvador Dali

Op een zachte lenteavond, zo rond de klok van negen, bewoog de deurklopper van het huis van de heer en mevrouw Stork aan de Nassaukade in Amsterdam. Duidelijk hoorbaar was hoe de antieke vogelkop, die mevrouw Stork de dag ervoor nog had gepoetst, werd opgepakt en daarna twee keer met venijn, zo leek het, tegen de eikenhouten voordeur werd geduwd, alsof iemand een spijker in twee slagen een plank in joeg.

Stork keek zijn vrouw met doffe ogen over zijn bril aan. Hij zat de krant te lezen onder een lamp in de kraakstoel in de achterkamer, zijn favoriete plek. Mevrouw Stork schonk net thee in. De klok hakte de tijd in mootjes. Ze verwachtten geen bezoek.

Mevrouw Stork zette de theepot neer en keek terug naar haar man, verwijtend.

Stork hoorde zijn hart kloppen in zijn hoofd als was hij boven in een kerktoren terwijl de klokken werden geluid, maar hij deed niets.

'Daar zul je ze hebben,' mompelde hij. Uitdrukkingloos, als een oude hond, bleef hij zijn vrouw aanstaren.

'Waarom ben je daar zo zeker van.'

Stork legde de krant op zijn schoot en wreef in zijn ogen. 'Ik had er nooit aan moeten beginnen,' zei hij zacht, tegen niemand in het bijzonder. 'Ik weet niet wat me bezielde. Jij hield me niet tegen.'

'Ik wou dat je eens ophield met dat gemompel!'

Stork schurkte met zijn achterhoofd tegen de muur. De vergulde lijst van een stompzinnig schilderijtje, waar hij zich, nu hij erover nadacht, jaren aan had geërgerd, duwde in zijn nek. 'Je kunt proberen de tuin in te vluchten.'

De vogelkop landde opnieuw op de deur. Twee keer. Zeer luid nu. Luider was onmogelijk.

Mevrouw Stork liep naar haar man om de krant op te pakken die van zijn schoot op de grond was geschoven. Het was de verkeerde krant. Ze schudde haar hoofd. 'Kunnen we niet...' begon ze, schor. De rest van haar voorstel bleef haken in haar keel.

Stork vouwde zijn handen, sloot zijn ogen en telde de tikken.

Mevrouw Stork bekeek de hals van haar man. Hij had zich verwond bij het scheren. Hij had de moeite genomen zijn pak aan te trekken, maar dat deed hij op zondag altijd. Voor wie?

'Hij omhelst me niet,' was haar laatste gedachte. 'Hij vindt het niet nodig om me te omhelzen.'












Honderd verhalen in honderd dagen: 4. Het uittrekkingsritueel




Een van de akeligste, hoewel misschien niet pijnlijkste, rituelen van de Tsua Yan stam, of sekte, zoals hij ook wel wordt genoemd, is die der initiatie, waarbij jonge mannen en vrouwen naakt op een houten baar worden vastgebonden, en vervolgens door oudere stam- dan wel sekteleden volledig worden geëpileerd. Alle haren en haartjes worden één voor één uitgetrokken en in een pan gedaan. Die wordt met water en kruiden op het vuur gezet. Als de kalen het brouwsel opdrinken, zijn ze huohuo, ofwel lid.

Djiwo, een meisje van zeventien, bereikte nooit dat punt, omdat ze bij de uittrekking van haar wimpers door de man en vrouw die in andere culturen haar opa en oma zouden worden genoemd, zo hevig tekeer ging, zo agressief schreeuwde en om zich heen sloeg, dat het ritueel diende te worden gestaakt.

Djiwo's wenkbrauwen waren weg, Djiwo's hoofd-, oksel-, schaam- en beenhaar was weg, maar de wimpers waren slechts gedeeltelijk verwijderd. Zowel op haar linker- als op haar rechterooglid zaten er nog een paar, die brutaal de aandacht opeisten.

Een weigering als die van Djiwo was al lang niet meer voorgekomen bij de Tsua Yans. De laatste keer dat dit gebeurde, bij een zekere Tu, werd deze onmiddellijk verbannen.

Het Djiwo-debacle zorgde voor een splitsing onder de Tsua Yans. Een meerderheid van de leden was tegen Djiwo's lidmaatschap. Zij vonden, de 'opa' en 'oma' voorop, dat Djiwo volgend jaar opnieuw aan de rituele uittrekking diende te worden onderworpen. Zou zij weer bezwaar maken, dan was het einde oefening.

Een kleine factie echter, onder leiding van de jonge chiso (scheermeester) Iraj, nam het voor Djiwo op. 'Djiwo's verzet heeft mij de ogen geopend,' sprak Iraj op een dag in de leestent. 'Het initiatieritueel moet op de schop.' De immer kritische, maar doorgaans weinig spraakzame Luthi, knikte.

Iraj en Luthi smeedden in het geheim plannen om af te scheiden van de Tsua Yan-groep. Toen deze plannen uitlekten, werden zij op het matje geroepen bij clan-oudste Wewe.

'Wat hebben jullie tegen rituele uittrekking van de wimpers?' baste Wewe, draaiend aan een van de punten van zijn hipsterbaard.

'Het is onnodig wreed,' antwoordde Iraj. 'Wij eisen vooruitgang,' vulde Luthi voorzichtig aan. 'Ook barbarisme moet mijn zijn tijd meegaan.'

Wewe, zijn beide handen rustend op zijn blote, watermeloenvormige buik, nam ruim de tijd om te lachen. Toen hij zijn ogen had gedroogd, knipte hij met zijn dikke, vettige vingers. Er kwamen vijf clanleden binnen. Ze legden Chiso en Luthi op hun zij op een baar, en sloegen in elk oor een spijker. De verwachting was, dat zij hierdoor voorlopig van hun vernieuwingsdrang waren genezen.




Honderd verhalen in honderd dagen: 3. Nietzsche en Van Gogh wandelen door het Zwarte Woud

Charles Donker


Nietzsche en Van Gogh wandelen door het Zwarte Woud. Aan Van Goghs schouder hangt een klein, aftands rugzakje met schilderspullen. Nietzsche heeft alleen een opschrijfboekje in zijn broekzak, met een stompje potlood.

'Vind je dit dan niet prachtig?' zegt Van Gogh. De adem komt als uitlaatgas zijn mond uit. 'Die glooiende heuvels, die herfstkleuren, dat late licht...'

'Dit is wat iedereen mooi vindt. Verfrissend dat wel, maar het doet me niets. Een enorme bosbrand. Aangestoken door revolutionairen. Daar zou ik graag getuige van zijn.'

Ze rusten uit op een bankje. Talrijke wandelaars passeren, veelal kortgeknipte grijsaards, stellen met stoere schoenen en norse blikken.

'Wie had gedacht dat wandelen het medicijn tegen Corona zou worden?' zegt Nietzsche, rusteloos voorovergebogen wippend, met zijn benen over elkaar. 'Wie had gedacht dat de mens anno 2020 nog een been voor het andere zetten zou?'

Van Gogh wrijft in zijn handen. 'Nu had ik wel een broodje brie gelust.'

'Ik dacht dat jij voor proviand zou zorgen,' zegt Nietzsche, quasi geheimzinnig. 'Sta me toe een pijpje te stoppen.'

'Je gaat je gang maar... Ik vind het wel jammer trouwens dat je de tragiek van de schilderkunst niet inziet, dat er voor jou altijd een muzikaal of theatraal aspect moet zijn.'

'Ik zal voor jouw schilderijen een uitzondering maken,' zegt Nietzsche tussen het trekken aan zijn pijp door. 'Vooral voor je zelfportretten trouwens. Die zijn beslist tragisch. En heus niet alleen die met het afgesneden oor, alhoewel die misschien toch wel het meest.'

Van Gogh staat op, loopt het bos in en stuit op een piepklein appeltje. Hij bijt het rotte stuk eraf, spuugt het uit en gaat weer zitten, zijn buit trots bestuderend. 'Uit alles wat jij geschreven hebt spreekt de bijna fysieke pijn der eenzaamheid,' zegt hij, zonder Nietzsche aan te kijken. Hij neemt een muizenhapje. 'Maar je hebt humor. Die heb ik ook, maar niemand heeft er oog voor.'

