75. Harry Harakiri




We noemden hem Harry Harakiri.
Waar ik opgroeide, op het platteland – een term die, zoals zal blijken, tenminste drie betekenissen heeft – zoop je je in het weekend zo snel mogelijk klem teneinde een staat van totale gevoelloosheid te bereiken. Noem het ruraal nirvana. Harry was hier goed in; beter dan ik. Op vrij- en zaterdag begon hij vroeg. Bier hoofdzakelijk, maar al snel daarna, omdat het bier op zijn forse lijf te weinig effect sorteerde, zijn lichaam wierp succesvolle verdedigingslinies op tegen de intoxicatie, schakelde hij over op jenever of rum indien voorradig. De fles ging rond, ik nam kleine slokjes en lachte te hard om Harry's slechte grappen; ik probeerde zoveel mogelijk te roken, zolang ik rookte dronk ik niet, hield ik mezelf staande, dat was mijn strategie.
De aarde was donker, leeg en koud. We stampten op bevroren modder. De drank was een manier om warm te blijven, om de boel gaande te houden, maar Harry bereikte al om negen, tien uur een fase waarin de kou of de boel hem niets meer deed, wij hem niets meer deden, niets hem iets meer deed.
Op zulke momenten kwam Ruud, zijn broer, nogal eens met het voorstel, lallend gedaan, nauwelijks verstaanbaar, om te gaan rijden. Niet op een ezel of tractor, en ook niet om brood te halen in het dorp. Zelfs niet om een meisje op te pikken voor een avond alleen. Dat was dan allang een gepasseerd station. Het meisje bestond niet of bleef eeuwig onbereikbaar. Als het meisje er wel was geweest, had het verhaal een andere wending genomen.
Harry stapte achterop bij Ruud op diens opgevoerde motor met afgezaagde uitlaatpijpen, zonder helm ook nog (alleen Ruud droeg er een). Ze knetterden er vandoor, ik zie ze nog gaan. Ik herinner me ook nog dat ik heel opgelucht was dat Ruud mij niet had uitgenodigd, omdat ik zeker wist dat ik niet genoeg ballen had om de uitnodiging af te slaan.
Frontaal reden ze tegen een boom aan. Ruud was op slag dood, Harry overleefde. Hij had alleen een paar gebroken ribben, niets om je zorgen over te maken. En een broer meer of minder, ach hij had er vijf, het leven ging door.
De tweede keer was maar twee jaar later. Weer winter, gladheid, donkerte, ledigheid. Harry was lam, hij lag op een gegeven moment languit op het asfalt te raaskallen tegen de sterren. Maar hij was weer opgestaan, toen Tjibbe, de man van Truusje, een aardbeivormige vrouw met een heel dun blond snorretje op wie wij allemaal een beetje verliefd waren maar die geen oog voor ons had omdat ze ons 'simpele zielen' vond, met zijn Ford Escort voor kwam rijden. Ha! Harry gaf me nog een natte zoen op mijn voorhoofd en weg was hij. Er zat niet eens een achterbank in. Meestal ging het goed, bleef het leuk, kwam iedereen tien, twintig minuten lachend terug, maar in de winter was het gekkenwerk, een race naar het graf.
Ruuds tragedie had dat bewezen, en niet alleen de zijne.
Tjibbe beukte met een vaart van tachtig kilometer door een bevroren sloot. Harry had geen riem om. Nergens voor nodig. Dat hij ook dit overleefde, het enige wat hij had was een kapotte kaak omdat hij voorover tegen het dashboard was geklapt, bewees volgens Truusje het bestaan van een beschermengel, die had je toen nog.