92. Geen verhaal maar wel waar (II)




Mijn vader neemt mijn hand niet aan als ik hem wil helpen. Corona zal meespelen, maar hij is gevaccineerd en volgens mij weigerde hij daarvoor ook al. Als eenennegentigjarige die slecht ter been is, lijkt mij dat iedere hand welkom is, maar hij ondersteunt zich liever zelf. Als hij de keus heeft tussen mijn hand en de handgreep van de rollator kiest hij voor de laatste. Als ik hem omhoog wil helpen uit een stoel dan laat hij mijn hand in het luchtledige hangen.
Ik begrijp zijn hang naar autonomie; toch verwacht ik kennelijk af en toe dat zijn afkeer van afhankelijkheid (van zijn jongste zoon nog wel), het aflegt tegen zijn behoefte aan steun. 
Tijdens ons bezoek wees ik een paar keer op deze eigenaardigheid, maar niemand reageerde.
Ik vermoed dat hij de hand van mijn moeder wel aanneemt, hoewel ik hem dat niet heb zien doen.
Ondersteuning nodig hebben is vernederend, maar moet worden afgewogen tegen andere vernederingen. Stel voor dat ik helemaal niet zou aanbieden om hem te helpen, en hij viel, wat dan? Ik stel me zo voor dat ik, als ik zelf aan de beurt ben, me dankbaar zou vastklampen aan de helpende hand van een van mijn zoons, maar misschien denk ik tegen die tijd ook 'zelfredzaamheid of de dood'.
Mijn vader is een ouderwetse vader. Een vader die nog altijd bang is om van zijn voetstuk te vallen. Ik heb nooit op een voetstuk gestaan, wat als nadeel heeft dat er niet naar mij wordt opgekeken, maar als groot voordeel dat ik er ook niet van af kan vallen.
Moderne vaders worden bespot in plaats van gevreesd. Ik krijg trappen tegen mijn achterste van mijn elfjarige, in plaats van eerbied en ontzag.
Ik geloof wel dat ik enige punten bij mijn vader heb verdiend door zijn scootmobiel, dat halverwege de wandeling plotseling dienst weigerde, weer aan de praat te krijgen, maar zeker ben ik daar niet van. Ik heb zo'n vermoeden dat mijn vader mij hoe dan ook niet in een zorgverlenende rol wenst te zien, en zichzelf niet in een zorgnemende.
Hij viel bijna om. Dat gebeurde toen hij een afritje van de stoep de straat op te ruim nam. Ik stond naast hem, klaar om hem op te vangen, maar als hij werkelijk was gekapseisd was ik weer nutteloos geweest, zoals altijd.
Zie je nou wel!
Hier is een verschil tussen fictie en non fictie: de val van mijn vader, met zijn scootmobiel, terwijl ik erbij sta en niets kan doen, of niets doe, is een mooie premisse voor een verhaal, maar in een stukje zoals dit waarin ik het eigenlijk over iets anders wil hebben, namelijk de zorgweigering van mijn vader, vormt de mogelijkheid ervan slechts een zijpad.
Hij vond het niet leuk dat ik een foto maakte van hem in zijn scootmobiel. Een moderne vader zou er met (zelf)spot mee om kunnen gaan. Misschien is dat het grootste verschil tussen mijn vader als vader en mijzelf als vader: ik neem mijn vaderschap niet altijd serieus, probeer er zelfs aan te ontsnappen als het me teveel wordt. Ik ben dan ook nauwelijks kostwinner, laat staan een ouderwetse, degelijke, zoals hij altijd is geweest, en als iets ontzag inboezemt, dan is het inkomen.
Of zou het toch weer met de oorlog te maken hebben?
Het is moeilijk vol te houden dat de oorlog er niets mee te maken heeft.
Ik moet mijn vader eens vragen of zijn vader zijn helpende hand ook niet aannam, toen hij in de negentig was.