'Wij zagen de wereld, maar namen er geen deel aan. Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik ken de liefde alleen uit krantenberichten.'

Nietzsche klopt zijn pijp leeg op de rand van het bankje. Met de lange nagel van zijn pink reinigt hij de kop, die de vorm heeft van een apenschedeltje.

Van Gogh heeft zijn appel op, inclusief klokhuis. Het steeltje houdt hij plagerig tussen de lippen. Hij staat op.

'Als ik thuis ben, zal ik je een brief schrijven.'

'Doe dat,' zegt Nietzsche. 'Ik kan niet beloven dat ik terugschrijf.'


Honderd verhalen in honderd dagen: 2. De jongen die sneeuw at

Ernst Haeckel

Masao Katsu, een jongen  met dikke lippen en onrustig knipperende oogleden die in een bergdorpje woonde in Hokkaido, at vanaf het moment dat die was begonnen te vallen, alleen nog maar sneeuw. Daarvoor hoefde hij slechts het raam met uitzicht over het ravijn open te doen, van zijn hand een kommetje te maken, of schepje, zo je wilt, die door de witte massa te halen die zich had opgehoopt op een voor zijn raam uitstekende boomtak, het hoopje sneeuw naar zijn mond te brengen en te happen.

Zijn lippen voelden graag de koude en de korrelige textuur van de sneeuw. 'Versgevallen sneeuw voelen smelten tegen mijn verhemelte is een sensatie die zoveel beter is dan smaak,' schreef hij in het dagboek dat hij begonnen was bij te houden sinds hij zijn kamer niet meer uitkwam en met niemand meer praatte.

Onder het kopje 'Honger?' schreef Masao, zelfs voor zijn doen raadselachtig: 'Honger? Een illusie.'

Na de zevende dag zonder conventioneel eten begonnen zijn ouders instanties in te schakelen: Instantie K, Instantie Ch en Instantie Y.

Instantie K en Instantie Ch, uit het nabijgelegen Kitami, konden alleen door de deur met Masao praten aangezien Masao de deur van binnen had dichtgetimmerd (de telefoon nam hij al helemaal nooit op, sterker: Masao had nog nooit van zijn leven een telefoon opgenomen). Masao had goed opgelet bij de timmertutorials die hij volgde op internet, en hij bleek te beschikken over alle mogelijke werktuigen (waar hij die vandaan had wist niemand; hij moest ze naar binnen hebben gesmokkeld voordat zijn zelf-isolement begon). De deur van zijn kamer was met geen mogelijkheid open te krijgen, althans niet door Instantie K en Instantie Ch, die bij voorkeur met zachte krachten werkten. Instantie Y, uit het verre Sapporo, bracht handzame explosieven mee; hiertegen bleek Masao's deur niet bestand (zijn trommelvliezen ook niet, trouwens, het was vooral de oorpijn die hem op zijn knieën bracht). Plotseling leek het alsof een decorstuk uit een theater was weggenomen.

Als een ziek dier lag Masao op bed, bleek, sterk vermagerd. Hijgend, zijn telefoon vastgeklampt in zijn hand.

'Begrijp je dan niet dat je vaste stoffen tot je moet nemen om in leven te blijven, Masao?' vroeg vader Katsu. 'Water en lucht zijn onvoldoende. Water en lucht geven geen energie.'

Masao, die voorlopig niet dood wilde, ging akkoord met iedere dag een precies afgemeten portie smaakvrij voedsel. In ruil daarvoor kreeg hij toestemming om sneeuw te blijven eten, in zijn kamer te blijven wonen en zijn dagboek bij te houden.

Aan het eind van de winter, toen de laatste versgevallen sneeuw smolt in de zon voordat Masao hem kon opscheppen, schreef hij in zijn dagboek: 'Vandaag heb ik een belangrijke ontdekking gedaan. Honger is een roofdier. Leven is erin slagen het roofdier te temmen.'

 


Honderd verhalen in honderd dagen 1: De man die zichzelf uit elkaar haalde



Herman Schönerwaldt had nog maar één wens en dat was om uit elkaar te worden gehaald. Maar het was een gecompliceerde wens, want niemand mocht het doen behalve hijzelf.

'Zal ik je uit elkaar halen?' vroeg zijn vrouw.

Hij schudde zijn hoofd. 'Ik moet het zelf doen, anders telt het niet.'

'Maar het gaat toch om het resultaat?'

Hij zuchtte zodanig dat zijn lippen pruttelden. 'Het gaat om de demontage.'

Op zoek naar een leermeester keek Schönerwaldt op de in de rug van zijn linkerhand ingebouwde computer, onder Leermeesters, Ambachtslieden en andere Nijverheid, en inderdaad, daar vond hij bovenaan de lijst R. Frank Hinna, Uitelkaarhaler. Wat een eigenaardige naam, dacht Schönerwaldt nog bij zichzelf, maar hij dacht er meteen achteraan: niet eigenaardiger, welbeschouwd, dan de mijne, en: een naam zegt niets. Niets zo nietszeggend als een naam. En toch gaat de persoon naar zijn naam staan, dat is het tragische.

R. Frank Hinna was een vrouw die al enige jaren doende was zichzelf om te bouwen tot algoritme om, zoals zij het zelf uitdrukte, 'het constante leven' dichterbij te brengen.

Waar staat die R voor? dacht Schönerwaldt, maar hij vroeg er niet naar. Misschien had ze hem verzonnen en stond hij nergens voor.

'Stap 1,' sprak R. Frank Hinna, met een sonore stem, 'is weten waar de breuklijnen zitten. Het heeft weinig zin om te proberen breuken te veroorzaken op plekken waar geen breuklijnen zitten. Het kan wel, maar je maakt het jezelf nodeloos ingewikkeld.'

Er bleken nog 17 vervolgstappen te zijn; het totaalpakket kostte 40 mille; een deel ervan werd door de afdeling Zelfdemontage van de gemeente Kanjo vergoed op voorwaarde dat een onderdeel in permanente bruikleen werd gegeven aan het Onderdelenmuseum.

Na twee jaar in de leer te zijn geweest bij R. Frank Hinna keerde Schönerwaldt, die er inmiddels op stond M. Ward Höhenbrunn te worden genoemd, terug bij zijn vrouw met zijn diploma in de hand.

Mevrouw Schönerwaldt had het inmiddels aangelegd met mevrouw N{Piango, die ze had ontmoet bij de ondergrondse gym. Haar interesse in de vaardigheden van haar man was 'dus' behoorlijk geslonken, maar ze wilde niet flauw zijn, dus zei ze: 'Doe je je arm maar even. We zijn reuze benieuwd.'

'Het kan maar één keer.'

'Dan geef je die arm toch in bruikleen aan het Onderdelenmuseum? Dan is die schuld ook meteen afbetaald.'

Höhenbrunn, zoals immer verheugd over het praktisch inzicht van zijn vrouw, die hij nu moest delen met N{Piango maar aan dat delen kleefde, wist hij, ook voordelen, haalde in vijf katachtige bewegingen zijn arm uit elkaar (zijn rechter want hij was links).

'Mogen we de rest ook zien, tot het einde zeg maar?' vroeg N{Piango bijna achteloos.

'Natuurlijk,' lachte Höhenbrunn en haalde zichzelf helemaal uit elkaar, waarna er, behalve wat wondvocht, niets meer van hem overbleef.



Kettingroken met bloemen



Mijn ouders hadden me gevraagd namens hen een bezoekje te brengen aan mijn tante in Buitenveldert. Dat deed ik graag, want ik heb een zwak voor deze bijna 90-jarige dubbele weduwe en amateurschilderes (zie boven), maar toch was ik huiverig, want ja, wat moesten haar kinderen wel niet denken (wat als ik haar C. gaf)?

Toen ik aanbelde bij haar appartementencomplex zei niemand door de intercom: 'Wie daar?' Of zelfs: 'Wat doe j i j  hier?' Zonder tekst werd ik naar binnen gezoemd. Misschien omdat ik een mondkapje droeg.

Ik liep door de hal. De voordeur ging open. Tante verscheen in haar ochtendjas. Ik bood haar mijn bloemen aan.

'Wat leuk dat je gekomen bent!'

'Weet je nog wie ik ben?' Ik deed mijn mondkapje even af.

'Jazeker!'

'Wie dan?'

