Zeeman o zeeman


Ik rijd door Maarssen en verbaas me, want ik ben nog nooit door Maarssen gereden, tenminste ik kan het me niet herinneren, over de witheid van de mensen op de fietsen, de scholieren die bij het stoplicht staan, de voetgangers, de mede-mobilisten, iedereen. Dubbelblank, mompel ik bij mezelf. Maar ik ben niet naar Maarssen gekomen om de raciale opbouw van de lokale bevolking van dichtbij te bestuderen.

Ik passeer verpleeghuis Snavelenburg – verpleeghuizen herken je onmiddellijk, het is moeilijk te zeggen waaraan, maar een deel van de verklaring is de steeds teleurstellende architectuur, een verpleeghuis ziet eruit zoals het er van binnen nogal eens ruikt – en vang, omdat ik mijn raampje open heb staan, een flard op van een lied dat met nogal wat volume ten gehore wordt gebracht, kennelijk buiten, met begeleiding. Ik zie niemand, maar ik hoor:

Zeeman, o zeeman/ Ga toch niet weer heen / Zeeman, o zeeman / Laat ons niet alleen

Een coronaconcert, ongetwijfeld. Ik wil stoppen om het bij te wonen. Het lied, een schlager moet het zijn, ken ik niet, maar klinkt me toch bekend in de oren.

Bij thuiskomst zoek ik het op. Zeeman o zeeman, van The Ramblers, maar natuurlijk, uit 1958. Nee, niks maar natuurlijk, ik kende dat orkest helemaal niet want het is ruimschoots voor mijn tijd. Het bestaat bijna honderd jaar. Het is het orkest van mijn ouders, maar mijn ouders heb ik er nooit over gehoord, ik moet ze er eens naar vragen.

Wie is Loesje? is een van hun all time hits.

Wie is Loesje/ Wie is toch dat snoesje? / Loesje is het meisje van de drummer van de band.

Het liedje is geïnspireerd op Liesje, dat was inderdaad de vrouw van de drummer van de band.

Onschuldig, deze muziek, in zijn eenvoud, maar misschien is het valse onschuld.

Nog iets: Snavelenburg beschikt over een crisisbed. Ik wil ook een crisisbed.


De verering van mijn voet



Ik zit in het zwembad, of meer precies bij het zwembad, naar de eeuwige zwemles van mijn dochter te kijken, of eigenlijk niet te kijken maar vooral met een vader te kletsen van een ander zwemleskind, die ook nog een zoontje voor zich op de grond heeft gezet, een mannetje van twee, Mo, en die ruikt aan mijn voet.

Hij was begonnen met aaien. Mijn blote linkervoet – schoenen en sokken moeten uit bij het zwembad – die voor zijn neus hing te bungelen (ik had mijn linkerbeen over mijn rechterbeen geslagen). Met zijn nog enigszins worstige vingers streek hij over de rug van mijn tenen, over mijn wreef, en langs mijn hiel.

'Heb je er last van,' vroeg de zwembadvader. 'Dan haal ik hem weg.'

'Helemaal niet.'

Dat ruiken is misschien toch wel enigszins vreemd. We kletsen verder. Het geval wil dat de zwemlesvader net Zalig uiteinde heeft gelezen (op mijn instigatie, dat wel) en gewag maakt van het in zijn woorden taboedoorbrekende aspect van de seksualiteit onder jongens in dat boek. Ik wil mezelf niet op de borst slaan, maar ik ken weinig niet-homo-erotische romans waarin dit soort seksualiteit een rol speelt (ik hou me aanbevolen voor titels). Tegen de zwembadvader hoor ik mezelf zeggen dat in geen van de recensies die dat boek destijds kreeg, hier ook maar een woord aan werd vuilgemaakt. Misschien kwam het omdat alle recensenten vrouwen waren. Op één na.

'Herman Brusselmans zou Zalig uiteinde recenseren, maar aangekomen bij de scene waarin de ik-persoon de tenen van een van zijn vriendjes in zijn mond neemt, wilde hij niet meer verder lezen.'

Mo is inmiddels overgegaan tot het kussen van mijn voeten. Het maakt mij niet uit wie mijn voeten kust, als ze maar worden gekust. Gek genoeg antwoordt Mo op zijn vaders vraag of hij mijn voet aan het kussen is: 'Nee. Ruiken.'

'Hij zegt graag nee,' legt de vader uit.

'Nee fase,' verbetert Mo.

Ik hoop dat hij er volgende week weer is.




Dun meisje


Terwijl N. en ik zwijgend de troostende nazomerse zonnestralen op een terrasje aan de gracht opvingen, zat, een tafeltje verderop, had ik al gezien (zijnde professioneel waarnemer, voyeur mag ook) een bleek, dun meisje. Ze had haar rugzak bij haar voeteneinde gestald. Ze had ook een laptop bij zich, maar die gebruikte ze niet. Ze lunchte. In haar eentje. Op zich al een bezienswaardigheid. Toen ze aanstalten maakte om te vertrekken en daarbij tamelijk ostentatief aarzelde, zei ik, bij gebrek aan een beter woord: 'Hallo.'

Ze zei hallo terug, maar daar bleef het niet bij. Ze deed haar verhaal. Ze was net afgestudeerd psycholoog en zat nu op de filmacademie. Een mooie combinatie leek me, bijvoorbeeld voor het maken van indringende, maar ook wetenschappelijk goed onderbouwde documentaires over het menselijk denken en gedrag, dat nooit nalaat te verbazen.

Ze stond op een tweesprong. Ze wilde naar het buitenland, maar moest ze dat ook doen? Op Amsterdam was ze uitgekeken. Geen stad waar veel creativiteit van uitging, vond ze. Niet zoals Parijs en Berlijn en zelfs Bangkok, waar ze ook langere tijd was.

In Amsterdam heeft iedereen alles al, zei ik. Succes, geld, vrienden, familie. Amsterdam is een stad voor gearriveerden. Kijk om je heen. Wie kan hier wonen? Alleen mensen die al ruimschoots geslaagd zijn. Dat is al vier eeuwen zo. Deze mensen zijn nergens meer naar op zoek. Misschien in Amsterdam Noord, zo oreerde ik verder, kun je nog iets van de scheppingsdrang en experimenteerdrift vinden die bijvoorbeeld ook Rotterdam ooit kenmerkte, en die me aan Brooklyn deed denken toen ik daar twintig jaar geleden woonde.

Het dunne meisje dacht erover naar LA te verhuizen.

Ik heb niets tegen LA, zei ik, maar dan moet je wel een auto hebben. Je kunt beter naar New York gaan.

Maar New York is toch heel duur?

Valt mee. En wat heeft een mens nodig? Minder dan je denkt.

Een goed boek, vulde N. aan. Ze glimlachte vanonder haar baseball-cap naar het dunne meisje.

In de East Village, of anders in Queens, kon je vroeger voor 5 à 10 dollar heel behoorlijk Indiaas eten, zei ik. Misschien is dat nog steeds zo.

Nou, ik denk dat ik dan maar ga, zei het dunne meisje.

Ik zou het doen. Straks ben je zo oud als wij en dan doe je niets meer, dan kun je alleen nog maar wachten op de dood.

Ze ging.


Eén meter is beter



Anderhalve meter is teveel van het goede. Ik geef toe, ik ben nogal laat tot dit inzicht gekomen, namelijk gisteravond, toen ik met A. over een compleet verlaten Van Baerlestraat liep en we op de stoep gekalkte anderhalve meter maatstaven tegenkwamen en ik zei: 'Ga jij eens aan die kant staan, dan ga ik aan deze kant staan. Eens kijken hoe die anderhalve-meter-samenleving in de praktijk uitpakt.'

A. deed voor een keer wat van haar gevraagd werd. Daar stond ze, aan gene zijde van de door de gemeente Amsterdam (veronderstel ik) aangebrachte pijlen op het trottoir, ter adstructie van de sociale distantie die we tot elkaar schijnen te moeten bewaren om gevrijwaard te blijven van besmetting.

Ze zag er goed uit, vond ik, A. Ze droeg een glitterende donkerblauwe jas, een vrij strakke spijkerbroek en grappige schoentjes. Hoewel bang voor kou, had ze het nog niet nodig gevonden om sjaals uit de kast te trekken, en mutsen en handschoenen en wat dies meer zij. Ze keek niet op haar nieuwe telefoon, want die had ze thuisgelaten.

'Kunt u me misschien de weg vertellen naar het Stedelijk Museum?'

'Wablief? Kunt u wat harder praten? Of anders gebarentaal.'

Gebarentaal ben ik slecht in, bovendien was het al laat, mijn gebaren zouden verdwijnen in de nacht. Rooksignalen zou kunnen, dat had een dramatisch effect gegeven, maar ik had niets te roken bij me. Het was allemaal academisch, want het SM was allang dicht.

'Deze afstand is toch niet te doen?'

'Het is de lengte van onze zoon. Stel je voor dat onze zoon op de grond tussen ons in ligt.'

Leuke meetlat. Conclusie van een burger: anderhalve meter is misschien weer een geval van het te goed willen doen, waardoor het tegenovergestelde wordt bereikt. Niemand, niet alleen de minister van justitie niet, gaat zich aan die anderhalve meter houden. Zeker, ik heb wel eens twee obese honden-uitlaters op leeftijd op flinke afstand met elkaar zien praten, dat zal ook wel anderhalve meter of misschien meer zijn geweest, maar verder heb ik de afgelopen maanden niemand dergelijke afstanden zien aanhouden, waar dan ook, niet in winkels en niet in restaurants, en al helemaal niet onder jongeren die op boten, in parken en waar dan ook op alle mogelijke wijzen samenklonteren.

Als we net zoals de Fransen één-meter afstand houden, zeg maar een ruime armlengte, dan heeft dit veel meer kans van slagen, niet alleen in coronatijden, maar als nieuwe maatstaf voor de Brave Nieuwe Wereld. Wel de andere kant op niesen, zingen en hoesten graag.

Dat is het wrede




De schoonbroer van mijn broer, ofwel de broer van mijn schoonzus, is een paar dagen geleden gestorven en ik wil dat niet onopgemerkt laten passeren. Hij was niet oud. Ik kende hem niet goed, maar de keren dat ik hem zag was hij goedgeluimd. Een levensgenieter, zoals dat heet. Hij was met een mede-levensgenieter getrouwd en woonde in Diemen.

Ik fietste toevallig door Diemen met mijn elfjarige een paar weken geleden, en we hadden net het nieuws gehoord dat hij ernstig ziek was, er was niet minder dan een medisch doodvonnis over hem geveld, en wij waren in een ouderwetse snoepwinkel in het centrum van Diemen en dachten: is het een idee om iets lekkers bij hem langs te brengen? Zo vaak is mijn elfjarige niet op ziekenbezoek geweest. Je moet wat. Niets doen is een optie, maar alleen voor een nihilist. Ik vind nihilisme als idee interessant, niet als lifestyle.

