24. Krak

Edgar Arceneaux


'Meneer de edelachtbare, ik...'

'Meneer Griekspoor. U hebt nog iets toe te voegen?'

'Ik wil alleen maar zeggen dat het me spijt, meneer.'

'Dat is mooi. Verder nog iets?'

'Ik deed het in een, in een vlaag van, in een vlaag van verstands...'

'Verstandsverbijstering?'

'Dat. Ik was gewoon heel boos op hem.'

'Zo boos dat meneer Engelmoer dood moest?'

'Ik moest hem stoppen.'

'U had hem ook kunnen vragen te stoppen met wat hij dan ook deed dat u dwarszat.'

'Ik heb het hem gevraagd. Ik heb het hem gevraagd! Heel vaak zelfs. Maar hij stopte niet.'

'Dan had u nog uit zijn buurt kunnen blijven.'

'Dat is onmogelijk meneer de Edelachtbare, dat is onmogelijk! Bent u op de afdeling geweest?'

'Nee. In elk geval dacht u, ik maak hem dood, dan houdt hij wel op.'

'Dat is wat er is gebeurd.'

'U dacht niet: als ik hem doodmaak, bega ik een groot misdrijf, een van de grootste misdrijven die een mens kan begaan.'

'Zover gingen mijn gedachten niet.'

'Meneer Griekspoor, had u, op het moment dat u wist dat u meneer Engelmoer dood ging maken, een methode voor ogen?'

'Hoe bedoelt u?'

'Hoe u het ging doen. Wist u dat al op het moment dat u naar zijn kamer ging.'

'We hadden ruzie gehad in de eetruimte. Voor de zoveelste keer. Hij was te ver gegaan. Ik wilde hem dat betaald zetten. Ik wilde wraak.'

'Dus vanaf die ruzie in de eetruimte bent u gaan nadenken over hoe u hem zou kunnen wreken.'

'Ja, maar niet per se doodmaken, meneer, ik begrijp ook wel dat dat niet kan, ik ben met de bijbel opgegroeid.'

'Dat is goed om te weten.'

'U zult niet doden.'

'U kent uw klassiekers.'

'Dat gebod komt trouwens vrij laat in de opsomming... Als het zo belangrijk was geweest hadden ze het wel wat eerder kunnen noemen.'

'Juist. Maar we zijn hier niet om uw kritiek op de Schrift aan te horen, meneer Griekspoor. Ondanks dat u op de hoogte was van het gebod om niet te doden bent u naar de kamer van meneer Engelmoer gegaan en hebt u hem gedood.'

'Ik heb hem de nek omgedraaid.' 

'U bent zijn kamer binnengeslopen, meneer Engelmoer zat op dat moment in zijn rolstoel aan zijn tafeltje.'

'Zijn deur stond open. Hij kan trouwens ook niet op slot. Hij maakte een puzzel.'

'Meneer Engelmoer was zo geconcentreerd dat hij u niet hoorde aankomen.'

'Hij keek pas op het allerlaatste moment om. Toen hij mijn gehijg hoorde.'

'Maar toen was het te laat.'

'Ik heb zijn kop gepakt, nog voor hij iets zeggen kon, met twee handen, en die kop heb ik keihard naar achter getrokken. Krak, zei die.'

'U heeft de nek van de heer Engelmoer gebroken.'

'Dat heb ik later gehoord ja.'

'Het was niet uw bedoeling om de nek te breken?'

'Ik wilde hem alleen mijn boosheid overbrengen maar ik had niet gedacht dat hij daaraan zou overlijden.'

'U dacht dat hij prima kon doorleven met een gebroken nek? Gegeven de zwakke gezondheid waarin meneer verkeerde?'

'Hij hoefde het niet makkelijk te hebben. Maar ik had het ook niet makkelijk! Al jaren niet! Maar meneer de edelachtbare, ik heb al gezegd dat het mij spijt! Wat wilt u verder nog van mij?'