Ze noemde de naam van haar laatst overleden echtgenoot (dat liefdeshuwelijk had helaas te kort geduurd).

Ik corrigeerde haar. (Later dacht ik: waarom eigenlijk?)

'Maar natuurlijk!' Ze nam een bos verlepte bloemen uit een vaas, gaf die aan mij en zette er de nieuwe bloemen in. Ik deed de verlepte bloemen in het papier waarin de nieuwe bloemen hadden gezeten. Een soort kettingroken met bloemen.

Ze verontschuldigde zich dat ze, zo laat op de middag, nog in ochtendjas liep. Maar ja, het was zaterdag. Ik zei dat ze zich absoluut niet hoefde te verontschuldigen. Mijn komst was onaangekondigd. Als iemand van tegen de negentig zich al ergens voor zou moeten verontschuldigen, dan toch niet voor haar ochtendjas.

Zij ging in haar vaste stoel zitten, omringd door kranten. Mij wees ze een fauteuil aan die ze bestempelde als de 'vader-stoel'.

Ik keek naar haar wat dikkige blote benen. 'Schilder je nog?'

Ze schudde haar hoofd. 'Ik mis het wel.'

'Misschien kun je tekenen. Met stiften. Met een blad op schoot.'

Dat leek haar wel wat. Ik maakte een mentale notitie: volgende keer in plaats van bloemen tekenset meebrengen.

Vroeg of laat gaat het over Indië. 'Ik ging vaak naar het achterhuis waar de baboe, de djongos en de boy woonden, om te spelen. Eigenlijk vond moeder dat niet goed. Ze wilde niet dat wij te close waren met de inlanders.'

Aarde der mensen van Pramoedya Ananta Toer had ze ook gelezen, maar ze was het verhaal vergeten en we konden het niet vinden in de boekenkast (wel een meter Voskuil). Ik wilde het voor haar aanschaffen, maar bedacht me. 'Is een luisterboek niet iets? Dat lijkt me op jouw leeftijd ideaal.' Ze bleek onbekend met het fenomeen. Ik probeerde op haar iPad een luisterboek te downloaden, totdat ik stuitte op de integrale De avonden, voorgelezen door de volksschrijver zelve, gratis en voor niets op YT.

Ademloos luisterden we naar Reves superieure voorleesstem. Dat deze roman weinig aan zeggingskracht verloren heeft, bleek toen de nachtmerrie die Frits beschrijft helemaal aan het begin, waarin een hand uit een spleet in een doodskist steekt, en probeert een van de dragers te wurgen, zowel Tante als mij deed huiveren.

'Zeg ik ga maar weer eens op huis aan. Ik kom nog wel eens terug.'

'Doe dat,' zei tante. 'Dan ga ik mij nu aankleden.'

Ik nam de bos verlepte bloemen mee en gooide ze in een container op de parkeerplaats.


Gesprekken met mijn schildpad (10)



Ook wat.

Wat is er, Koos?

Je práát niet meer met me.

Je hebt gelijk, het is alweer even geleden.

Mensen denken dat ik dood ben.

Ho. Misschien denken ze dat je een winterslaap houdt.

Bij 24 graden? Ik word langzaam gegaard!

Luister, dat was het advies van de dierenwinkel. Je bent tropisch.

Dezelfde die zei: 'wat jij wil', toen jij vroeg naar de verschoningsfrequentie?

Die ja. Ik heb je trouwens net verschoond.

Kon eerder. Je verschoningsfrequentie heb je gehalveerd zonder mij te consulteren, van eens per week naar eens per twee weken.

Verschoning! Ik dacht: zo lang er geen vuil is, hoeft er ook niet worden verschoond.

Je zou je wel eens meer om mij mogen bekommeren. Heb je niet gelezen dat je door mij langer leeft? Dat onderzoek waaruit blijkt dat de zorg voor een huisdier of kamerplant –

Kamerplant? Dat had me verschoningswerk gescheeld. Een kamerplant hoef je alleen maar af te stoffen. Terwijl bij jou kost het me een uur om alle aangekoekte kalk, algen, en geelgroene prut van je aqua-meubilair af te schrobben.

En in de tussentijd zet je me in een ovenschaal met een slablaadje? Denk na! Die aaibare moordenaar van je lag op hemelsbreed een meter te knorren. Als die me had geroken, had ie me kapotgeknaagd, terwijl jij in de badkamer steentjes spoelde. Dan had je nog een overlijdensgedicht moeten schrijven.

Verder nog grieven?

Laat ik met een positieve noot eindigen.

Fideel van je.

Je dochter, mijn wettige eigenares, gaf me een kusje op mijn schild. Voor het eerst.

Zag ik! Ze leek ietwat teleurgesteld toen je niet in Prins Carl Philip van Zweden veranderde. Scherts.

Hou je scherts voor je. Net zoals die schoonvader van je, die het niet kon laten om weer de 's-soep- verwijzing' uit de mottenballen te halen, toen hij me voor het eerst kwam bekijken.

Mijn verontschuldigingen. Ik ergerde me er ook aan. Interspeciële inclusiviteit is nog iets waaraan wordt gewerkt.

Succes daarmee.

(Zwemt weg.)


Dear Rudy Giuliani:

©Morad Bouchakour

Congratulations with starring in Sacha Baron Cohen's Borats Subsequent Moviefilm. I haven't seen it yet, but it was hard to miss the clip that was shared beforehand, I guess to create some buzz, of you in a hotelroom being 'interviewed' by Borat's supposedly 15 year old sister, played by the marvelous Maria Bakalova.

The least you could say about that clip, Rudy, was that you seemed not entirely immune to Ms. Bakalova's marvelousness.

Then again, who would?

Remember our little interview back in, I think it was 2005? It was a lot less touchy feely. You were promoting your new consultancy, which was heavily based on the sheer mythical reputation you earned as New York's, or rather make that the world's, mayor in the aftermath of 9/11.

In our interview, you didn't seem to care much about your likability, Rudy. To be honest, I'm sorry to say, you were a pompous ass. When you spoke, my eyes were drawn towards your mouth and lips. I know you can do nothing about it, but I commiserate with the person who has to undergo your kissing.

Still, I remember one life lesson you bothered to share with me, Mr. Nobody from Nowhereland, a pitiful hack with NRC Nothing. Two words, that, to your mind, encapsulated success: underpromise and overdeliver.

Now, as Trump's apologist, you're overdoing the overdelivering, Rudolph. I suggest you cut your losses. Your efforts to get Trump a second term are going nowhere. Even Trump knows it. When he speculated this summer about not leaving the White House even if he would lose the presidential elections, I thought: ah! Donnie is preparing for the downfall.

As always, you can take comfort in the fact that in America, everything is entertainment. But watching you running yourself deeper into the mud, is entertainment of the crueler kind. I would take the money and run.

Yours faithfully, and give my regards to Broadway, etc.

Wat doen we met ons lijk?

capsula mundi



'Lijkt jou dat wat, resomeren?' Bij het ontbijt wijs ik met mijn neus op de krant waarin wordt uitgelegd wat dat ook alweer is, en dat het binnenkort een derde legale mogelijkheid wordt, naast cremeren en begraven.
'Ik had het erover met Nico, die leek het wel wat,' zegt A. 'En dat de botten die overblijven worden gevijzeld tot pillen.'
Ik liet het beeld van gevijzelde beenderen even tot me doordringen. Zou ik zo'n pil nemen? Toch een vorm van postuum kannibalisme. 'En jij zelf?'
'Mij staat tegen dat resomeren niet duurzaam is.'
'Het is juist wel duurzaam! Duurzamer dan cremeren. Verbranden met kist kost veel energie.'
'Ja, maar die vloeistof waarin je vlees wordt opgelost...'
'...is niet giftig. Kan gewoon door de gootsteen. Ik hoef niet met jouw sap naar de afvalstraat.'
'Gatver...' Ze nam een slok thee.
'Dus je wilt gecremeerd worden?'
A. keek opnieuw vies. 'Nee, cremeren, dat nooit! Dat vind ik zo'n akelig idee!'
Ik maakte een mentale notitie. Zo leer je nog eens wat over je levenspartner. 'Wat staat je niet aan van cremeren? Ruimt toch lekker op?'
'Verdwijnen in de vlammen heeft niet mijn voorkeur.'
'Wat wil je dan, wegrotten in een kist onder de grond?'
'Verteren bedoel je. Ja, dat vind ik al een een stuk sympathieker.'
'Maar je kunt tegenwoordig toch niet meer tot in einde van dagen een plek bezet houden?'
'Er is ook nog zoiets als natuurbegraven. Dat heeft die vader van D. gedaan.'
'En hoe was dat?'
'D. vond het heel heftig.'
'Ik heb eens een vrouw ontmoet die lijkwades ontwierp voor een natuurbegraving. Dat je lijk er nog een beetje leuk uitziet, zeg maar, onder de grond.'
'Echt? Heb je nooit verteld...'
'Oké, valt dat ook af. Blijft over balsemen, cryoneren, ofwel bevriezen –'
'Nee, nee en nog eens nee.'
'...een zeemansgraf, maar dat vind ik ook niks voor jou...'
Ik probeerde nog meer dingen te bedenken die je met een lijk zou kunnen doen, maar dat is 'dus' niet zo eenvoudig. Het is misschien wel een van de oudste opruimproblemen van de mensheid.
Googelend stuit ik op twee Italianen die het lijk in een ei willen stoppen onder de grond, opdat er op die plek een boom groeit. Zo krijgt tree hugging weer betekenis.
Misschien moesten we het er bij de lunch nog eens over hebben.