'Heeft geen zin meer,' zei mijn schoonzus toen ik haar belde vanuit de snoepwinkel. 'Lief bedoeld, maar nee.'

Ik heb een kaartje gestuurd. Als een schrijver zich van nut kan maken, dan met het sturen van kaartjes aan doodzieken. Toen ik het kaartje op de bus had gedaan, vroeg ik me af of het leesbaar was (ik heb het handschrift van een huisartsenzoon), maar misschien deed dat er niet toe.

Er valt niets te zeggen, dat is het erge.

Een week of twee geleden belde mijn broer om een update te geven over de status van de man die ik een kaartje had gestuurd. Het zag er nog steeds niet goed uit voor hem, maar toch minder niet goed dan aanvankelijk. Hij leefde nog.

Nu is hij dood. Vreemd hoe de diagnose – hij ging naar de huisarts met buikklachten en kreeg vervolgens te horen dat hij onder de kanker zat –, zo inslaat als een bom dat je daarna, als de zieke niet meteen sterft, weer hoop krijgt. Dat is het wrede, de dood laat nog even op zich wachten, lang genoeg om dingen te denken als: misschien valt het mee, misschien is er nog tijd. Dan slaat hij toe.

Een paar maanden geleden, vertelde mijn broer, was zijn schoonbroer bij de 102de verjaardag van zijn schoonvader en had toen opgemerkt: 'Dit zou wel eens de laatste verjaardag kunnen zijn die ik meemaak.'

Hij kreeg gelijk om de verkeerde reden.

'Though lovers be lost, love shall not,' dichtte Dylan Thomas. 'And death shall have no dominion.'




Protest song


In de music store op mijn telefoon stuit ik op drie recente hiphop tracks getiteld Lockdown.

'Corona tijden? Help jezelf. Zieke man.'

En: 'Ik ben aan het rennen met die Fabienne. Zij geeft me zo lang hoofd, ik voel me haar migraine. Ik ben aan het slangen buiten quarantaine, ik voel me spitser dan een antenne.'

'Zieke man, zieke zieke man.'

Deze straatpoëtica hebben we te danken aan Mula B.

Een grimmige beat eronder. C, Cis Dis C. Dat is alles. Alsmaar door. Drie minuten lang. Grote passen gauw thuis, zullen we maar zeggen.

Dan: Lange Frans. Ook al een woordkunstenaar, Lucebert kan wel ophouden. 'Welkom op het allerleipste festival. Je hebt geen kaartje nodig want je bent er al.' Geniaal, in een woord. En dat op een o zo simpele riffje F Bes F, B Fis. Mooi werk, Louis Andriessen is er niets bij. 'En ineens is het duidelijk dat wij getuige zijn/ Van de matrix die verkruimelt.'

En ook nog thuis in zijn complottheorietjes: 'Een pedonetwerk wereldwijd vraag niet hoe/ via Hillary Clinton tot de Oranjes aan toe.'

Lekker. Bedankt Frans. Herstel Lange Frans. Move over Eminem, here's Long French, from Amsterdam. Remember de Mikmak? Ik bedoel Long Frans! Robert Long? Nee, Frans Lang. Lang Lang? Nee, Lange Frans. Enzovoorts. Vul zelf aan, in de geest van de lyricus zelve.

Gelukkig – ernst alert! – is daar ook nog Lockdown, de echte, courtesy Anderson Paak. Niet grimmig, deze track, hoewel de lyrics daar alle reden toe geven, want het is een protest song, the people are rising, maar een hoopgevende protest song. Opwekkend.

Een lekker nummer kun je het ook noemen. Ik mag er graag in de keuken op swingen als niemand kijkt. Een hip hop track, zeker, maar wel een met een kop en een staart en een refrein en een couplet. En een verdomd fijne verbale solo, als ik het zo mag noemen, van Jay Rock over kale piano-akkoorden.

Fijne hese stem, die Paak. Amerika op zijn best dit





Italiaanse film


Met zijn zoon die vandaag vier wordt in de kinderwagen rent de tandarts uit Milaan naar banketbakker Blommestein om taarten te kopen in opdracht van de moeder die vannacht om twee uur taart heeft staan bakken omdat ze toch niet kon slapen maar die nu vreest dat die misschien is mislukt en die sowieso denkt dat één taart te weinig is, maar hij gaat de verkeerde kant op.

'Ik heb ook niets aan hem, hij zit de hele dag op zijn telefoon!' De moeder, onze buurvrouw, sjouwt op en neer naar het parkje om alles in gereedheid te brengen voor het feest. In de verte hoor ik luchtballonnen uit elkaar knallen. 'Het lijkt wel een Italiaanse film!'

Het is makkelijk leedvermaak hebben om ouders met stress over hun kinderfeestje.

Ik help mee de loodzware tuintafel te verplaatsen naar een plek in de zon. Als ik door mijn rug ga zijn de rapen gaar, maar ik ga niet door mijn rug. Alleen, als ik even later terugkeer, nu als gast, staat de tuintafel weer in de schaduw. De vier oversized kaarsjes op de zelfgebakken taart waaien uit. De genodigden, maar ook de tandarts uit Milaan, kijken zwijgend toe hoe de moeder de taarten aansnijdt. 'Hier, voor het feestvarken,' zegt ze tegen de jarige, die het bordje aanneemt met de woorden: 'Ik ben geen varken!' en de taart dan op de grond laat vallen. Hij rent naar de speeltuin en gaat schommelen.

'Heerlijke taart,' zeg ik tegen de buurvrouw. Hij is een beetje plat, maar er zit een framboos op en twee partjes mandarijn.

De buurtkinderen staan in de rij voor de langwerpige vouw-ballonnen die ik met een pompje opblaas. Maar dat zint de jarige niet. De vader pakt hem op om hem te troosten. De tranen springen spectaculair uit zijn ooghoeken.

Hoe je het uithoudt als ouders op een kinderfeestje? Met wijn.

'Wat een goed idee,' zegt de moeder. De tandarts uit Milaan haast zich naar de Albert Heijn en zo wordt het toch nog echt gezellig. De kinderen spelen, de ouders borrelen. De Italiaanse film krijgt een happy end.

Buitenveldert


N. en ik lunchen in Buitenveldert – niet bij een typische lunchplek, of nou, ja, eigenlijk wel bij een typische lunchplek. Dat wil zeggen, een restaurant dat heel erg zijn best doet om niet in een grauw bedrijventerrein te liggen, maar dat is dus wel het geval. La Brochette doet net alsof we aan de Côte d'Azur aan het lunchen zijn (het weer is ernaar), of op zijn minst in een of andere nouveau riche-badplaats, maar we worden 'gewoon' omringd door non descripte laagbouw die je in vrijwel iedere buitenwijk van Nederland vindt.

'Ik vind dat iets, dat Buitenveldert,' zegt N. tussen twee happen van een overigens zeer smakelijke gerookte zalm-sandwich (ook over de Cola Zero geen klachten) door. 'Eigenlijk begrijp ik er helemaal niets van.'

Niet zo gek misschien, N. komt uit Den Haag. Aan de andere kant...

Ik vertel over mijn tante van achtentachtig, die gerieflijk in een appartementencomplex resideert in Buitenveldert – maar goed, dat is dan aan de uiterste zuidelijke rand, zeg maar tegen Amstelveen aan. Die tante is daar neergestreken nadat ze op veel andere plekken had gewoond, maar toen ik kind was, woonde ze ook al in Buitenveldert, ook al gerieflijk, toen nog met mijn oom, en wel in een bungalow aan de Cannenburg (in Dagboek van een postbode beschrijf ik hoe ik een van mijn eerste diensten draai in die straat en mij gelukkig prijs dat mijn tante mij daar niet in die hoedanigheid aantrof).

Een andere associatie die ik met Buitenveldert heb is Joop den Uyl. ik weet ook niet waarom. Ja, hij woonde er, maar niet in een bungalow volgens mij. Ik wil graag denken in een doorzonwoning.

Als N. en ik op straat staan te wachten op onze uber, parkeert voor onze neus een oudere heer en dame in een sportwagen met open dak. We kunnen vrijelijk naar binnen kijken bij dit duo. Ze zien er patent uit.

Typisch Buitenveldert, denk ik.



Porno voor de hele familie



Avond alleen thuis. Komt niet zo vaak meer voor. Wat te doen? Tijd vermorsen. Rommelen. Rotzooien. Alles behalve mijn nieuw hervonden vrijheid op soevereine wijze invullen.

Hermans zei het al en velen zeiden het met hem: de mens is slecht geëquipeerd om haar vrijheid ten volle te benutten. Liever verzint hij structuren om die vrijheid meteen weer kwijt te raken.

Vroeg of laat komt dit in mijn geval neer op zappen. Ik zap altijd achteruit, ik bedoel ik blader terug, omdat ik op zoek ben, ik heb het eerder gezegd, naar het vreemde. Ik ben een xenofiel.

Op kanaal 791 (ik denk trouwens niet dat er 791 kanalen beschikbaar zijn, dus daar heb je het al) val ik in My Sister Is A Whore.

Secret Circle heet het kanaal; logo hierboven. Nooit gezien zeker.

Wat me opviel aan My Sister Is A Whore was dat alles was zoals je zou verwachten behalve dat één stukje huid – het cruciale stukje huid, zou je kunnen zeggen – bij zowel man als vrouw nooit in beeld verscheen.

Familie-porno, dacht ik, porno voor de hele familie. Maar daarna dacht ik: wacht eens even, zou dit ook weer een fetisj zijn, preutse porno, die juist niet laat zien waar en hoe het gebeurt, steeds om de hete brij heen draaien? Knap camerawerk overigens, mijn complimenten. Misschien maken deze producenten gebruik van Japanse cameramensen. Bij Japanse porno, tenminste zo was het een tijdje geleden, heerste een verbod op het tonen van schaamhaar. (De boel afscheren was volgens mij geen optie. Het ging de Japanse censor niet om dat schaamhaar, maar om wat dat schaamhaar verhulde.)

Ondertussen ligt er een jongen, die eerst nog alleen aandacht had voor zijn computergame, maar allengs de strippende zus ontdekt, tegen haar kruis aan te humpen. Met zijn broek aan, eerst. Daarna trekt hij zijn broek uit. The old in and out blijft niet alleen onzichtbaar, maar ook hoogst onwaarschijnlijk, maar misschien ben ik een pietje precies. Daarna sluit een andere computergamer zich bij het gezelschap aan, die van de hoererende zuster een 'blow job' krijgt.

Al met al vroeg ik me af, zoals altijd, hoelang dit doorging. Lang zo bleek. Preutse porno kun je heel lang volhouden, denk ik, omdat er 'dus' nix gebeurt.

Afijn. Vandaag kijk ik op 791 en zit alles weer vrolijk achter slot en grendel. Jammer. Ik had mijn elfjarige misschien wat seksuele voorlichting kunnen geven of, nog beter, hij zichzelf.


Dear Ankie Broekers-Knol,



Mogen wij bij u twee of drie Moriaatjes bestellen? Weesjes, graag, als het kan. Lijkt ons wel gezellig. Geeft weer wat gespreksonderwerpen aan tafel. Doe maar zo tussen de acht en de twaalf. Liever niet ouder, we hebben geen zin in extra gepuber (ook niet jonger; wel zindelijk graag, of luiers meegeven). Niet meteen. Straks wel, maar eerst even inkomen. Het is toch een reverse culture shock voor ons.

Wat betreft geslacht: anything goes. Of er nou een slangetje aanhangt of een sneetje in zit, weet ik innmiddels, ze willen maar een ding en dat is zo snel mogelijk achter een scherm. Ik laad ze alvast op. Wat, u wilt graag dat hun schermtijd beperkt blijft? Prima, maar mogen wij dan een vergoeding voor de linkse hobby's waar we dan op moeten terugvallen? Nemo, Artis, Voorlinden...

Mevrouw Broekers-Knol, weet u wat ik zo vervelend vind? Dat ik de term aanzuigende werking maar niet uit mijn hoofd krijg. Wie heeft die verzonnen? U niet, maar dan toch wel iemand uit uw partij, of een andere partij die lijdt aan milde of niet zo milde vormen van xenofobie, en, dat is het 'mooie', daar ook voor durft uit te komen.

Wees gerust, we lijden allemaal aan xenofobie, ik durf te beweren dat niemand volkomen vrij is van xenofobie. Angst voor de vreemde is angst voor de onbekende. Maar let op: wij hier in huize Vrijheid zijn xenofiel, zo niet xenomaan. Het kan ons niet vreemd genoeg zijn. Dus graag uw vreemdste vreemdelingen hierheen zenden. Lichamelijk gebrek welkom.

Nog een klein verzoek, mede namens mijn vrouw. Of u wilt kijken of er rugzakjes van Yes We Carry aan die weesjes vastzitten. Zo ja, dan zouden we graag onze voorkeur voor hen willen uitspreken. We zouden die rugzakjes namelijk graag terughebben. Noem het circulaire economie.

Dank voor de moeite, en keep our borders safe,

enz.



Temperament



'Heeft jouw moeder ooit wel eens 'sorry' gezegd,' vraag ik A. toen ik uit de douche kwam. 'Wat is sorry in het Noors?'

A. was al aangekleed. 'Hoezo?'

'Nou, ik kan me zo voorstellen dat ze als moreel superieur wezen daar nooit reden toe heeft gezien.'

A. reageert verbaasd. 'Maar er was toch ook helemaal geen reden toe! Jij was een etter.'

'Je moeder reageerde nogal fel. Ik vond het buiten proportie.'

Achter mij hoor ik de hotelkamerdeur hard in het slot vallen.

De emotionele afwikkeling van de confrontatie met de ideale schoonmoeder boeit me bovenmatig. Het eerste wat gebeurde nadat ze mij terecht had gewezen op het veldje op de Hoge Veluwe? Mijn dochter die partij voor me koos. Ze kwam onmiddellijk op me af, rennend bijna, om haar steun te betuigen aan haar in het nauw gedreven vader. Hartverwarmend.

'Stom hè,' mompelde ik. Ze knikte hevig.

De rest van de dag probeerde ik mijn hoofd koel te houden, hoewel ik zoals elke (onheus) terecht gewezene, zon op wraak. Maar hoe wreek je je op je schoonmoeder? Ik besloot tot, – hoewel, een besluit kan het lastig worden genoemd, ik merkte dat ik ertoe over was gegaan, zoals dat wel vaker gaat met wraakgevoelens – passieve agressie. Ik meed haar. Ik merkte dat zij mij ook meed. Wij meden elkaar. Maar we wisten ook dat we dit niet eindeloos konden volhouden.

Bij de borrel kwam de verzoening. Ze lachte charmant maar ook een heel klein beetje beschaamd naar me. En gaf toe dat ze toch wel wat boos op me was geweest vanmiddag, maar ja...

Ik houd van temperament. Liever ontploffingen op zijn tijd, tranen en teleurstellingen, maar ook echte euforie (probeer het maar eens), dan een gevoelstemperatuur die altijd rond dezelfde middellijn schommelt.

Ondertussen moet ik me misschien toch afvragen waarom ik het kennelijk nodig vind om te stangen, te plagen, te sarren. Bij mijn dierbaren, nog wel. Ja, omdat ik niet tegen al te gezellige bijeenkomsten kan, denk ik, waarin iedereen het juichend met elkaar eens is. In dat soort gezelschappen voel ik een sterke aandrang tot oppositie. Maar dat is begging the question, ik weet het.

Misschien is het tijd voor therapie, voor ons allemaal.


Uitje met de schoonfamilie



Als we aan tafel gaan zitten voor het eerste diner van het uitje met de schoonfamilie, doe ik een mondmasker op en verklaar plechtig: 'Ik zeg niets meer. Praten jullie maar.'

Het blijft een uitdaging om het met een schoonfamilie uit te houden, aan de andere kant geloof ik dat wie niet geïnteresseerd is in zijn schoonfamilie, eigenlijk niet geïnteresseerd is in zijn geliefde. Schoonfamilie is een gratis cadeau dat je vroeg of laat moet uitpakken, om niet als ondankbare hond te worden versleten.

De condities hadden niet beter kunnen zijn. Op de fiets door de Hoge Veluwe, windstil, zomers warm, iedereen in een opperbest humeur. Als je even alle andere mensen die op hetzelfde idee waren gekomen wegdacht, en zo moeilijk was dat niet, dan hield je een idylle over.

We streken neer bij een weilandje genaamd De Bunt om te picknicken. Ik moet erbij zeggen, er waren al enkele kleine en iets minder kleine botsinkjes geweest aangaande de te volgen route (een klassieker), de te verorberen versnaperingen (idem), en opvoedkundige onenigheden.

Maar de vetste confrontatie vond plaats op het picknickkleed. Let wel: nadat we, qua wilde dieren (toch waar je voor komt) een zwart slangetje hadden gevonden (levend), en de schedel van wat ik dacht dat een zwijntje was of een reetje of een hertje (dood). Afijn. Er moest een foto worden genomen. Natuurlijk moet er een foto worden genomen tijdens een uitje, maar met een (portret)fotograaf in het gezelschap gespecialiseerd in groepen, en een voorliefde voor familie, moet er ongeveer bij elke boom een familiefoto worden genomen.

Het te fotograferen gezelschap, waaronder A. en mijn ideale schoonmoeder, had zich opgesteld, en de elfjarige zou de foto nemen. Ik stond erbij en telkens als hij een foto wilde nemen, gaf ik hem een duwtje.

Schoonmoeder ontplofte. 'Daar heb ik zo'n hekel aan! O wat heb ik daar een hekel aan! Jouw soort mannen, ja, zouden ze achter het behang moeten plakken!'

Ik had haar wel eens eerder geïrriteerd gezien, maar nog nooit ziedend.

Het uitje kon als een succes worden beschouwd.

Documentaire als betoog


Jammer dat we van Michael Moore ook niet meer op aankunnen, ook zijn morele compas is kapot. Althans, dat leid ik af uit Fahrenheit 11/9, gisteren bij de VPRO. De centrale vraag die hij probeert te beantwoorden in deze documentaire uit 2018, is hoe het in godsnaam mogelijk is dat Donald J. Trump in het Witte Huis terecht is gekomen. Antwoord: het Amerikaanse kiesstelsel deugt niet. Systematisch worden niet de kandidaten verkozen die de meeste stemmen krijgen (de popular vote), maar zij die de meeste kiesmannen voor zich laten uitkomen. Terwijl Amerika steeds progressiever wordt – de meerderheid, blijkt uit opiniepeilingen, is tegen wapens, voor gay marriage, voor algemene zorgverzekering enzovoorts – wordt de kandidaat van de establishment-partijen (Democraten en Republikeinen lijken meer op elkaar dan je zou denken) steeds conservatiever. Trump is hiervan het meest extreme voorbeeld.

Als Moore het hierbij gelaten had, en nog wat grappen had uitgehaald met de siliconen nep Trump die hij in het begin van de film laat zien, dan had ik hem kunnen volgen, maar dit is hem niet genoeg. Dus wordt er een verband gelegd met een schandaal rondom de drinkwatervoorziening in Michigan, waar Moore vandaan komt. Ook dat kan ik nog volgen. Althans, ik kan zien hoe dat schandaal aantoont hoe financiële belangen in de VS prevaleren boven de volksgezondheid (in Europa waarschijnlijk ook, maar minder zichtbaar).

Dan springt Moore op de 'Trump is de nieuwe Hitler'-trein, en daarmee doet hij een groot deel van zijn eerdere betoog (want zijn docs zijn altijd opgebouwd als betogen) teniet. Wie Trump met Hitler vergelijkt heeft volgens mij weinig van Hitler begrepen. Trump kun je vergelijken met Berlusconi, dat is een zinvolle vergelijking, beiden zijn narcistische kapitalisten die handig gebruik maken van de media. Misschien zou je hem zelfs nog kunnen vergelijken met Mussolini, maar daarvoor weet ik te weinig van het fascisme.

Maar Moore kiest voor het zwaarste geschut denkbaar om President Twitter uit te schakelen, waarmee zijn eerdere valide argumenten ten aanzien van de erosie van de Amerikaanse democratie makkelijk door Trump-aanhangers naar de prullenmand kunnen worden verwezen. Zo verandert er nooit iets.

Gesprekken met mijn schildpad (5)




Koos? Koosje?

Môge.

Jij ook goedemorgen, ik ben blij dat je nog leeft.

Insgelijks.

Nee, serieus, elke ochtend, of eigenlijk telkens als ik een blik werp in jouw bak, in jouw leefwereld, ben ik bang dat je ergens levenloos rondzweeft, of scheef achter de pomp vastzit of op het eiland ligt, ondersteboven.

Bewaar je doemdenken en hypochondrie voor jezelf. Als ik stil lig in het water ben ik meestal aan het chillen. Zou jij ook eens moeten proberen. Was het niet die zoon van je, de informaticus, die een keer raak opmerkte dat je aan ADD lijdt?

Ik aan ADD? Dan lijdt iedereen aan ADD... Maar ik wil het niet over ziekte hebben, ik wil je een anekdote vertellen.

Ik ben dol op anekdotes. Een goede anekdote, en de dag is wat mij betreft gered.

Ik ben blij dat je er zo over denkt. We waren –

Wie is we?

Jouw semantische eigenaar, de zevenjarige, en ik, de eindverantwoordelijke, wij waren in de dierenwinkel.

Ah! Mijn vorige thuis!

Zeker. Deprimerend! Het is toch een soort concentratiekamp daarbinnen. Een soort Dachau voor dieren.

Nu overdrijf je. En wat weet jij ervan, jij bent nooit in Dachau geweest.

Maar goed, we hebben vitamines voor je gehaald.

Dank daarvoor... in de natuur wemelt het ook van de vitamines...

Dat bedoel ik. Maar goed, ik vraag aan die dierenverkoper hoe vaak ik het water moet verversen. Toch een niet onbelangrijk punt, lijkt me. Ik bedoel: hoe leuk is het om in je eigen vuil te leven?

