Honderd verhalen in honderd dagen: 16. Korte biografie van een klootzak



Jhr. W., topdiplomaat, had het op zich laten wachten tot kunst verheven. Als mensen op hem wachtten, redeneerde hij, gijzelde hij hun tijd en hun bewegingsvrijheid; een idee dat hem bijzonder aansprak. Mensen laten wachten was W.'s manier om ze onzichtbaar op te sluiten.

Omgekeerd was volstrekt onacceptabel. Het idee dat W. op een ander zou moeten wachten, het hele idee van een wachtkamer, van wachttijd, maakte hem ziedend. (Medici en andere dienstverleners ontbood hij per definitie aan huis. Een tandarts heeft hij nooit bezocht, en dat bleek.)

Punctualiteit was W.'s dingetje. Na zijn afspraak te hebben begroet, verontschuldigde hij zich. Hij moest een telefoontje aannemen, een medewerker (altijd jong en intelligent) te woord staan, een bode een document overhandigen.

Een andere geliefde methode was negeren. Dus wanneer de afspraak eindelijk doorging, W. bevond zich met de afspraak in dezelfde ruimte, dan weigerde hij die aan te kijken. Hij keek zijn afspraak niet aan wanneer die sprak, en zeker niet wanneer hij zelf sprak. Wanneer W. sprak, werd de rest van de wereld ruis.

Mr. Stonewall luidde een van zijn bijnamen. Sommigen beweerden dat hij de bijnaam in het leven had geroepen om een andere bijnaam, Dr. Fig (zijn gezicht deed sterk denken aan een gedroogde vijg), naar de achtergrond te dirigeren.

Vaak zorgde W. ervoor dat zijn gehoor uit meer dan een persoon bestond, zodat hij telkens minstens een van hen kon negeren. Liefst allebei. Het negeren moest geraffineerd gebeuren anders haakten de genegeerden af. Subtiel afwijzen en dan op het juiste moment weer slinks binnenhalen, daar kwam het op aan. Een soort vissen.

Jhr. W. groeide op als de middelste van zeven zonen in een adellijke familie die sinds jaar en dag een kolossaal pand bewoonde aan de Lange Voorhout in Den Haag. De kunst van het laten wachten en negeren had hij van zijn vader, een man die zo autoritair was, dat je je afvroeg hoe zijn vrouw, anders dan uit een diepgeworteld masochisme, behoefte had gevoeld om zich zeven keer door hem te laten bevruchten, maar misschien gebeurde dit onder dwang of bedwelming, dat is nooit opgehelderd. Ook werd van tenminste twee zonen (W. en zijn jongere broer) betwist of ze wel van hem waren.

W. studeerde cum laude af in het internationaal recht te Leiden, volgde het diplomatenklasje en stroomde moeiteloos, sommigen zouden zeggen: te moeiteloos, door naar de carrousel van toen nog tweehonderd buitenlandse diplomatieke diensten.

Niet alleen heeft W. zich nooit voortgeplant, hij duldde zelfs nauwelijks moeders ('voortplantende entiteiten') in zijn nabijheid (zijn eigen moeder bezweek aan borstkanker toen W. dertien was). Kinderen beschouwde hij op zijn best als storende entiteiten en op zijn slechtst als misbare monstrositeiten. Misschien haatte hij ze omdat kinderen anarchisten zijn, en anarchisme W. tot razernij dreef. Als W. een baby in zijn handen kreeg gedrukt keek hij hulpeloos om zich heen, alvorens de zuigende en poepende entiteit aan de rechtmatige eigenaar te retourneren. Eén keer heeft hij een kind van een Franse diplomaat in Cotonou de arm gebroken, omdat het niet naar zijn uiteenzetting over een wapenstilstand voor strijdende facties in Ivoorkust wilde luisteren. Een andere keer, in de sloppenwijken van Port au Prince, zou hij een tienjarige wees anaal hebben verkracht, maar daar is nooit een zaak van gekomen. Het kind zweeg en W. had de rechters op zijn hand (drie van zijn broers waren rechter).

In de villa in Bezuidenhout waar W. en zijn vrouw de laatste twintig jaar woonden, sliepen ze in aparte bedden, in aparte kamers, in aparte vleugels. Eten deden ze aan aparte tafels op aparte tijdstippen. Voor de zekerheid aten ze ook andere dingen.

V., W.'s vrouw, was eveneens diplomaat, en stamde af van een vergelijkbare, hoewel niet adellijke, familie. Zij heeft nooit geklaagd over W.'s kinderloze apartheidsbewind.

W. werd geroemd om zijn dossierkennis. Critici meenden dat zijn dossierkennis zo groot was dat hij geen plaats had voor andere kennis, zoals bijvoorbeeld mensenkennis.

Zijn vijfendertig jaar durende diplomatieke arbeid leverde wapenfeiten op die, voorzover hij ze zelf wenste te beschrijven in zijn vijfhonderd pagina's tellende memoires Het uitoefenen van druk (Uitgeverij De zegelring, 2011), zijn te tellen op de vingers van een hand waarvan pink en duim zijn afgezet.

W.'s meest in het oog springende kwetsbaarheid betrof jonge intelligente mensen. Die maakten hem onzeker. Die lieten hem wachten, in plaats van hij hen. Negeren net zo. W. probeerde ze uit zijn leven te bannen, maar slaagde daar matig in. Telkens doken ze weer op, vooral in Genève en New York liepen er enkele rond die hem om hun vinger wonden. Hij noemde deze jonge intelligentsia gekscherend zijn wraak-posse.

'Een land of een groep landen blaas ik met gemak omver,' mocht W. graag opscheppen op feesten en partijen (van anderen), 'maar toon mij een jong, intelligent persoon en ik ben verloren.'

Vermoedelijk was hij de meest chantabele diplomaat in de geschiedenis van Buitenlandse Zaken maar er is nooit iets van naar buiten gekomen.

Op zijn sterfbed, in De Buitenpost, tehuis voor diplomaten in Zeist, ontstak hij in toorn toen zijn vrouw zich luchtigjes liet ontvallen dat Het uitoefenen van druk werd genoemd in de ramsj-rubriek van het Handelsblad – de enige keer, naast de annonce van zijn geboorte en overlijden, dat W. met naam en toenaam in de krant kwam.