Verdrinkingen



Ik lig in bad bij mijn zuster thuis en probeer te verdrinken. Ik had eerst gevraagd of mijn zuster me wilde verdrinken; ze stribbelde tegen, uiteindelijk wilde ze wel.

Misschien even uitleggen.

Als aspirant Gerauschmacher voor mijn opkomende podcast (misschien is audiofictie beter) Moord in de Morvan was ik op zoek naar het geluid van een verdrinking. Wat ik online vond was niet geloofwaardig genoeg.

Eerst dacht ik iedereen te slim af te zijn door een afwasteiltje met water te vullen en hierin mijn gezicht onder te dompelen en vervolgens verdrink-geluiden te maken.

Wat is verdrinking? Stikken in water.

Ik stuurde de opname naar mijn Gesprekspartner sinds '83, sinds kort tevens, I'm happy to report, de componist bij mijn audiofictie.

'Lijkt meer op wurgseks,' was zijn commentaar. Hij had een punt, en wurgseksgeluiden, hoe leuk ook, had ik niet nodig voor dit project.

Ik boekte een badsessie bij mijn zus. 'Mijn lekkere badspul is op,' zei ze.

'Ik kom niet om te badderen, ik kom om me te laten verdrinken. Ben je er klaar voor?'

Mijn zus was er klaar voor. Ze nam me mee naar de badkamer, gaf me een handdoek en zei: 'Geef maar een gil als je me nodig hebt.'

Maar ik had haar niet nodig, dacht ik. Ik heb nooit iemand nodig, ik kan altijd alles alleen. Dat is het voordeel van schrijven. Maar ik was niet aan het schrijven, ik was aan het Gerauschmachen. Ik nam de druppende kraan op, gewroet in de kuip, gehijg onderwater en bovenwater, en 'dus' iets dat op een verdrinking leek.

Ik dankte mijn zuster. Opmerkelijk uitgeput en hongerig fietste ik naar huis.

Thuis mixte ik de geluiden door elkaar en stuurde het resultaat, dat volgens mij eng was, naar mijn Componist sinds '83.

Hij maakte er gehakt van.

Toen ik in bed lag dacht ik: hij heeft gelijk. Alles moet subtieler.

Verontruste dieren



Het bos dat ik al veertig jaar niet meer had bezocht vond ik meteen, en het leek alsof er niets was veranderd, hooguit het bordje bij de ingang.

Ik heb het over het bos tussen Driebergen en Austerlitz, waar ik vroeger, toen ik logeerde bij mijn peettante, – door A. ook wel Tante Hex genoemd –, met de hond ging wandelen. Niet mijn hond, de hond van mijn peettante, een van de vele, en ik ging helaas niet alleen, iemand ging mee, waarschijnlijk een van mijn neven, of mijn nichten, of mijn peettante zelf. (Mijn peetoom bemoeide zich niet met mijn logeerpartij.)

Wat ik me nog herinner, en waaraan ik nu ook weer word herinnerd, is dat dit bos heuvels heeft (hence Utrechtse Heuvelrug, zover was ik ook). De bossen in Brabant waren saai en plat. Maar om deze bollingen nu heuvels te noemen is ook weer wat overdreven. Het zijn puisten. Maar Utrechtse Puistenrug klinkt niet.

Grote villa's en bungalows, zoals waarin mijn peettante en -oom resideerden, omzomen het bos. Ligt het aan mij of word ik hier door de hondenuitlaatservice-meneer en een toevallige passant aangekeken alsof ik hier niet thuis hoor, alsof ik, ja de rust kom verstoren?

Zou kunnen.

'DE TOEGANG IS VERBODEN...' volgt een rijtje verbodsbepalingen. En dan nog: 'EN OOK WANNEER U', en dan lees ik: 'dieren verontrust'.

Ben ik dieren aan het verontrusten? Misschien. Ik voel me een indringer, iedereen die ergens voor het eerst, of voor het eerst sinds jaren, komt, voelt zich een indringer. Ik maak weinig geluid, ik zucht alleen een beetje, maar ja, ik ga van het gebaande pad af, dat is waar. Dat zit in mijn aard. Maar voor de rest? De natte bladeren onder mijn schoenen voelen als hoogpolig tapijt. De lichtval, op deze doordeweekse middag, is die van de dood, maar dat is overal zo.

Wat is er eigenlijk nodig om dieren te verontrusten?

Misschien als ik ze een documentaire van Sir David Attenborough vertoon?

Wie is er hier het verontruste dier?

 

Zinloos testen



Ik trek het boetekleed aan, maar weer. Want het was mijn idee, natuurlijk, dat A. een coronatest ging doen. Vervolgens kwam ze ontdaan thuis. Vreselijk was het. Ze voelde zich al klote, anders was ze überhaupt niet gegaan, maar die stok in haar keel maakte het erger.

'Ik had enorme kokhals-reflexen,' zei ze. Haar mondhoeken stonden recht naar beneden. Nog even en ze ging weer huilen.

'Je moet je ook ontspannen,' zei ik, nogal overbodig.

'Die vrouw die hem naar binnen stak had haast. Eerst ging het niet. Ik zei: oké, laat maar. Maar toen ging het toch.'

'En toen ging ze nog je neusgat in?'

'Met een kinderstokje. Had ik om gevraagd.'

Dat mag ik dan bij mijn boete in mindering brengen, want dat was een tip van mij. Zo'n kinderstokje is minder invasief en doet hetzelfde werk.

'Het voelde echt als een fysieke aanval op mijn lichaam,' zei A.

'Het is ook een fysieke aanval op je lichaam.'

A. ging terug naar bed, in afwachting van de uitslag. Ik gaf haar een kopje thee. Vanmorgen ging het wel weer.

Net krijg ik het bericht dat ze negatief is.

Een opluchting inderdaad. Maar aan de andere kant ook het gevoel: ik heb haar voor niets die marteling laten ondergaan.

Want we wisten al dat ze het niet had. Natuurlijk had ze het niet.

Maar toen ze al een paar dagen klaagde over een hoofd vol snot, keelpijn en dergelijke, had ik gezegd: misschien moet je je gaan testen.

Dat had ik 'dus' beter niet kunnen doen.

Aan de andere kant: nu weet ze zeker dat ze het niet heeft. (Ik weet ook zeker dat ik niet dood ben. Dat helpt me erg in het leven.)

Ik begin steeds beter te begrijpen waarom de Nederlandse regering zo traag en laks was met testen in het begin.

Wat heb je eraan? Je toestand verandert er niet door. Testen maakt je niet beter. Een positief resultaat verplicht je daarentegen wel tot zelf-quarantaine. Dat moet je niet willen. (Als je echt ziek bent ga je naar het ziekenhuis.)

'Waarom wou je eigenlijk dat ik me ging testen,' vroeg A.

'Om heel eerlijk te zijn, ik was nieuwsgierig. Wil je dat ik me ook een stok in keel en neus laat steken, uit solidariteit?'


