Koloniale erfenis



In de grote kartonnen doos die ik redde van de zolder van mijn ouderlijk huis vind ik twee beenkappen die mijn grootvader gedragen moet hebben in Indië. Ik wist wel van het bestaan van die dingen, en ik herinner me ze ook nog uit het grootouderlijk huis aan de Amstel (een ingenieurswoning bij de Zuidergasfabriek, waar grootvader directeur was), maar ik ben verrast ze tussen mijn zooi aan te treffen.
Ik pel ze van elkaar en doe ze een voor een om. Dit gaat vlugger dan het aantrekken van de scheenbeschermers van mijn tienjarige, behalve dan dat het leren bandje, om de beenkap om de kuit te bevestigen, afbreekt als ik er aan trek. Hm. Hoe oud zullen die dingen zijn? Mijn grootvader was van 1901, hij ging in 1928 naar Indië, dus een jaar of tachtig zeker, denk ik, misschien negentig, of misschien wel honderd als hij ze op zijn beurt weer had overgenomen van zijn voorganger.
Waarvoor had hij ze nodig? Om zich zonder kleerscheuren en beenverwondingen door de rimboe een weg te banen, denkelijk, maar ik zou wat meer details kunnen gebruiken om me daarvan een beeld te vormen. Grootvader zat in de palmolie en in de suiker voor de Handelsvereniging van Amsterdam op Java en Sumatra. Hij was chemiker. Verder weet ik er weinig vanaf. Ik heb hem dertig jaar geleden, toen ik me voor kolonialisme begon te interesseren, nog wel wat vragen gesteld, maar uitgebreide antwoorden gaf hij niet. Grootvader vond niet dat hij koelies uitbuitte. Hij was van mening dat het kolonialisme in de Oost, dat een verbijsterende drieënhalve eeuw standhield, vooral ten bate kwam van de inlanders. Een tegenwoordig lastig vol te houden standpunt.
Heeft mijn grootvader die beenkappen mee het kamp in genomen? Dat moet haast wel, want verder is er uit die tijd niets bewaard gebleven. Een eigenaardig souvenir.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten