29. De man zonder ambitie (III)


Domasov zat mismoedig aan de leestafel de kranten door te nemen, en boog zich over de advertenties. Kleine en grote advertenties. Het waren er nogal wat. Het leek alsof de hele krant bestond uit advertenties. Er waren veel mensen die andere mensen iets te bieden hadden. Sommige vroegen ook wat, waren op zoek om iets te kopen, maar de meesten hadden iets in de verkoop. Je kon het zo gek niet bedenken of er bestond een rubriek voor. Hondjes, hoeden, sigaretten. Strijkijzers, tafellinnen en antiek. Breipennen, pannen en bakfietsen. Bedden, barometers en bustehouders. Bij het woord bustehouder kon Domasov een kleine glimlach niet onderdrukken; hij stelde zich voor dat hij handelaar was in bustehouders, en nu hij toch bezig was, in corsetten en jarretels.

Hij nam een slokje koffie en grinnikte. Heeft u vrouwenvlees in te pakken? Kom dan eens kijken bij Domasov! Alle soorten en maten! Speciaal gepatenteerde stof! Maximaal rekbaar!

Daadwerkelijk begon hij op de achterkant van het telegram dat de onheilstijding van zijn vader bevatte, met een potlood wat ontwerpen uit. Hij zou zich specialiseren in extra grote maten. De allergrootste maten. Ja, dat zou wat zijn!

Domasov tekende niet onaardig, maar hij had geen ambitie, dat was het, zoals hij op geen enkel vlak enige ambitie toonde, dus was het nooit iets geworden. Hetzelfde kon worden gezegd over zijn dichterschap en zijn vioolspel. Hij was blijven hangen in veelbelovend, hij had nooit de aandrang gevoeld de belofte in te lossen. Dat was voor hem geen enkel probleem geweest, maar hij voorvoelde dat het binnenkort wel eens gedaan zou kunnen zijn met die gesubsidieerde ledigheid van hem. Het zou wat zijn zeg: op zijn vijftigste nog aan het werk, iets moeten!

Hij voelde een harde klap tegen zijn rug. 'Vriend, wat zit jij hier te prutsen met die vieze plaatjes? Waarom lig je niet boven op de sofa? Ik was je bijna voorbijgelopen!'

Tjersjev's lach bulderde door de lobby. Gasten aan belendende tafeltjes keken op – ook de vrouw, die gisteravond in kennelijke staat nog aanbood wiskundige problemen op te lossen, Ilonka heette ze, kleindochter van een spoorwegbaron.

'Sst!' siste Domasov. 'Ga zitten, daar in die clubfauteuils bij de open haard. Ik kom zo naar je toe. Ik heb slecht nieuws.'

Tjersjev, een imposante verschijning, maar hij miste een paar tanden, en hij liep mank, gaf zijn zware bontjas en muts, die geheel waren ondergesneeuwd, aan een bediende, liet zich in een clubfauteuil vallen en bestelde een cognac.

Toen Domasov naast zijn vriend was gaan zitten en ook een cognac had besteld, toastten ze, zoals altijd, op de liefde, die geen van beiden ooit had gekend (daarom toastten ze erop).

Tjersjev warmde zijn verkleumde handen aan het vuur. 'Vertel op, wat is er aan de hand? Heb je weer gedichten zitten schrijven? Ik zei toch dat dat niet goed voor je is.'

Domasov deed zijn verhaal en toen hij klaar was, biggelden de tranen over zijn mollige wangen. Met de muis van zijn duim droogde hij zijn ogen. 'Ik weet niet wat ik moet doen, Ivan, ik ben radeloos! Straks moet ik dit hotel uit... En dan? Moet ik dan bij jou onder de Lomonosov brug komen liggen?'

Tjersjev schudde zijn hoofd. 'Zo erg is dat niet. Ik leef toch nog? Maar zover hoeft het niet te komen... Ik bedenk wel iets.'

De beide vrienden zwegen. Buiten op straat, het rumoer drong door tot in de lobby, was een opstootje. Een groepje mensen scandeerde iets, het was niet te horen wat.

'Misschien moet je met een rijke dame trouwen, Valery, dan ben je voor altijd van het gedonder af. Dan is je kostje gekocht, dan hoef je de rest van je leven niets meer te doen. Daar heb ik ook altijd van gedroomd, maar ja...'

Domasov stopte even met snikken en keek zijn vriend vragend aan. 'Maar met wie dan in vredesnaam?'

Tjersjev knipte geruststellend met zijn ogen, leegde zijn cognac-glas en fluisterde: 'Ik heb al iemand in gedachten.'