Gruwelijkheden uit het verleden werken door in het heden


Wie dacht dat Twelve Years A Slave gruwelijke details bevatte over de slavernij in het Amerikaanse Zuiden, moet even naar de podcast De plantage van mijn voorouders luisteren, van Maartje Duin en Peggy Bouva, over slavernij in ons eigen Suriname.

De gruwelijkste scene in Twelve Years, vond ik, was die waarin de tot slaaf gemaakte Solomon Northup aan een galg bungelt, gewoon midden op de dag, en het leven op de plantage om hem heen rustig doorgaat. De zon schijnt, er lopen mensen voorbij maar deze man hangt, als straf voor zijn opstandige gedrag, aan een boom. Draaiend aan de touwen, kan hij net met zijn tenen bij de grond. Hij lijkt wel een uur rond te tippelen in de modder voordat iemand de touwen komt doorsnijden.

In De plantage van mijn voorouders wordt, bijna terloops, verteld over de straf die een tot slaaf gemaakte in Suriname kreeg. Zijn geval is overgeleverd, er zullen er veel meer zijn geweest, maar alleen de details van zijn marteling kennen we. 'De tenen en de vingers werden met een beitel afgehakt,' horen we Maartje Duin met haar geaffecteerde stem (die opmerkelijke overeenkomst vertoont met die van Margriet van der Linden) citeren uit het verslag. 'Daarna werd hij gedwongen zijn afgehakte vingers en tenen op te eten.'

Dit soort details horen we veel te weinig. Logisch, want ze zijn bijna niet om aan te horen. Maar, ervan uitgaande dat ze op een historische werkelijkheid berusten, zijn ze belangrijk. Ze kunnen helpen het leed voelbaar te maken.

Er zit nog een ander, veelzeggend citaat in De plantage van mijn voorouders, namelijk dat van een oom van Peggy Bouva, die eigenlijk nooit over de slaventijd spreekt, maar na een tijdje toch aangeeft: 'Ik voel de zweepslagen nog.' De zweepslagen die zijn voorouders kregen – om hen wat harder op de suikerplantage te laten werken, bijvoorbeeld.

Een koele rationalist zou naar voren brengen dat dat niet kan. Dat je de zweepslagen van je voorouders honderdvijftig jaar na dato niet meer voelen kunt. Maar ik denk dat iedereen die niet van steen is, begrijpt wat deze man bedoelt.

Al met al een belangrijke podcast, die iedereen zou moeten luisteren die geïnteresseerd is in zijn eigen afkomst en die van de ander. Want, zo maken Duin en Bouva duidelijk, daders en slachtoffers in dit verhaal, en hun afstammelingen, zijn tot elkaar veroordeeld tot in de zoveelste generatie, en alleen door naar elkaar te luisteren, kan er iets van heling plaatsvinden. 



Valse uitnodiging


Vriendenetentje: leuk, long overdue en illegaal. Er is me gevraagd kaas mee te nemen en die stal ik zo lang in de gang: een brok shropshire blue, een stuk tomme de savoie en, als klap op de vuurpijl, een doos vacherin mont d'or, druipkaas die smelt op de tong.

'Zullen we voordat je weggaat nog even wijntje drinken,' zegt A. 'Met een kaasje erbij?' Kaas is voor een vegetariër als A. geen kaas, maar een eerste levensbehoefte. Reden waarom ze er niet over piekert te migreren naar het land der veganisten.

Natuurlijk wil ik met haar een wijntje drinken, alleen, ik kijk in de ijskast: kaas op. Er is alleen nog een sneu, goedkoop bolletje mozzarella over de datum. Beter dan niets, denk ik en fabriceer een caprese, met gebruikmaking van snoeptomaatjes en half verpieterde basilicumblaadjes.

In de tussentijd heeft A. mijn kaas ontdekt in de gang. 'Die vacherin mag je niet meenemen, dat is parels voor de zwijnen! Daar houden die vrienden van jou helemaal niet van!' Met de vacherin onder haar arm, als een gestolen biggetje, installeert ze zich op de bank.

'Doe niet zo flauw, natuurlijk wordt die kaas geapprecieerd.' Ik leg de vacherin terug in de gang. 'Ik heb caprese gemaakt.'

'Ik hoef jouw caprese niet. En ik hoef ook geen wijn meer.'

'Wat is dit nu weer, kom gewoon even zitten, dan drinken we wat.'

'Nee.'

'Ben je boos?'

'Ja.'

Water bij de wijn, er zit niets anders op. 'Weet je wat, ik maak die vacherin wel open, dan eten we daar wat van.'

'Ga maar naar je vriendjes. De kinderen en ik gaan zo eten...' Stampvoetend verdwijnt ze naar de keuken. 'Wat is dat nou voor valse uitnodiging.'

'Valse uitnodiging?'

'Ja je koopt heerlijke kaas voor je vriendjes en helemaal niets voor mij! Dat is toch waardeloos?'

Op weg naar het etentje koop ik nog een doos vacherin, die ik bij thuiskomst, midden in de nacht, aan haar voeten leg.


Moeten we al medelijden hebben met Donald Trump?



Moeten we al medelijden hebben met Donald Trump? Moet ik al een kaarsje voor hem en zijn gezin gaan branden? Moet ik tot mijn godje bidden om Donnie vergeving te schenken, genade zelfs?

Misschien nog even wachten. Wachten tot hij zelf tot het inzicht komt dat hij meelijwekkend is. Maar dat kan 'dus' nog wel even duren.

Narcisme wordt allereerst gekenmerkt door een stuitend gebrek aan ziekte-inzicht.

'Wat? Ik narcistisch? Maak ik alles en iedereen kapot? Ben ik mijn legacy, voor zover ik die heb, verder de grond in aan het werken? Lijden jullie onder mijn onredelijkheid en maniakale egocentrisme? Hoe kom je erbij!'

Ik zie een scène voor me, in Fire, de tv-serie die ongetwijfeld in de maak is over het Witte Huis onder Trump, waarin Ivanka of Melania, of Ivanka en Melania, de familietherapeut opbellen met de smeekbede om Donnie over te halen te komen praten, want alleen hij is daartoe in staat. Donnie luistert alleen naar de familietherapeut, Dr. Freund. Voor de familietherapeut gaat hij op zijn handen en knieën door de kamer, als een hondje. Met een puntmutsje op. Maar de familietherapeut wil er nog niet aan. Ze denkt dat het voor alle partijen, voor hemzelf vooral, gunstiger is om hem nog even door te laten razen, tot hij zelf tot stilstand komt. Zoals op hol geslagen elektrisch speelgoed. Rustig wachten tot de batterij leeg is.

Wanneer zou bij Donnie de gedachte, de angst postvatten, dat, als hij zijn verlies niet neemt, hij de geschiedenis ingaat als President Fake News? Of, erger, President Fake? Dat hij, door te blijven drammen over stembusfraude zichzelf onsterfelijk belachelijk maakt?

Misschien gelooft hij nog steeds, zoals ik aanvankelijk dacht, dat dit een meesterlijke zet is. Zoals het tijdens zijn regeerperiode ook meesterlijk was om de ander van leugens te beschuldigen, terwijl je zelf zit te liegen.

Een pathologische leugenaar, net zoals een klassieke narcist, heeft in diepste wezen een diep beschadigd ego.

Ook Donnie heeft, zoals wij allemaal, liefde nodig.

Ocherm.

Seksuele voorlichting

uit een Rutgersfilmpje. Verschilt niet veel
van wat ik onder ogen kreeg 40+ jaar geleden


'Pap, hoe vind je mijn staartjes?'

Sacha staat voor me, showt haar pipi-langkous-look. Ongelooflijk maar in haar zevenjarige leventje heeft ze deze look ondanks mijn aandringen nog nooit uitgeprobeerd. Of ze is er in elk geval niet mee naar school gegaan.

'Prachtig.'

Luc en ik moeten lachen om het woord pipi. Het doet ons denken aan de Rundfunk-scene met de Duitse leraar, die twee leerlingen dreigt te shamen op de mentorgesprekken met de ouders.

Gisteravond, na het eten, was Sacha op schoot komen zitten en had ze me aan mijn kin gevoeld. 'Prikbaard. Je moet je scheren, pap.'