We leven allemaal in ons eigen vuil, we moeten leren een verstandhouding op te bouwen met ons eigen vuil.

Mooi gezegd, maar ik zou toch een zekere hygiëne na willen streven. Ik bedoel, in de natuur...

De natuur bestaat allang niet meer. Heb je dat rapport van het WNF niet gelezen?

Ja. Daar werd ik niet vrolijk van. Maar verrassend genoeg doen wij het in Europa waar toch de grootste massamoorden plaatsvinden, het helemaal niet zo slecht.

Hoe zit het met die anekdote.

Die dierenverkoper antwoordde op mijn vraag naar de verversingsfrequentie: wat jij wil.

Hoezo wat jij wil?

Hij liet het helemaal aan mij over, wanneer ik tijd vond om jouw water te verversen.

Ik zou zeggen eens per week. Bedankt alvast voor de moeite. En voor de anekdote, hoewel ik moet zeggen, ik heb betere gehoord.

(zwemt weg)





Orwell momentje


De TU Delft kwam ter sprake gisteravond aan de diner-tafel, iemand wist te melden dat die honderdveertig mensen in dienst heeft op de afdeling publiciteit.

Nu kan de TU Delft bij mij niet stuk aangezien de informaticus daar ingeschreven staat – mijn zoon studeert er, ergo, de Unief is goed, zoiets, maar honderdveertig mensen op de afdeling publiciteit blijft toch wat, nou ja, veel.

Toevallig had ik net een van de vruchten mogen plukken van die afdeling. Mijn beide basisscholieren, zeven en elf, duwden me een velletje Nieuwsbegrip onder de neus over de Flying V, het futuristische vliegtuig dat in ontwikkeling is aan de TU Delft, en waarvan een model onlangs een geslaagde testvlucht maakte. Althans, het ding steeg op, en bleek bestuurbaar in de lucht. Daarna priemde hij zijn neus in de grond, maar daarvan bestond geen footage (althans niet op YT).

'Ik wil ook naar de TU Delft!' kraaide de elfjarige.

De afdeling publiciteit had zijn werk (haar werk, waarschijnlijk) gedaan.

Ik vraag me af hoeveel mensen er op de afdeling publiciteit werkten toen mijn grootvader aan de TU Delft studeerde, honderd jaar geleden. Ik schat honderd mensen minder. Ik schat ook dat die afdeling toen anders heette. Externe betrekkingen of iets dergelijks.

Wat kan dit allemaal schelen? Is het niet juist goed dat de TU Delft zo prominent mogelijk in de media (en het onderwijs) voor het voetlicht wordt gebracht?

Ja, maar alleen als er genoeg journalisten overblijven om de Truman Show van de TU Delft van kritische kanttekeningen, oké: voetnoten, te voorzien.

Straks zijn er meer voorlichters dan journalisten, ging de tafelgenoot gisteravond verder. Instemmend hoofdschudden viel hem ten deel.

Wat blijkt? Er zijn in Nederland thans bijna tien keer zoveel mensen werkzaam op de afdeling publiciteit dan op de afdeling journalistiek.

Een Orwell momentje.




 

De vogel

Birdman, or the unexpected virtue of ignorance

Hij zit altijd op de fiets, maar dat betekent niet dat hij ook fietst, hij loopfietst graag, over de stoep, al dan niet met een bekertje koffie in de hand. Voorovergebogen hangt hij over zijn stuur en kijkt je met wijdopen ogen aan.

Het eerste wat aan hem opvalt zijn zijn haren. Hij heeft veel donker haar dat woest alle kanten op valt, alsof hij onder stroom staat, maar zijn haar is te lang om recht overeind te komen. Misschien heeft hij het getoupeerd zoals een punk-vriend van me vroeger deed.

Daarna kijk je, kijk ik, onmiddellijk naar zijn ogen, die hij opmaakt met een potloodje. Daaraan kun je zien dat over zijn uitdossing is nagedacht. (Alleen een dode denkt niet na over zijn uitdossing.) Wil hij een vogel zijn? Wie wil geen vogel zijn?

De ogen staan scherp, of althans, ze staan wijdopen, en kijken fel de wereld in. Ik lees er mensenhaat in. 'Jullie begrijpen er helemaal niets van,' zegt de blik. 'Jullie zijn idioten, allemaal bij elkaar.' Waarschijnlijk is mijn indruk helemaal verkeerd.

Als ik hem lang genoeg aankijk, gaat hij toch weer vragen om geld (mensen vragen mij graag om geld), denk ik, want je kunt nog zo'n mensenhater zijn, of een vogel, dat wil niet zeggen dat je niet om geld kunt vragen, maar misschien geldt ook hier dat hij helemaal geen behoefte heeft aan geld, en al helemaal niet het mijne.

Zijn kleren zijn het beste te omschrijven als veren; zo draagt hij ze ook. Lagen over elkaar. Onduidelijk waar het ene kledingstuk begint en het andere eindigt. Geen kleur, alles donker.

Soms lakt hij zijn nagels. Ze zijn in elk geval lang. Klauwen kunnen van nut zijn, denk ik dat hij denkt, en ook daar heeft hij gelijk in.

Ik wou dat ik hem uit mijn hoofd kon natekenen.

Ik hoop dat de vogel nog lang blijft rondhangen in mijn buurt. Hij herinnert me aan mijn eigen vrijheid, al maak ik er te weinig gebruik van.

Kunstdate



Lopend door de zalen van Museum Voorlinden, verbazen de schitterend geklede kunstenaarsweduwe en ik ons over de vele onzin die er hangt, staat en ligt. Natuurlijk, de ambiance is fantastisch, en je wilt alles ook prachtig en indrukwekkend vinden, maar in veel gevallen is het 'gewoon nix'. Een aardige vondst. Of zelfs dat niet.

Een kastje dat licht achterover geheld staat, met de laden steeds een stukje verder open. Ik probeer de titels te ontwaren van de vier boeken waarmee de voorpoten van het kastje zijn gestut. Raymond Chandler, 'Die kleine Schwester' zit erbij. Iets met Bilder en nog twee onleesbare titels. Tja.

'Maakte jouw man collages?' vraag ik bij een zwakke Rauschenberg-collage (koude oorlog-krantenknipsels etc.).

'Nee,' zegt de kunstenaarsweduwe. 'Of wacht eens, een keer was een zeefdruk mislukt. Toen heeft hij hem ingelijst en aan mij gegeven.'

Tussen de vondstenaars (de term is van H.J.A. Hofland) blinkt af en toe een parel. We zijn erg gecharmeerd van de illusie die Leandro Erlich heeft gecreëerd, niet zozeer met zijn beroemde zwembad (waar je in kunt afdalen om het wateroppervlak van onder te bekijken), – dat is te veel pretpark (waar is de ontroering zou Reve zeggen) –, maar zijn kleinere, poëtische werk Cloud/Doghead. Een wolk, gevangen in een glazen kast.

'We worden gevraagd er een hondenkop in te zien,' leg ik uit aan de kunstenaarsweduwe, met de museumfolder in de hand.

'Wat nu weer!' schatert ze (ze kan goed schateren). 'Ik maak zelf wel uit wat ik in die wolk wil zien.'

In de filmzaal zitten we te nagelbijten en te 'oh'-en en 'ah'-en bij Der Lauf der Dinge van Peter Fischli & David Weiss. Over vondstenaars gesproken. Vondst-kunst to end all vondst-kunst. Ik had de film wel eens op YouTube gezien, in stukjes, maar bij een privé-screening op een groot scherm komt hij beter tot zijn recht. Dit is het leven. Niet meer en niet minder. 'Wat moeten ze een lol hebben gehad om dit allemaal bij elkaar te bedenken!'

Een stem waarschuwt dat het museum gaat sluiten. Dat komt goed uit, want we hebben een wijntje verdiend, in de nazomerzon op het gras voor het landgoed. Een plek die de insecten ook hebben ontdekt.

'Het lijkt wel een date, dit,' zeg ik, nippend aan mijn glas.

'Inderdaad,' schatert de kunstenaarsweduwe, terwijl ze om zich heen wappert met de menukaart. 'Ik heb een date met een wesp!'

 

Bericht uit de hel

De plek van de eetproef en de ijsput

Frappante overeenkomsten tussen de hel die student en Reuzegom-feut (bij de Vlamingen 'schacht' genaamd) Sanda Dia bij diens ontgroening (doop) doormaakte en die van Mulder, het fictieve lid van het fictieve gezelschap Multatuli die ik liet sterven in mijn roman Het dispuut. Mulder werd gestraft voor diens recalcitrantie, Dia werd gestraft omdat hij te dronken was om rozen te verkopen.

Om maar meteen tot de onsmakelijkste kern te komen: het 'poephappen' dat ik had verzonnen, heet bij Reuzegom 'eetproef'. Op een gegeven moment, lees ik in de huiveringwekkende reconstructie die Het Nieuwsblad (gratis te lezen na registratie), maakte van het drama op 4 en 5 december 2018, kregen de feuten niet alleen 'geblenderde muis' te eten, een aal, en een levende goudvis (die met behulp van visolie weer diende te worden uitgekotst), maar vond een van de ouderejaars het ook nodig om zijn behoefte te doen op de studenten, die op dat moment in een zelfgegraven put zaten, halfnaakt, tot hun middel in ijskoud water.

Dat er ook af en toe over ze heen werd geürineerd was standard practice. 'Daar deed iedereen aan mee.'

De onderkoelde (uiteindelijk was zijn lichaamstemperatuur 27 graden) en uitgedroogde (door de grote hoeveelheden zout in de visolie die hij gedwongen werd te drinken) werd Sanda door zijn meerderen eindelijk naar het ziekenhuis gebracht, maar overleed daar uren later door meervoudig orgaanfalen.

Naast de 'eetproef' en de ijsput was er nog een gruwelijk element in de ontgroening van Reuzegom: het hermetisch dicht tapen van alle waterkranen in Sanda's 'kot' de nacht ervoor, nadat hij stomdronken was gevoerd. Dit om te voorkomen dat hij water zou drinken om zijn kater tegen te gaan. Wie zoiets bedenkt, is 'rijp voor de vuilbak' zoals een van de schachtmeesters zegt over de feuten.

Voor de nabestaanden van Sanda Dia lijkt mij het meest onuitstaanbaar en onrechtvaardig de doofpot-routine die volgde op het 'accident' ('onfortuinlijk incident' in Het dispuut), het sluiten der rijen, die er toe leidde dat dit bericht uit de hel bijna twee jaar onder de pet bleef, en de gerechtigheid naar het zich laat aanzien nog langer op zich laat wachten.

Gesprekken met mijn schildpad (4)



Koosje?

Wat nu weer? Kan het niet eens afgelopen zijn met die gesprekken? Ik probeer hier mijn – inderdaad nogal schamel – bestaan als huisdier op te bouwen, maar jij wil de hele tijd praten. Kun je niet met je vrouw praten? Of met die Gesprekspartner van je sinds, wat is het, '83?

Ik wil je complimenteren met je eerste landing.

Op dat stomme eiland van je?

Jouw stomme eiland dan toch. Je schuifelde eindelijk de oprit op. Waar hij voor bedoeld is. De kinderen kwamen me uit mijn kantoor halen om me getuige te laten zijn van deze mijlpaal.

Richt de felicitaties maar tot jezelf dan. Of tot je kinderen.

Niet zo nukkig, K. Zo erg is het allemaal niet. In de dierenwinkel zat je met zijn dertigen opeengepakt in een kale bak. Hier heb je het rijk alleen.

In de dierenwinkel heb je niet om de haverklap te maken met hebberige meisjeshandjes en jongenshandjes die je om de haverklap oppakken, gewoon omdat het kan.

Kreeg je niet een mooi kusje op je schild van mijn dochter? Wanneer kreeg je het laatst een kusje op je schild?

Wanneer kreeg jij voor het laatst een kusje op je schild?

Oké. Je hebt je dag niet.

Ik was niet zo blij met die bossages die je zonder enig overleg in mijn bak plantte. Stel voor: je zit rustig in de tuin de krant te lezen en er daalt ineens een eik uit de hemel neer. En dan nog een. En waarom? Nu zie je me niet meer, waar het toch allemaal om te doen is. Ik ben jullie raamprostitué.

Rustig maar, een bos hebben we alweer weggehaald. Jij vreet toch alles op.

Qua eetlust lijk ik op een mens.

(...)

Sorry dat het ineens koud werd vanmiddag.

Ik dacht even dat je me in winterslaap probeerde te krijgen.

Zoonlief had per ongeluk de stekker van de verwarming eruit gehaald om te kunnen gamen. Het zal niet meer gebeuren... Hoewel... met lagere temperaturen groei jij minder snel je bak uit, heb ik ergens gelezen.

Wat heb je toch een praktische geest.

(zwemt weg)



Gesprekken met mijn schildpad (3)



Hoezo 'mijn schildpad'? Naar ik begrepen heb ben ik een cadeau voor je dochter voor haar zevende verjaardag.

Dat is taalhandeling-technisch juist. Toch beschouw ik mezelf als jouw eigenaar. Ik voel me het meest verantwoordelijk voor jouw welzijn.

Ik wil hier niet te lang op doorgaan, maar ik begin me steeds meer te voelen als een slaaf die op de markt is verhandeld.

Niet alle slaven hadden het slecht. En je hoeft niet te werken. Maar ik geef toe, het eigendom van levende organismen is op zijn minst problematisch, en al helemaal dat van een mens, wegens de 'onvervreemdbare rechten', die volgens sommigen, zoals filosoof Peter Singer, ook dieren toekomen.

Interessant. Not.

Een vriendin die vroeg om cadeautips voor de jarige, en die ik had verteld over jou, en aan wie ik voorstelde iets te kopen voor je behuizing, bleek gewetensbezwaren te hebben. Milde, maar toch.

Je bent iets in mijn achting gestegen – maak daarvan jouw vriendin. Ik zou haar graag ontmoeten. Hoe heet ze?

Ze is naar een vogel vernoemd. Wel een vleeseter trouwens, die vriendin. Ik sluit niet uit dat ze, als je in de vorm van soep was opgediend, dit haar goed zou smaken.

Ander onderwerp.

Wat zou je nog op prijs stellen qua interieur? Of heb je er genoeg aan te woelen tussen de keitjes?

Meubilair prima als het maar niet van IKEA is, of een vergelijkbare fabrikant.

Design spreekt je meer aan?

Niet te designerig. En geen kinderachtige troep graag. Geen plastic Colloseums, afgebrande Reichstags, enzovoort.

Mag ik hieruit afleiden dat het eiland –

Begin je weer over dat eiland. Laat dat eiland! Wat kan jou dat eiland bommen?

Je zit er nooit op, dat is alles. Als we je erop zetten weet je niet hoe gauw je er weer af moet komen. Ik maak me zorgen om je schild, dat moet uitharden... Is het om de killercat?

Hij heeft me in de gaten.

Klopt, maar als hij te dichtbij komt krijgt ie de plantenspuit.

Ik ben er niet gerust op. 

(zwemt weg)


Gesprekken met mijn schildpad (2)



En, hoe vind je het, in je Nieuwe Definitieve Bak? Je kijkt wat sceptisch.

Hm...

Die bak heeft me minstens honderd euro gekost.

Bedankt voor de informatie. Ik ben niet gekend in deze investering.

Wat, had je liever in dat andere bakje blijven zitten, met die baksteen bij wijze van eiland? Dit officiële tartarium (ik kende het woord ook nog niet) is veel groter, maar jij, dat valt me op en ik hoop niet dat ik je beledig, maakt weinig gebruik van de ruimte jou toebedeeld. Vrijheid betekent voor jou kennelijk iets anders.

Rustig aan, niet naar conclusies springen. Ik heb nooit om mijn gevangenschap gevraagd.

Je hebt ook nooit om je geboorte gevraagd.

Daar heb je een punt.

Iemand heeft jou met het oog op gevangenschap gekweekt.

Laat maar. Nog meer of kan ik verder? Ik moet verder.

Nou, ik was verheugd om je vandaag eindelijk te zien eten. Je hapte daadwerkelijk in een brokje dat ik voor je neus in het water had gelegd.

Wat verwacht je dan, dat ik op dat brokje ga zitten om het uit te broeden?

Ik verwachtte wel dat je zou toehappen, maar ik had nog geen bewijs. Voor hetzelfde geld verdwijnt alles in de filter. Ik ben 'dus' blij dat je geïnteresseerd bent in het voer dat ik je voorzet. Maar op het prachtige eilandje met keitjes en een hittelamp erboven om iets van de Galapagos na te bootsen, heb ik je nog niet zien zitten.

Ik heb daar niets te zoeken.

Je wilt toch af en toe even uitrusten? Ik zie je alleen maar zwemmen... En het schijnt dat je schild het nodig heeft om af toe te drogen en te harden. Ik moet hiervoor nog UV-lampen installeren maar dat heb ik nog niet gedaan. Ik moet trouwens ook vitamines kopen en jou toedienen.

Je hebt het er maar druk mee. Zeg ik moet verder. Wacht, nog een ding.

En dat is?

Geef dat meisje een kusje. Ze zwaaide zo ontroerend naar me vanochtend.

Mijn dochter? Zal ik doen. Weet je hoe ze je genoemd heeft? Koosje.

(Zwemt weg.)



Gesprekken met mijn schildpad (1)




Wat me opviel, toen ik je losliet in de – toegegeven: krappe – tijdelijke bak (die, toegegeven ook helemaal niet geschikt is voor jouw soort; je ziet ik heb veel toe te geven in mijn leven), onmiddellijk tegen de vensters op zwom. In paniek leek het.
Ik was ook in paniek.
Waarom?
Ik zocht naar de uitgang.
Je was je nog niet bewust van je gevangenschap, dat je leven zich in gevangenschap zou afspelen?
Jawel. Het was mijn instinct dat me parten speelde. Wat zou jij doen als je werd opgesloten in een vreemde ruimte?
Nou, dat is het grappige, dan zou ik 'dus' eerst de ruimte aftasten, kijken waar ik terecht was gekomen. Op onderzoek, zeg maar.
Ben ik ook geweest. Maar pas toen jij weg was.
Je was bang voor me.
Wat zou jij zijn voor een monster ter grootte van een sequoia dat zich onvoorspelbaar gedraagt.
Point taken.
Dat bedoel ik.
(Stilte.)
En je eet mijn visjes ook niet op.
Welke visjes.
Die ik op je eiland heb gelegd.
Sushi?
Weet ik veel, misschien. Nee, geen sushi. Visjes van de winkel. Ik heb er eentje keurig ontdooid en zoals aan mij uitgelegd in stukjes gehakt en vervolgens op je eiland gelegd.
Jij noemt die baksteen die je uit de tuin hebt gepakt een eiland?
Hij was precies hoog genoeg – en let op: hij is tijdelijk.
Ja, alles is tijdelijk. Nee, als dat een eiland is, dan is Nederland een Tuin van Eden.
Als je twee dagen wacht word je overgezet naar je nieuwe behuizing, en die ziet er echt veel beter uit.
We zullen zien.
Maar je hebt geen honger? Heb je het te koud, te warm, ben je eenzaam?
Ha! Eenzaamheid. Nee, Viktor, eenzaam ben ik niet. Wel teleurgesteld.

Vaders en daders


Wie heeft mijn vader vermoord van Édouard Louis telt slechts 72 pagina's. Het maakte me er weer eens op attent dat de waarheid weinig woorden nodig heeft. Onwillekeurig probeer ik zoveel mogelijk pagina's te produceren. Waar komt dit vandaan? Machismo, mogelijk. Kijk eens hoe dik mijn roman! Ook: onzekerheid, wat wellicht hetzelfde is (machismo is overcompensatie wegens onzekerheid over peniskracht).

Goed, Louis laat dus zien dat alles korter kan. Geweldige voorstelling trouwens, die monoloog van Hans Kesting. Dat boek(je) is ook zo ongeveer klaar om gespeeld te worden, maar de manier waarop hij (met behulp van regisseur Van Hove) in het bijzonder de vader neerzet is onvergetelijk. Ik herken het milieu niet, ik behoor tot de bourgeoisie vermoedelijk, niet tot de uitgebuite arbeidersklasse, maar het zwijgen van de vader, het niet reageren, het binnenvetten, het oppotten, het gevoelens uit de weggaan, het afleiden, enzovoorts, herkent iedereen die een vader heeft (gehad).

Vaders worden geacht te handelen, niet te spreken. Een vader die veel spreekt is een zwaktebod. Met spreken verdient hij geen respect. Hij dient te handelen, en in dat opzicht onbegrijpelijk te zijn. Meedogenloos ook.

Geweldig filmisch beeld, de vader die in de deuropening zijn sigaret rookt. Rook op het toneel is sowieso een heerlijk effect waartegen film 'lekker' niet op kan (rook in een film is toch echt heel iets anders en in de meeste gevallen goedkoop). Ik dacht nog: waarom geen stank? Fabrieksstank. Een kegel, die de vader zo de zaal in walmt (o nee). De lucht van smerige gitanes dan. (Wordt ook niet op prijs gesteld. Het moet wel leuk blijven.)

NB: Het punt zal eerder gemaakt zijn, maar waarom hebben de Nederlandse vertalers van Qui a tué mon père, het boek, gekozen voor 'Ze hebben mijn vader vermoord?' Dat is niet alleen incorrect, maar die titel doodt iedere suspense. De suspense zit hem er nu juist in dat de verteller ook nog degene kan zijn die zijn vader heeft vermoord.

In een bepaald opzicht, wat mij betreft het interessantste opzicht, is hij de dader.

Grauwsluier



Ik heb te doen met mijn informaticus, ik bedoel: zijn minor, die hij in Berlijn had afgesproken, en die vandaag zou beginnen, is gecanceld. Dit scheelt ons zorgen zoals huisvesting, Christiane F.-achtige angstdromen en geld, ongetwijfeld, maar hem een buitenlands avontuur. Als alternatief gaat hij een minor robotica doen, gewoon in Delft. Allemaal online, uiteraard. 'Een huisgenoot van me gaat met de caravan naar Zuid-Frankrijk, zoekt een wifi-plekje en gaat van daaruit studeren.'

Wacht, is dat dezelfde huisgenoot die van de zomer pech kreeg met zijn vintage dafje op de terugweg uit Zweden? Op de heenweg werden ze er door de douane uitgepikt, moesten ze zich uitkleden (de rectale visite bleef gelukkig achterwege) en toen bleek een van de passagiers stuff in haar BH te hebben verborgen. Wat is er gebeurd met de geheime compartimenten? Volgens mij stikt zo'n vintage dafje van de geheime compartimenten. Hoe dan ook: 300 euro boete en geen stuff. Jammer.

Toen ze panne kregen bij Kopenhagen bleek de vintage dafbezitter wel weer zo goed georganiseerd dat ze in een hotel konden overnachten (na te zijn uit geweest, natuurlijk). De volgende dag werden ze keurig teruggevlogen op kosten der ANWB.

Aan het eind van een daaropvolgende surfvakantie in San Sebastian – 'lekker gegeten in sterrenrestaurants, pap' – krijg ik een telefoontje. Opnieuw pech, nu met het golfje van de vader van een der surfers. Of ik even wil tolken met de Franse garagisten, en dat doe ik graag, maar geen van die Franse garagisten heeft tijd voor les étudiants. Uiteindelijk lukt het ze om met een slakkengangetje naar huis te tuffen.

Ondertussen was de informaticus dusdanig koortsig en verkouden, dat hij vermoedde een bepaald virus onder de leden te hebben. Hij liet zich nasaal een wattenstaaf inbrengen. Uitslag: negatief. 'Toen voelde ik me al meteen een stuk beter.'

Ik wou dat we iets konden doen om de grauwsluier die over zijn studententijd ligt weg te nemen.



Racisme


Tegen sluitingstijd probeerde ik een cadeau te scoren bij Scheltema. De zaak was vrijwel leeg, behalve twee lieve jongens van een jaar of twintig. (Ware ik Gerard Reve, had de rest van dit verhaal bestaan uit ontuchtige fantasieën en dagdromerijen waarin zij op allerlei manieren zouden worden gestraft voor hun begeerlijkheid. Gelukkig – voor u – ben ik Gerard Reve niet. Enfin.)

Ik was op zoek naar een boek voor mijn raadsman bij wie ik zou eten. Hij was jarig geweest. Zijn verjaardag schiet er dikwijls bij in, daarnaast interesseert het hem weinig, maar mij leek het aardig hem te verrassen.

Ik had ook al een idee voor een boek in mijn hoofd, namelijk Why I'm No Longer Talking To White People About Race, dat ik zelf nog niet gelezen had, maar waarover ik had gehoord dat het een behoorlijk eloquente aanklacht was, van de Britse journaliste Reni Eddo-Lodge. Een must read, met andere woorden – misschien vooral voor bleke mensen zoals mijn raadsman en ik.

Ik haastte mij naar de eerste, Engelstalige verdieping maar werd daar door een (begrijpelijkerwijs gezien het late tijdstip) nukkige verkoper doorverwezen naar de derde verdieping. Daar was een kast ingeruimd voor boeken over racisme. De twee lieve jongens stonden er ook. Zij pakten meteen Witte Onschuld van Gloria Wekker en, terwijl ze daarmee terug de roltrap afgingen, hoorde ik ze zeggen: 'Heel vet, dit, want dit beschrijft de Nederlandse situatie, en niet die in Amerika of Engeland, zoals bijna alle andere literatuur over dit onderwerp.'

Van Why I'm No Longer Talking To White People About Race bleek alleen nog een Nederlandse vertaling verkrijgbaar te zijn, Waarom Ik Niet Meer Met Witte Mensen Over Racisme Praat. Maar nu had ik 'dus' een dubbel probleem: ik zag in dat die lieve jongens gelijk hadden, en als ik dan toch iets niet-Nederlands, maar Brits zou kopen, wilde ik het wel in de oorspronkelijke taal lezen.

Wekker dan maar? Ik sloeg het open en las wetenschappelijke of wetenschappelijk klinkende termen. Huiswerk dus. Dat kon ik mijn raadsman niet aandoen.

Mijn oog viel op een geupdate heruitgave van Hedendaags racisme van Philemena Essed, die al in 1984 vrij uitputtend het structurele racisme in de Nederlandse samenleving onderzocht. Op een willekeurige pagina las ik een analyse van Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen, dat zou bol staan van de stereotypen over de 'negerin'. Tja.

Waar blijft het vlammende, bijtende essay over racisme in Nederland, dat iedereen moet lezen?



Dear Marieke Lucas/Lucas Marieke,


De Booker Prize: jij hebt hem gewonnen. Herstel, de International Booker Prize. Maar je hebt hem nog steeds gewonnen. Dat is bij mijn weten nog geen laaglandse tikker gelukt. Ik begrijp de keuze van de jury volkomen. Jij bent exotisch en toch ook inheems. Geen eurotrash en toch ook Europees. Jong en toch ook niet piep. Vrouw en toch ook man. Boerin en toch ook schrijver. Prosti en toch niet reli. Beschaafd en toch ook bruut. Poëet en toch ook romancier. Met jou kun je, met andere woorden,  – post Ellen Degeneres, post George Floyd, post Martin Parr, post Harvey Weinstein, post Nikki Tutorials, post boerenprotest, post vul zelf in – voor de dag komen.

Ben ik jaloers? Houdt een strontvlieg van stront?

Jij voelde je zo blij, zei je bij de bekendmaking, als een koe met zeven uiers. Ik kan me daar weinig bij voorstellen. Ja, wel bij die zeven uiers, maar niet bij de blijdschap van de koe dientengevolge. Ik was onlangs bij een melkveehouder en wat mij nog het meeste trof was de somberheid der runderen. Maar daar kijk jij vast doorheen.

Ja, wat moet ik nog, als vijftigplusser, man en wit – niet eens wit, was ik maar wit, ik ben beige, stopverfkleurig of eigenlijk lichtroze, en als de zon heeft geschenen kreeftrood, enfin. Pigmenttechnisch ben ik... niets! En dat haar!

Seksueel valt er aan mij ook al weinig bijzonders te beleven. O ja, ik houd van de zweep, wie houdt er niet van de zweep; van beiden einden om precies te zijn, ik houd ook van kettingen en dat een vrouw mij met haar naaldhak verplettert (wil jij dat een keer komen doen?), maar daar red je het post E.L. James niet meer mee. Post E.L. James veroorzaken zulke liefhebberijen nog geen opgetrokken wenkbrauw. Ja, als een vrouw ze beschrijft misschien maar ik ben geen vrouw. Ik ben wel een zacht ei, maar geen vrouw, helaas.

Wat dan, Marieke Lucas/Lucas Marieke, over welke boeg moet ik het dan gooien? Rap, moet ik al mijn kaarten op de rap zetten? Maar zelfs de ironische witte rapper (die grappig genoeg toch weer goed rapt), Lil Dicky, heeft de wereld ook al veroverd. En ik wil ook niet neergeschoten worden in de Rivierenbuurt.

Zoek je niche, Vicky! sommeert mijn agent. Exploiteer je extravagantie! Maar naast jou, Lucas Marieke, voel ik me een huisvrouw met een hobby, een leraar Nederlands in een middelgrote stad die stiekem 's nachts achter de computer duikt om onder pseudoniem de meest vreselijke – stop.

Gefeliciteerd!

Met de allerhoogste achting, en zelfs een beetje trots, etc. 




Het hufter-effect


In de documentaire Capital in the 21st Century met/over economisch historicus Thomas Piketty, waarin weer eens uit de doeken werd gedaan dat al te grote inkomensverschillen ongezond zijn voor de maatschappij en zelfs kunnen leiden tot oorlog, vertelde psycholoog Paul Piff over een leuk onderzoekje. Proefpersonen werd gevraagd met elkaar monopoly te spelen, maar vooraf werden ze randomly ingedeeld in Arme Spelers en Rijke Spelers. De AS kregen maar 1 dobbelsteen, in plaats van 2, en de helft van het gratis geld als ze langs Start kwamen. De RS kregen bovendien meer startkapitaal.

Het spel begon. Wat bleek? De Rijke Spelers wonnen vaker. Maar het interessantste aan het onderzoek was dat de RS zich meetbaar hufteriger gedroegen. Ze stampten harder met hun poppetjes op het bord als ze zetten deden en maakten vaker gemene 'lekker pûh'-achtige opmerkingen naar Arme Spelers. Maar het ongelooflijkste van alles was nog wel dat ze, gevraagd naar de reden van hun succes, meenden beter te zijn dan de Arme Spelers. Bizar maar waar: in dit onderzoek kwam niemand van de RS uit zichzelf op het idee dat hun winst voor het belangrijkste deel te danken was aan de oneerlijke regels waarvan ze hadden geprofiteerd. Het hufter-effect, dat kennelijk samengaat met een bewustzijnsvernauwing, was bij alle soorten deelnemers meetbaar. Vrouwen, of mensen met een bevoorrechte of juist minder bevoorrechte achtergrond, vielen bijvoorbeeld niet minder ten prooi aan verhuftering.

Kijk even om u heen, zou ik zeggen, of u mensen kent die net rijk zijn geworden of rijk aan het worden zijn. Zijn ze verhufterd?

Ik zal geen namen noemen maar ik ken wel een paar mensen die sinds ze rijk zijn geworden plotseling menen dat ze je voor van alles en nog wat kunnen inzetten, die hun geliefde aan de kant schoven, die een misplaatst superioriteitsgevoel uitstralen en/of met duidelijk dedain spreken over minder bedeelden in de samenleving.

Staat niet in de Bijbel hoe rijker hoe kwaadaardiger? Nee, dan zou het er in een volgende editie in moeten komen. Rijk worden, (financieel) succes hebben, is verslavend, en je wordt er geen leuk mens van. Je gaat vanzelf denken dat het rechtvaardig is dat je zo rijk bent, dat het zo hoort en niet anders zou kunnen zijn. Allemaal gevallen van bias, dat een wetenschappelijk woord is voor domheid.

Ik voel ook wel eens dat ik verhufter. Lag het maar aan mijn rijkdom.


Tand versus gat



Net nadat A. haar eerste poging heeft gedaan om de kinderen nu eens bijtijds in bed te leggen, komt de bijna zevenjarige haar kamer uitgestormd, op de voet gevolgd door haar broer. 'Mijn tand zit los.'

Geen nieuws, die tand zit al weken los. Hoe los, dat is de vraag.

'Laat eens voelen.' O, ze heeft gelijk, hij zit nu zo los dat hij eruit getrokken kan worden.

