Honderd verhalen in honderd dagen: 14. De geheime fiets







Pakjesavond. Het is stil op straat. Ergens in een middelgrote stad in Nederland spuugt een jongen, laten we hem Malcolm noemen, op de stoep. Door de open gordijnen van de rijtjeshuizen ziet hij hier en daar groepjes kinderen bij elkaar zitten, omgeven door pakpapier. Sommigen zingen, anderen staren groepsgewijs zwijgend naar een laptop waarop een deepfake haatbaard zijn ding doet. Ergens brandt een vuur.
Malcolm trekt de capuchon van zijn skijack over zijn hoofd. Hij weet dat sommige mensen bang voor hem zijn als hij er zo bij loopt. Lachen. Laat ze bang zijn.
Zal hij bij zijn homeboy langs? Wacht, die zit bij familie ver weg zijn straf uit. Er is nog wel een jonge oom een paar straten verderop maar die kan hij niet meer serieus nemen sinds hij het licht heeft gezien. Malcolm grinnikt. Laat hem bidden.
Het is koud. Windstil. De wolken trekken open om toch nog wat kankersterren te laten zien. Malcolm loopt om een verlaten voetbalstadion heen, dat 's avonds iets dreigends krijgt, zeker sinds er niet meer wordt gespeeld. Geen toegang voor onbevoegden. Fok dat. Malcolm vindt een brokje in zijn jaszak, blaast het stof eraf en steekt het in zijn mond. Hij voelt zich mellow worden. In slow motion, lijkt het, ontwijkt hij een man met een kinderwagen, een vrouw met een mondkapje en een oudere man met een herder.
Nee: zij ontwijken hem.
De witte angst. Ha!
Maar hij moet pissen en hij heeft nog geen zin om naar huis te gaan. Home is where the hatred is. De muren kwamen op hem af en zeiden dat hij minder dan een huismijt was.
Malcolm kijkt om zich heen. De bosjes rondom het sportterrein? Te dun. Misschien achter dat elektriciteitshuisje? ACAB. Heeft mijn homeboy die gesprayd?
Hij kijkt om zich heen en wurmt zich dan door de struiken langs het bakstenen muurtje.
Kanker.
Er staat een fiets en niet op slot.
Een VanMoof, een matzwarte SmartX!
Verlekkerd zucht hij voor zich uit, terwijl hij zijn slome geslacht te voorschijn haalt en watert.
Zouden de kankergoden hem dan toch goed gezind zijn? Hij snuift. Met een hand ziet hij op zijn telefoon dat zo'n ding 850 doet op marktplaats.
Dan: licht. Malcolm baadt in het licht. Verblind, droge keel, het duurt even tot het tot hem doordringt dat hij wordt beschenen door twee politie-agenten die aan weerszij van het elektriciteitshuisje staan opgesteld. Op de hoek van de straat, bij de lantaarnpaal, ziet hij in zijn ooghoek, de wagen.
Waakzaam en dienstbaar.
ACAB.
Zo, zegt de agent links, een oudere man. Lekker bezig, zie ik?
Malcolm frommelt zijn broek dicht en draait zich om naar de agent rechts, in wie hij een vrouw denkt, hoopt, bidt te zien.
Wat heb ik gedaan? Discriminatie godverdomme!
Ja, en mijn zus is professor in de natuurkunde, zegt de agent links, een man met een pafferig gezicht. Hij richt zijn zaklantaarn op de Van Moof. Hoe komen we aan die fiets?
Die is niet van mij!
In de verte aan de overkant van het sportveld rent een man met een volle jutezak in de hand.
Dat is 't 'm nou juist. De agente, rustig, geduldig, richt haar lamp, die op haar voorhoofd zit, als bij een mijnwerker, naar de grond. Met je benen wijd tegen de muur. Ze fouilleert hem. Geen onaangename sensatie.
Jij dacht ik doe mezelf een fiets cadeau.
Jij dacht ik speel voor sinterklaas.
Ik stond hier gewoon te pissen man! Hij haat het dat zijn knieën trillen.
Ik ben je man niet, zegt de agente achter hem, toonloos.
De oudere agent weet te melden dat de fiets een week geleden als gestolen is opgegeven.
Daar kan ik toch niets aan doen. Fok!
Wij kunnen er ook niets aan doen, zegt de agent, en slaat hem in de boeien.