Het is moeilijk om mijn dochter niet te zien als de New Wife in the House. Een klein vrouwtje, dat zeker, maar minstens zo veeleisend.

Bij het in bed leggen vroeg ze: 'Pap, wil je dat ik een kindje krijg later? Dan word jij opa.'

Ik legde politiek correct uit dat voorplanting voor het levensgeluk een noodzakelijke noch voldoende voorwaarde is. 'Bovendien, je bent zeven. Weet je hoe oud je moet zijn om kindjes te krijgen?'

'Twaalf,' klonk het wijsneuzerig vanuit de hoogslaper.

'Twaalf is wat aan de vroege kant. Tweeëntwintig is al beter. Sommige vrouwen krijgen pas kindjes als ze tweeëndertig zijn, zoals je moeder.'

De informatie bezonk in de verduisterde kinderkamer.

'Hoe krijg je trouwens kindjes pap. Hoe komen die in je buik.'

'Dan moet er eerst een zaadje in. Van een jongen.'

'Hoe werkt dat?'

Goed, ik had me hier niet op voorbereid, ik bedoel ze gelooft nog in het Sinterklaasjournaal, moet je dan niet ook in de ooievaar geloven, maar goed, daar gaan we: 'Die komen uit de piemel. De piemel gaat bij jou naar binnen.'

'Gatver!' riep Luc. 'Wil je alsjeblieft doorgaan met die sprookjes van Bomans?'

Toevallig ging het sprookje, Anna, over een eendagsvlieg die in één dag trouwt, kindjes krijgt (en scheidt en daarna een nieuwe meneer vlieg ontmoet).

Vanochtend, bij het ontbijt, komt nog even het onderwerp besnijdenis langs, zowel bij jongens (jasje eraf) als bij meisjes (details te pijnlijk), en het zit er weer op.

Nu alleen nog menstruatie. Mag mamma doen.



De stervende en de levende (poging tot sonnet)

 



i.m. judith

i.m. helmuth



leven en laten sterven dacht de levende

en kuste zijn vader op zijn klamme hoofd

makkelijker gedacht dan gedaan dacht deze

zuchtte eens zacht en rommelde de stilte in


was ik maar stervende dacht de levende

dan hoefde ik niet te liegen

dan hoefde ik niet lief te hebben

niet meer te lachen voor mijn moeder


de stervende en de levende

wreed en vreedzaam

tot elkaar veroordeeld


de stervende laaft zich aan de levende

de levende ziet het lijden niet

tot hij door de dood wordt ingehaald

Taalachterstanden


Saro, onze knuffelkoerd, komt een rol inspreken voor wat zo langzamerhand wel mag worden genoemd Moord in de Morvan. De podcast – want dat is wat het is.

In de vijf jaar dat Saro in Nederland woont (hij is  b i j n a   Nederlander) is zijn Nederlands vele malen beter dan het Nederlands van, ik noem maar iemand, een Amerikaanse vriendin die 'hier' al tig jaar woont.

De wet van de remmende voorsprong.

Ik weet nog goed dat ik hem zag zitten op de bovenste verdieping van de provisorische vluchtelingenopvang, een voormalig bankgebouw in Zuidoost, verdiept in zijn krakkemikkige telefoon. Maar niet om hersenloos te appen of gamen. Deze wegens levensstijl-keuzes met de dood bedreigde uit Iran-gevluchte man was Nederlands aan het leren.

Overigens is Saro kapper en stylist en heeft hij tig volgelingen op Insta.

Als ik hem aanwijzingen geef voor Murat, de rol die hij moet spelen, maakt hij aantekeningen in het Farsi op een vierkant velletje. Het wonder der taal. Hoe taal er in het leven heel erg veel toe doet, en tegelijk ook helemaal niet.

'Waarom heb je me bedrogen, Paul Krom? Ik dacht dat ik je kon vertrouwen, maar je hebt me uitgeleverd aan de duivel!’

Deze zin kost Saro geen moeite. Wel vraagt hij: 'Wat is duivel?'

Ik schiet in de lach als hij de klemtoon in het woordje 'afluisteren' als in 'ik moest toch de familie afluisteren?' telkens op lui legt in plaats van op af, maar na ongeveer twintig keer staat het er op.

Nog een eigenaardigheid: chateau krijgt hij er niet uit. Hij blijft chatau zeggen, rijmend op lauw. Nu ja. Ik ben er niet zeker van dat het Tunesisch-Franse karakter dat hij moet voorstellen het wel als sjatoo had uitgesproken.

Gegeven zijn taalachterstand in het Nederlands, en de mijne in het Farsi, vind ik het resultaat helemaal niet slecht, maar misschien ben ik niet objectief.

De second thoughts die ik heb betreffen de vertolking an sich. Natuurlijk is het leuk om de karakters uit je hoofd zodanig uit te werken, in dit geval met een klinkende stem, dat ze 'tot leven komen'. Tegelijk sterft er daarbij iets.

Een deel van de verbeelding van de lezer/luisteraar.

Men kan niet alles hebben.



Een paap in het Witte Huis


'Hoe vind je dat,' zei ik tegen Nico, terwijl ik haar in de taxi hielp die ons naar het Vondelpark moest brengen, 'een paap in het Witte Huis.'

'Weet je wat me nog het meest verbaast? Dat daar zo weinig om te doen is geweest.'

Ik deed haar veiligheidsriem om en stapte aan de andere kant in de auto. 'Wat had je dan verwacht? Volksopstanden, rechtszaken? Revolutie?'

'Op zijn minst.'

Ik vroeg me af of de Kennedy's de laatste papen waren geweest in het Witte Huis, maar ik was te lui om het te googelen.

In het Vondelpark aangekomen werden we verwelkomd door een klarinettist die zich in de bosschages had opgesteld. We bleven even staan luisteren, hij speelde nogal overtuigend, met vibrato en al, het thema uit The Godfather. Was dit misschien de klarinettist van het KCO?

De zon scheen alsof hij niet ook gister geschenen had. De bladeren lagen in steeds bruinere hopen bijeen. In de verte was nog een lichtgroene, en een gele boom zichtbaar. De wereld zag er op een of andere manier hoopvoller uit, hoewel alle verandering semantisch was, vooralsnog.

Ik parkeerde Nico bij een muurtje en bestelde twee soep bij Het Blauwe Theehuis. Ik moest denken aan Het leven is verrukkulluk, die beslist imperfecte en niettemin genietbare ode aan het Vondelpark van Frans Weisz, waarin Het Blauwe Theehuis voorkomt. De ober wist desgevraagd van niets. (Niemand weet meer iets, valt me op.)

'Die vrouw van Biden, kom hoe heet ze, schijnt ook geweldig te zijn,' zei Nico tussen twee lepels van haar pompoensoep door.

'Jill? Ja, en ik hoorde dat ze ook een fantastische dochter hebben, die er nog goed uitziet ook.'

'Vergeet Kamala niet. Soms denk ik dat die twee getrouwd zijn, Kamala en Joe, maar dat is natuurlijk niet zo.'

'Nee. Maar goed. Een en al geweldigheid, daar dus.'

Wat een paap zoal niet teweeg kan brengen dacht ik, maar ik hield mijn gedachte voor me.





Tennissen met Tvsi


Het liftmuziekje van Dialup, de internationale eenzaamheidsbestrijdingsdienst, klinkt weer eens. Ik word uitgenodigd te kletsen met een wildvreemde, ergens in Europa. Normaal ben ik daar best voor te porren, maar ik ben aan het werk, geloof het of niet, ik ben niet eenzaam en ik heb geen zin. Maar het liftmuziekje houdt aan en mijn nieuwsgierigheid wint het, zoals vaker, van mijn tegenzin.

Hallo, waar ben jij?

'Manchester,' klinkt een wat matte mannelijke stem aan de andere kant. 'And you. Amsterdam?' Volgt een lofzang op die stad. Kan ik missen als kiespijn.

Het kletsen neemt een aanvang, maar ik ben niet zo kletserig vandaag, de matheid van de stem, alsmede zijn bekentenis, al vroeg in de klets, dat hij shy is en zonder werk zit, helpen ook niet. Dan bekent hij dat hij nogal eenzaam is omdat zijn hele familie in Londen zit. Hij heeft nog een zus in Israël en dat is het.