Ik leg mijn krant weg en neem mijn dochter op schoot. Ik voel aan haar tandje, het is de linkerondertand,  de rechter- en de linkerondertand zitten al een eeuwigheid los voor mijn gevoel, maar de linker, nr 71 volgens de Internationale Tand Nummering, wil er graag uit. Hij staat vrijwel horizontaal, dus in een hoek van 90 graden, naar buiten toe. Geen gezicht. Ik pak hem vast met twee vingers en krak, plop of hoe heet het, jammer dat taal geluiden niet preciezer kan weergeven, ik heb een piepklein tandje in mijn hand en mijn dochter heeft een gigantisch gat in haar gebit, dat bloedt. A. haast zich om een washand te halen. 'Liever een tissue,' roep ik.

'Gatver,' zegt mijn dochter, als ze haar bloed proeft en de rode tissue bekijkt.

'Niet gatver: bloed. Je proeft jezelf. Niks vies aan.'

We bekijken het tandje. Bewaren. De eerste tand die wordt verwisseld voor een grote mensentand, een mijlpaal; de timing helemaal volgens het boekje.

En de tandenfee dan?

Een hels dilemma. De dochter wil ab-so-luut een cadeautje van de tandenfee maar ze wil daarvoor haar tand ab-so-luut niet opgeven.

'Trouwens, die tandenfee bestaat toch helemaal niet?' Bijdehand ook nog.

'Jawel,' zegt de broer lief.

Misschien is het verstandigste de tand in bewaring te geven bij BioEden Stamcelbank. Mocht ze ooit Hodgkin krijgen of iets anders akeligs, schijnen ze van die tand nog iets te kunnen maken waar de zieke wat aan heeft.



Rip story



Pang-pang-pang. Pang-pang-pang-pang. Ik was weer wakker. Ik keek op de klok: 3.58 AM. Ik word, als ik de keus zou hebben, liever gewekt door een kreunende vrouw.

'Hoorde jij dat?' vroeg ik aan A.

'Ja.'

'Pistoolschoten, geen twijfel over mogelijk,' zei ik, alsof ik ervaring heb met pistoolschoten; quod non, in de negen jaar dat ik in gevaarlijke buurten woonde in Brooklyn ben ik nooit gewekt door pistoolschoten. (Ze waren er wel, ze zijn er tenminste een keer geweest, maar ik hoorde ze niet. Misschien was ik toen dover, of is New York lawaaiiger.)

'Geen deksel van een vuilnisbak?' probeerde A. nog, hoopvol.

Dat kon niet, de pangen volgden elkaar te snel op. Dat was niet te doen, zelfs niet door een stronken student met een ziek gevoel voor humor (die hebben we ook in het blok).

Een onwerkelijk diepe stilte daalde neer, alleen de storm was nog hoorbaar. Geen geschreeuw, niets. Alleen, na een minuut of tien, politie-sirenes.

Was ik bang? Ik geloof toch wel een beetje. Ik sprong uit bed om de balkondeur beter te vergrendelen. Misschien was de gunman in de gemeenschappelijke achtertuinen en zocht hij een schuilplaats in de slaapkamer van mijn kinderen, of die van ons.

Die middag, nog geen twaalf uur daarvoor, waren we namelijk al opgeschrikt door een schietpartij in de Vechtstraat, op pakweg tweehonderd meter afstand. Daarbij raakte rapper Bigidagoe zwaargewond; dezelfde rapper, weet ik nu, die in zijn laatste song rapt: Ik schiet alleen in hoofden, ik laat de armen over, en die in een ander clipje een pistool op de kijker richt.

Bigi kreeg 'dus' zijn trekken thuis. (Hoewel, hij leeft nog.)

'Zeker in de Diamantbuurt?' reageren de meesten. Dan leg ik uit: nee, gezellig aan deze kant van het Amstelkanaal. Dit deel van de Amsterdamse Rivièra is braaf, afgezien van wat ruige plekjes. Een paar jaar geleden hadden we hier in de buurt bijvoorbeeld een schietpartij met twee doden.

Eerst dacht ik: een rap oorlog in de Vechtstraat? Dat doet me erg denken aan die in de Verenigde Staten van twintig + jaar geleden, tussen Tupac en Notorious B.I.G. waar ik nog over geschreven heb, maar waarschijnlijk gaat het toch weer 'gewoon' om (drugs)geld.

'Allemaal rip stories,' weet mijn buurvrouw, die bovenstaande foto maakte.

Rip stories: afrekeningen van drugsdealers die (menen) bestolen (te) zijn door andere drugsdealers. Mooie titel voor een verhalenbundel, maar ik ga hem niet schrijven.






Televisies



N. belt: televisie doet het niet. Ik spring op de fiets, probeer wat knoppen, trek uiteindelijk de stekker eruit en doe hem er terug in et voilà.

Dat je met televisies kunst kunt maken bewees Nam June Paik. Gisteren waren N. en ik in het Stedelijk om die bewijzen van dichtbij te bekijken.

Zalen vol oude televisietoestellen; op de toestellen is van alles te zien. Nixon, die liegt, en wiens beeld middels een magneet wordt vervormd. Of: televisies waarop wordt vertoond wat tegelijk wordt opgenomen (een feedback loop). Zoals een boeddha.

Ik was niet zozeer geboeid door de televisies, maar door een foto, niet van Nam June Paik, maar van John Cage, de componist. Cage lijkt het op die foto erg naar de zin te hebben. Hij woont een performance van Nam June Paik bij, die er onder andere uit bestaat dat Nam June Paik John Cage zijn stropdas doorknipt (dat had Janine Abbring bij Ilja Leonard Pfeijffer moeten proberen), iets doet met shampoo en ook nog andere kleren van Cage verknipt. Ik had wel bij die performance willen zijn – herstel: ik had Nam June Paik willen zijn. Nam June Paik lijkt me zo'n kunstenaar te zijn geweest die precies deed waar hij zin in had en nog mee wegkwam ook. Nu zou dit moeten gelden voor alle kunstenaars, maar in de jaren zeventig en tachtig, de decennia waarin Nam June Paik vooral deed waar hij zin in had, helemaal.

Als kans, toeval en betekenisloosheid je thema's zijn, is veel mogelijk.

Niet dat je er nu nog mee weg zou komen, met al die televisies.

Dachten Nam June Paik en zijn mede-conceptualisten, video- en performance-kunstenaars uit die tijd dat ze kunst maakten die nooit gedateerd zou zijn? Nu komt hij op mij wel heel erg gedateerd over. Een kunstenaar die te veel vertrouwt op technologie is gedoemd zichzelf te dateren.

In een zaal stond een televisie opgesteld die je met een knop op de vloer aan en uit kon trappen. Ik nodigde N. uit voor deze interactie. Ze trapte op de sticker waarop stond 'hier trappen', in plaats van op de knop. 

Geachte kreunende vrouw om 2.50 AM,

Jean Jacques Lebel


Is u bekend met de akoestiek van de gemeenschappelijke achtertuinen van ons huizenblok? Ik denk het niet, en ik denk dat uw penetrator – want gepenetreerd werd u, daarover bestaat geen twijfel – u hiervan ook onvoldoende op de hoogte heeft gesteld.

Of het kon hem en u allemaal niets meer schelen, eenmaal op dat punt aanbeland, dat kan ook.

Misschien bent u het allemaal vergeten. Zal ik uw geheugen opfrissen? Het was zaterdagnacht, de herfst zat nog niet in de lucht, het was nog zomer zou je kunnen zeggen, misschien was het 's nachts benauwd en dan kan het inderdaad raadzaam zijn om de ramen open te houden voor een koel windje.

(Terzijde: lukte het niet eerder die dag? Kennelijk niet. Jammer.)

Datzelfde raam echter, ik leg het nog maar eens uit, functioneert als een microfoon waarmee u uzelf live in de uitzending brengt – een uitzending die door zo'n vijftig huishoudens wordt beluisterd. En niet alleen de lichte slapers hebben noodgedwongen op u afgestemd, mejuffrouw Kreun, ook de uitstekende slapers, zoals A., hebben hun oren gespitst toen ze zeker wisten dat het hier niet om een kattengevecht, een huilende baby of een papegaai met een ziek gevoel voor humor ging.

Zelf dacht ik eerst aan porno. Ik heb eerder porno live horen uitgezonden worden, waarbij ik me zo voorstelde dat de pornoconsument per abuis het geluid aanzette, of, waarschijnlijker, per ongeluk het stekkertje van de koptelefoon uit zijn computer trok – bijvoorbeeld omdat hij een plotselinge beweging maakte, maar het blijft gissen naar de details. Het enige wat je kunt doen is afgaan op het gekreun, en dan terug redeneren.

Maar het was geen porno, daarvoor was u te, nou ja, weinig professioneel.

Om 3.00 AM werd het stil, zonder dat er, naar mijn gevoel, een hoogtepunt was bereikt – althans bij u. Maar om 3.05 begon u weer, om vervolgens om 3.15 weer stil te houden. Het is mij onduidelijk wat er in de tussentijd is gebeurd. Raakte de penetrator vermoeid? Raakte u afgeleid? Probeerde u zich, na misschien een klacht wegens overlust (sorry), in te houden?

En dan is er nog de vraag naar de echtheid van uw gekreun. Ik hoor graag.

Hartelijks, enz.

Loftpop


Amsterdam is een lievere stad geworden, op sommige plekken althans, in corona-tijd. Bijvoorbeeld bij Stan Vreeken en Marieke Smit thuis, twee singer-songwriters, die in de buurt van de Vondelkerk huisconcertjes geven. Op het dakterras, als het weer het toelaat (zie boven), anders in de zitkamer. Het Grachtenfestival, maar dan anders. 

Ik had me er niets bij voorgesteld, want ik had nog nooit van Stan Vreeken gehoord, maar hij zou 'dus' ook op de Parade staan; Marieke Smit bleek bovendien bij de presentatie van Dagboek van een postbode in Arti te hebben opgetreden met New Amsterdam Voices. Ze heeft een bandje Woolf, en binnenkort komt haar solo EP uit.

De zon begon weer tussen rusteloos voortjagende wolkenpartijen te schijnen, ik wachtte met een vrouwtje of tien in de voortuin op het afgesproken adres. De deur ging open, er verscheen een bebaard, aarzelend hoofd met oorbelletje om de deur. Dit was Stan Vreeken.  'Er zit een nogal grote sprinkhaan in de gordijnen,' zei hij verontschuldigend.

Als oorlogsveteraan aan meerdere fronten, stelde ik voor het beest te vangen. Met een bakje en een schoteltje schepte ik hem zo van de gordijnen. Toen ik het bakje buiten open hield, vloog hij weg. O ja, dacht ik, sprinkhanen vliegen, zo'n dikke wolk van die beesten, die je hele akker kaalvreten. Dit was het enige niet-lieve element van de middag.