Ik ga rechtop zitten. Heeft deze man, laat ik hem Tsvi noemen, gebroken met zijn familie? Dat zou je kunnen zeggen. Hij is opgegroeid in een orthodox Joodse gemeenschap en wilde eruit. Om precies te zijn wilde hij graag tennissen en dat mocht niet, want op de tennisbaan 'buiten' waren meisjes met blote armen en benen. Toen is Tsvi weggelopen.

Een verhaal dat lijkt op Unorthodox.

Hoe vonden zijn ouders dat?

'Mijn vader was al overleden en mijn moeder reageerde niet echt. Omdat ik toch niet getrouwd was en ook geen kinderen had kon het haar niet zoveel schelen.'

We kletsen over hobbies. Tsvi pakt op verzoek zijn gitaar en speelt Haga Navila voor me. Hij zingt zo hard en enthousiast dat ik denk: als dit shy is, dan ben ik het ook. Ik speel Satie voor hem. Later komt zoonlief binnen en die speelt Señorita, waarop Tsvi zoonlief vanuit Manchester begeleidt.

Dialup denk ik, zoals Dialup is bedoeld.

Hoe lang kan zo'n gesprek doorgaan? Tsvi laat zich ontvallen dat hij arbeidsongeschikt is en medicijnen slikt, resperidon, tegen psychoses. Al lang. (Hij is 48.)

Ik ga nog weer wat rechter op zitten. Ik laat me ontvallen dat er, b'ezrat hashem, een boek van me uitkomt genaamd Waanzin. Dat vindt hij interessant.

'Lees je boeken?' vraag ik, hoopvol.

'Niet echt,' zegt hij. 'Ik ben al blij als ik de krant uit krijg.'

 

Scheids




De angst, na een wedstrijdje fluiten bij de mini's, te worden opgewacht door voetbalvaders en -moeders, die me een hoek verkopen zit diep.

Wegens corona mogen alleen coach, scheids, en 'handhaver' – die de ouders buiten het hek moeten houden – het veld op.

Ik kijk naar de grond terwijl ik de haag ouders passeer.

'Wat was dat scheids? Gaf je mijn zoon nou een berisping?'

'Hij trok aan het shirt van een medespeler.'

'Dat heet voetbal, idioot.'

Baf.

Of: 'Waarom heb je dat zevende doelpunt afgekeurd?'

'Ze begonnen te vroeg met spelen, ik had nog niet gefloten dat de partij weer door kon gaan.'

Baf.

'Wat zei mijn zoontje tegen jou in de tweede helft? Dat je de wedstrijd dood aan het fluiten was?'

'Nee, hij klaagde dat zijn veters loszaten. Ik heb hem doorverwezen naar de coach.'

'Ja ja.' Baf.

Nee, in werkelijkheid gaat het bij de denkende club waarvan mijn kinderen lid zijn beschaafd toe. De coach wilde me een fluitje geven aan het begin van de wedstrijd, ik zei hoeft niet, maar ja, hij had ze meegenomen, dus ja. Wie fluit heeft een fluitje nodig. En wie een fluitje heeft fluit erop. Maar waarvoor?

De grootste uitdaging van het fluiten, behalve onpartijdig fluiten, is het niet-coachen. Je wilt als scheids je eigen kind aanmoedigen, complimenteren, maar dat kan niet, mag niet, moet niet.

Bij het oefenen vooraf kreeg mijn dochter meteen een bal van een medespelertje in haar gezicht.

Huilen.

Mocht ik haar troosten? De wedstrijd was nog niet begonnen. Ik dwong een sorry af.

Electorale blubber


Ik weet niet hoe het met u zit, lieve lezer, maar ik krijg aambeien van de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Eerst achttien maanden campagnevoeren (18 maanden! op 48 maanden regeren!) en dan nu deze electorale blubber. Enough already! En toch: kan het alsjeblieft nog iets langer duren? Want hoe je het ook wendt of keert, het blijft verslavend.

'Relax,' schreef mijn hooggeleerde vriend uit Minnesota maandag al, 'Biden gaat winnen. 90 procent zeker. En als je niet tegen de spanning kunt slik je maar wat Ativan.' (Ativan is een kalmeermiddel, tegen anxiety.) Ik vond het moeilijk om te relaxen, maar ik heb ook geen zin in Ativan. Een glas wijn dan maar.

'Het is zo spannend!' riep A. Ik counterde: 'Het is altijd spannend. Ik heb nog nooit niet-spannende Amerikaanse verkiezingen meegemaakt. Ze moeten spannend zijn, anders worden er geen kranten verkocht. Herinner je je Bush versus Gore nog, met de butterfly ballot?'

Nee, dat herinnerde ze zich niet.

Ondertussen neuzelde CNN door.

Wezenloos staarde ik naar het robothoofd van Anderson Cooper, de micro-cleavage van Erin Burnett, de vierkante John King (wat is die man oud geworden!), maar ook naar de volmaakte zwarte schedel van Victor Blackwell, die in Philadelphia in het lokaal was, waar de stemmen werden geteld.

Er was geen nieuws, maar men neuzelde door. Ziehier het ultieme Amerikaanse talent: praten over niets. De leegte vullen. Uit angst voor de dood vermoedelijk. Horror vacui.

'Anderson is net vader geworden,' zei A. 'Kijk, dat weet ik dan weer.' Ze hield een foto omhoog waarop Anderson er niet uitzag als een robot, maar als een vader. Good for him.

Aan de elfjarige – nu al political junkie –, legde ik uit dat CNN kost wat kost onze aandacht moet vasthouden om genoeg eyeballs te kunnen verkopen aan adverteerders (van spotjes die wij overigens, in Old Europe, niet te zien krijgen, joechei).

In het stem-tel-lokaal, waar opmerkelijk veel zwarte mensen werkten – hoe cynisch was dat? de disenfranchised helpen mee aan hun eigen disenfranchisement – stak een vrouw met overgewicht nog stiekem een donut in haar mond.

'Ze hebben niet in de gaten dat de hele wereld kijkt,' zei A.

Toen de kinderen even weg waren, lieten we ons achterover vallen in de bank en greep ik mijn vrouw bij haar poessie. Iemand moet het doen, nu Trump er niet meer is.


Stemmen




Als aspirant podcastmaker op zoek naar onbezoldigde stemmen kom ik graag bij de mensen thuis. Zo was ik gisteravond bij mijn ouders, in Résidence Hemelpoort. We hadden net genoeglijk gegeten en ik zei: 'O wacht, ik wil nog iets met jullie doen.' Ik pakte mijn laptop.
'Een roze! Sjiek zeg,' riepen mijn ouders gezamenlijk uit.
Ik was vergeten dat ze die nog niet gezien hadden.
'Is die nieuw?'
Ik knikte. Ik zette mijn laptop met de tekst voor mijn vader op zijn schoot. Mijn vader concentreerde zich en sprak de lange, samengestelde zin foutloos uit – eigenlijk in een keer goed. Het viel me op hoe mooi zijn eenennegentigjarige stem klonk, hoog en laag door elkaar. Een interessant timbre, zogezegd. Heel authentiek. Zijn acteren was ook prima, alleen begon mijn moeder tegen het eind van de claus door de opname heen te giechelen.
'Oké,' zei ik tegen mijn vader, 'dat was heel goed, maar omdat moeder erdoorheen giechelde moet het nog een keer.' De tweede keer bleef hij haken aan een woord, dus moest het nog een keer.
Ach ja, het aandoenlijke streven naar perfectie.
Nu was mijn moeder aan de beurt. Hoewel zij veel theatraler is dan mijn vader, had ze duidelijk meer moeite om de goede toon te vinden voor dit stukje stemacteerwerk. Misschien omdat ze te gretig was. Gretigheid is noodzakelijk en toch zit het niet zelden in de weg.
'Een beetje meer spot erin, graag.'
Ze probeerde het nog een keer.
'Goed, maar het is niet meneer, maar monsieur.'
'Je kunt me wat,' zei mijn moeder. 'Ik heb geen zin meer.'
'Nog één keer.'
Natuurlijk werkte ze mee. De medewerking van mijn ouders aan mijn diverse projecten is schier eindeloos.
Thuisgekomen luisterde ik de opnames af en monteerde ze in het verhaal. Het klonk opmerkelijk goed. Ik verheugde me er nu al op om mijn ouders in de credits te vermelden.

Sprookjes




'Wat een waardeloze sprookjesschrijver is dit!' kraaide de elfjarige vanuit zijn hoge bed.
Ik kon een zekere teleurstelling over het genadeloze oordeel van mijn zoon niet onderdrukken. Ik had net een paar sprookjes van Godfried Bomans gelezen uit diens Groot Sprookjesboek, een mooi en mooi (door Wouter Hoogendijk) geïllustreerd boek dat ik, zag ik voorin, voor mijn negende verjaardag had gekregen, en dat ik had verslonden. Vooral het ronduit enge De vijvervrouw (zie boven) stond me bij, en, dus, De oprechte moordenaar, dat ik net aan mijn zoon had voorgelezen. Die vond hij ook goed. Het gaat over een reiziger die in het bos bij een moordenaar aanklopt voor wat gastvrijheid, maar dan wordt gewaarschuwd: 'Ik ben een moordenaar.' De reiziger denkt dat hij schertst en moet zijn suspension of belief bekopen met de dood.
Maar ik had 'dus' de fout gemaakt om het verhaal daarna, De dood van de sprookjesverteller, ook nog voor te lezen, en dat was – wederom, ik moest mijn zoon gelijk geven – een flauwe, met een uiterst onbevredigend einde. Een matige versie van een matige Hans Christian Andersen. Het wordt tenenkrommend als Bomans grappig probeert te zijn, door flauwe verwijzingen, studentikoze terzijdes en quasi-absurdismen die niet werken. Dan ontsporen zijn sprookjes hopeloos. Andersen probeert nooit grappig te zijn; hij is het vanzelf, of hij is het niet, maar dan is hij iets anders. (Ontroerend bijvoorbeeld.) Altijd origineel. Misschien was Andersen de sprookjesschrijver to end all sprookjesschrijverij, maar daar wil ik vanaf zijn.
Hoe dan ook, mijn zoon had goed gezien waar Bomans door de mand viel. Ik was dat vergeten, of ik had het nooit zo opgemerkt. (Mijn vader had die verhalen ook niet aan me voorgelezen, dacht ik. Mijn moeder misschien.)
'Maar De Oprechte Moordenaar was toch goed?' probeerde ik nog iets van Bomans' reputatie te redden. 'Je moet een schrijver altijd beoordelen op het beste wat hij gemaakt heeft, niet het slechtste.'
'Ja, dat zal wel,' morde mijn zoon, draaide zich om en ging slapen.
Of hij nou wil of niet, ik zal hem het hele boek voorlezen. Eerst kennisnemen, dan oordelen, nog altijd. Misschien dat hij ook valt voor De vijvervrouw.


Trial by media


Trial by media, dacht ik bij de indrukwekkende productie van Lucette ter Borg en Carola Houtekamer over de vermeende sex crimes van de Haagse beeldend kunstenaar Julia(a)n Andeweg in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag. Ter Borg en Houtekamer treden op als politie en justitie. Ze doen onderzoek, formuleren de beschuldiging en leveren het bewijs. Heeft de verdachte een advocaat? Jawel, maar die laat niet van zich horen. De verdachte zelf zegt ook niets, behalve: 'Heksenjacht.' Verder komt in de zaak geen getuige à décharge voor. Zelfs de moeder van de verdachte, volgens het verhaal zijn grootste apologiste, reageert niet.

Tja, dan kunnen wij lezers/juryleden, weinig anders doen dan roepen: 'Guilty as charged, your honor!' Alleen de strafmaat ontbreekt. Ik stel hierbij mijn kolenhok beschikbaar als detentie-ruimte.

Het schokkendst aan de aantijgingen tegen Andeweg, na de gedetailleerde beschrijvingen van aanranding en verkrachting naar verluidt door hem gepleegd bij tientallen vrouwen (van wie er overigens niet één met haar naam in de krant durft), is de toondoofheid van de instellingen waar hij zijn opleiding volgde of exposeerde. Kunstacademies en tentoonstellingsruimtes keken de andere kant op, gingen de confrontatie uit de weg, bedekten een en ander met de mantel der kunst. Waarmee ze impliciet en soms expliciet (waarom problemen maken? zijn werk verkoopt lekker!) het beestachtige gedrag van de kunstenaar goedkeurden.

'Ik dacht dat hij in therapie was.' 'Ik ben zijn vader niet.' 'We hebben een tussenschot in zijn atelier geplaatst.' Een tussenschot! Mooie metafoor voor pappen en nathouden.

De politie ontmoedigde vrouwen ondertussen om aangifte te doen, hetgeen wijst op een klimaat waarin sex crimes niet serieus worden genomen, hetgeen wijst op een klimaat waarin vrouwen niet serieus worden genomen, hetgeen denk ik wijst op een gebrek aan vrouwen in verantwoordelijke politie-functies.

Als het verhaal van Ter Borg en Houtekamer op waarheid berust, legt het genadeloos bloot waartoe een conspiracy of silence kan leiden.

En ik? Heb ik medelijden met Andeweg? Ja omdat hij als kop van jut wordt geofferd, en omdat hij psychiatrische hulp nodig heeft. Nee, omdat de vrouwen die hij geweld aandeed meer medelijden verdienen.


Gesprekken met mijn schildpad (9)


Wat denk jij, vederloze tweebenige? Jij bent toch correspondent geweest in dat land, dan zou je toch op zijn minst een mening moeten hebben over een en ander?

Ik denk dat Biden wint. Ik vrees dat Trump blijft zitten. Ik hoop dat als Biden wint, hij een hartaanval krijgt na honderd dagen en Kamala Harris het overneemt.

Dan krijgen we dus huilbuien. Dan worden we geregeerd door een mens dat huilt, bij wie de tranen makkelijk komen, die het hart op de tong heeft, die haar verdriet niet verbergt achter een poker face. Dat gaat Amerika definitief zijn nummer 1 positie in de wereld kosten.

Wat heb je die seksistische praat vandaan? Die Harris is geen Pat Schroeder!

Ik zou daar niet zo zeker van zijn... Die speech, heb je die gezien, waarin Pat Schroeder, op een prachtige zomerdag in Denver, haar man staat naast haar, er het bijltje bij neergooit? De teleurstelling onder haar aanhangers... Ze zet haar oversized zonnebril af en probeert dapper haar beslissing toe te lichten, maar dat lukt niet. Er zit een brok in haar keel. Haar man vraagt of ze oké is. Ze knikt ja, pakt een zakdoekje en dept haar ogen. Hij fluistert dat ze beter even op adem kan komen. Dat doet ze niet, ze gaat door, slikt haar tranen door, strijdvaardig als ze is. Ineens zoekt haar gezicht als een kronkelend dier troost bij dat van haar man en ze geeft hem een vlugge kus. Ontroerend.

Wat, jij ontroerd? Dat je daar nog toe in staat bent.

Waarom denk je dat Trump verliest, waar baseer je je dat op? Incumbents hebben toch altijd een streepje voor, tenzij ze het verknallen, of een heel sterke tegenkandidaat hebben?

Mijn hooggeleerde vriend in Minnesota voorspelt het. Hij zegt zelfs, fivethirtyeight citerend, dat er maar tien procent kans is dat Trump blijft zitten.

In 2016 zaten die prognoses er toch helemaal naast? Die tien procent klinkt me iets te hoopvol in de oren.

Ben jij niet stiekem toch Trumpiaan, Koos? Dat vind ik wel iets voor jou. Zeggen dat je het allemaal vreselijk vindt, je hoofd schudden in verontwaardiging over zoveel schaamteloze stupiditeit, leugenachtigheid en manipulatie, en ondertussen denken: het is goed dat dit eens gedaan en gezegd wordt.

Hoe kom je daar nou weer bij? Ik vind het 'gewoon' nogal mager, als Biden het beste is wat de Democraten anno 2020 te bieden hebben. En ja, een grillige narcist lijkt me effectiever tegen schakers als Putin en Xi Jinping dan een hakkelende empathicus. Buitenlandse politiek is toch het enige waarvoor wij ons zouden moeten interesseren?

Helaas niet, Koos. Alles komt vroeg of laat deze kant op.

Nou, dat zien we dan wel weer. Ken je het spreekwoord liever één vijand achter het raam dan drie vrienden op de bank?

(Zwemt weg.)