We mochten een drankje pakken en namen plaats op stoelen coronagewijs verdeeld door de etage, terwijl de muzikanten zich schikten op en rond de zitbank. Twee betoverende meisjes, een ander woord is er niet voor, waren uitgenodigd om mee te doen: Wieteke (zang) en Yasha (toetsen). Het viertal begon te zingen, solo, begeleid door gitaar dan wel piano, plus drum-computerbegeleiding; het refrein dikwijls meerstemmig. Aanzwellende meerstemmige zang voelt als na een lange dag werken in de kou in een warm bad glijden.

De zon scheen nog steeds, in de achtertuin wuifde het groen mee, ik schopte mijn sandalen los en dacht: deze setting is zo gek nog niet. Waarom zwetend samenpakken in donkere zalen als je ook gerieflijk met een blikje bier op een zaterdagmiddag bij iemand thuis enzovoorts? Het zal met winstgevendheid te maken hebben. Mojo gaat hier niet blij van worden, van deze loftpop. Wij 'dus' wel. 

Nieuwe broek

Ann Liu: Artist Jeans


A. heeft een broek voor me gekocht, en ik heb hem aangetrokken. Zo gaat dat in dit huishouden: zij koopt een broek, en ik trek hem aan. Ik vind dat een goede arbeidsdeling. A. houdt van kopen, ik niet (behalve boeken en wijn). Ik houd ervan om wat zij koopt te dragen en zij houdt ervan om mij dat wat zij heeft gekocht te zien dragen. Rolbevestigend? Ongetwijfeld, maar er zijn geen slachtoffers dus niets meer aan veranderen.

Maar deze broek, daar gaat het me om, ik heb hem al een week aan (waarom een nieuwe broek aantrekken als er geen vlekken op zitten?) trekt nogal de aandacht. De eerste opmerking die ik in ontvangst mocht nemen was van een kakmadam op de Reguliersgracht die ik een nogal directe vraag stelde over haar hond (niet: doe je het met haar/hem?), en die zei: 'Nou, vooruit, omdat je zo'n leuke broek aan hebt...'

De tweede opmerking incasseerde ik in de rij voor de kringloopwinkel. Een man die, sorry, toch echt obees was, had mij een tijdje aan zitten kijken en toen had hij het toch maar aangedurfd te zeggen, wijzend op mijn broek: 'Weet je wat dat is, dat is een hippe broek. Een hippe broek. Je hebt een hippe broek aan.'

Ik wist niet goed wat ik met deze observatie aanmoest. Weerspreken, want ik wil niet hip zijn; hip is toch een soort dom, of opvatten als een compliment zoals het waarschijnlijk was bedoeld (ik word, sinds ik postbode-af ben, nog zelden spontaan vernederd om wat ik draag). Maar mijn repliek werd overbodig toen hij zelf toevoegde: 'Zulke broeken droeg mijn moeder ook.'

Het derde spontane commentaar dat ik oogstte kwam van een vrouwelijke winkelbediende, een wat oudere type, ze had net mijn moeder kunnen zijn (misschien dacht ze dat ik haar zoon kon zijn). Ze zei: 'Gezellige broek heb je aan. Heel gezellig. Ja hoor. Leuk, zo'n gezellige broek.'

Ik moest denken aan mijn vader die onlangs over de styling-drift van A. had gezegd: 'Je moet niet zo'n mooie kleren voor hem kopen. Krijgt ie veel te veel aandacht.' 


Jezus +



Windkracht zes aan de Noordzeekust. Vloed die we nog niet eerder zo hoog het strand op zagen kruipen. De kitesurfers doen hun best. De meeste gaan hard en maken af en toe een sprongetje. Dat kennen we. Maar wat ik nog niet gezien had, was een kitesurfer die lekker dichtbij kwam – natuurlijk, want hij wilde showen (kitesurfen lijkt me voor een niet onbelangrijk deel een exhibitionistische sport) –, vervolgens de lucht in ging en eenmaal op het hoogste punt aangekomen, zijn surfboard losmaakte van zijn voeten, en, terwijl hij de kite in de ene hand hield en het board in de andere, een eindje door de lucht wandelde. Nee, hij wandelde niet, hij maakte overdreven loopbewegingen, alsof hij een denkbeeldige trap besteeg. Waar wilde hij naar toe? De associaties buitelden over elkaar heen. Deze surfer was walking on air, hij probeerde een stairway to heaven te beklimmen, enzovoorts. Maar machtig was het 'dus' wel. En toen hij klaar was met zijn kunstje, kwam hij ook weer behoorlijk neer op het water. Het zag er allemaal waanzinnig uit – waanzinnig gemakkelijk.

Dertig + jaar geleden, in de jaren tachtig, surfden wij ook, maar dan op een saaie, lange harde plank (zo een waar nu op 'gesupt' wordt; ook zoiets, dat moet qua rush wel het totale tegenovergestelde zijn van kitesurfen), en dan gingen we ook best hard, maar we vlogen niet, laat staan dat we door de lucht liepen.

Die luchtwandelende kitesurfer is een soort Jezus +. Dat over water lopen van de Here is plotseling nogal, nou ja, prozaïsch geworden, de magie is er vanaf, als je ziet wat zo'n kitesurfer kan.

Ik denk dat ik het ook kan als ik zou willen, het Jezus +-dom is ook voor mij binnen handbereik. (Gelukkig wil ik het niet.) 

 

Wonderen

Meester van de Magdalenalegende



'Viktor?'

In het park zit een vrouw naast me die me vaag bekend voorkomt. 'Jouw dochter zat bij mij op de peuterspeelzaal,' zegt ze. 'Ik ben Maria.'

Verdomd. Nu weet ik het weer. De erg goede en erg sympathieke peuterspeelzaalleidster die plotseling verdween tot onze grote spijt, nadat ook onze dochter aan haar gehecht was geraakt.

Haar eigen kind was ziek. Meer kregen we niet te horen.

'We gingen met onze dochter van tweeënhalf naar de huisarts omdat ze veel hoestte. We dachten astma of zo. De dokter zei: ik vertrouw het niet, ga maar naar de longarts. Die deed een onderzoek en zei: uw dochter heeft dubbele nierkanker met uitzaaiing naar de longen. Binnen een paar uur tijd waren we van nietsvermoedend bij de huisarts naar doodsangst in het ziekenhuis. Ze is in Utrecht behandeld bij dr. Lieve Tytgat. Al met al heeft het een jaar geduurd. De chemo viel nog wel mee, toen ze er eenmaal aan gewend raakte, maar in de winter kreeg ze plotseling griep. We dachten dat het voorbij was. We zaten in grote spanning. Ze lag twee maanden op de intensive care. Het was erop of eronder met haar.'

Ik kijk naar de dochter die nu vijf is. Een vrolijk, blakend kind. Ze komt bij me staan. Het schijnt haar niet te storen dat we het over haar hebben en haar ziekte.

Ik wil haar eigenlijk complimenteren met haar knokwerk, maar ik zeg: 'Had je pijn?'

Ze knikt en hoest zachtjes, in haar elleboog, zoals het hoort. Daarna gaat ze verder in haar Bobo.

Maria vertelt dat ze halsoverkop weg moest bij de peuterspeelzaal en dat ze dus niemand behoorlijk kon informeren, al helemaal de ouders niet. 'Ik had mijn collega's opgedragen eerlijk te vertellen wat er gebeurd was, maar ze konden het niet. Ze moesten te hard huilen.'

Een wonder: een vreselijke diagnose omgedraaid, het noodlot getart. Alsof dit meisje de dood te slim af is geweest, hem of haar op een tactisch moment heeft laten struikelen.

Er rommelt een kleintje bij onze voeten. Dochter no. 2. Nog een wonder.



Discussie


Genoeglijk gezeten bij een wijntje op het balkon van mijn ouders in Résidence Petruspoort, had ik een eigenaardige discussie met mijn vader. Ik heb vaak discussies met mijn vader, soms ook felle, en we houden mede om die reden van elkaar, maar het standpunt dat hij die avond innam had ik hem nog niet eerder horen innemen.

Mijn vraag was of hij als ervaringsdeskundige van de Japanse interneringskampen afgelopen zaterdag nog het glas had geheven op de capitulatie van Japan, vijfenzeventig jaar geleden. Ik voegde eraan toe dat ik een artikel had gelezen over Elisabeth Visser die in het kamp Ambarawa had gezeten op Java, en die nog altijd elke maand voor de Japanse ambassade demonstreert voor excuses en genoegdoening. Ze zei: als de Japanse ambassadeur een even diepe buiging maakt voor ons als wij destijds moesten maken voor de Japanse bezetter, dan houd ik op met demonstreren.

Mijn vader schudde zijn hoofd. Dat zou hij nooit doen, demonstreren. Wat wil je ermee bereiken? Wat wil je voor genoegdoening? Het was oorlog. De Japanners wilden Azië veroveren. Toen zaten ze opgescheept met die Europeanen. Tja.

Mijn moeder en ik waren verbaasd. Hoe kon hij dit zeggen?

Ik speel graag advocaat van de duivel, zei hij.

Dat begrijp ik zei ik, je moet verschillende standpunten innemen anders heb je geen discussie, maar dit was wel wat vreemd, komende van mijn vader, die zich in het verleden nogal opwond over de bagatelliserende toon over de kampen van bijvoorbeeld Rudy Kousbroek.

Mijn moeder riep: De Japanners hadden de Europeanen toch naar huis kunnen sturen? Maar nee, ze hebben jullie in kampen gestopt. Vernederd. Uitgehongerd.

Mijn vader nam een slokje wijn.

Hoe diep ging de Japanse haat voor de Europeanen eigenlijk? Niet zo diep als de haat van de nazi's voor de Joden, lijkt me, maar toch. Japan was, en is, een xenofoob land. 

Je moet je voorstellen, zei mijn vader, we spraken elkaars taal niet. Joden kregen bevelen in het Duits. Wij kregen bevelen in een taal waarvan wij niets begrepen.

Hoe dan ook, zei ik, zonder dit zeker te weten: je kunt mensen, ook in tijden van oorlog, dus onder oorlogsrecht, niet zomaar in kampen opsluiten. Dat valt onder de Geneefse conventie. 

Denk je dat Japan zich ook maar iets gelegen liet liggen aan de Geneefse conventies? Dat is een Westerse uitvinding.

Op Wikipedia zocht ik vergeefs of Japan die conventie had ondertekend, maar ik kwam er niet uit. Ik zei, echoënd wat ik bij Why We Hate had gehoord: je moet de ander als beest zien om hem beestachtig te kunnen behandelen. Zodra je iets van jezelf herkent in de ander, ga je hem of haar vanzelf beter behandelen... Maar natuurlijk kun je genoegdoening eisen, ook als je niet gemarteld bent, al was het maar wegens vrijheidsberoving. Jouw vader heeft drieënhalf jaar geen inkomen gehad. Hij is alles kwijtgeraakt. 

Jouw ouders zijn afgewimpeld met een fooi van drieënhalve duizend gulden! riep mijn moeder. Weet je dat niet meer?

Mijn vader keek ongelovig. We lieten het onderwerp rusten.