84. Life is fragile, when to panic? (IX)

Hendrick Avercamp, IJsvermaak bij een stad


Het schaatsen was een succes, al hadden we geen schaatsen. Frederik kan het woord schaatsen niet eens uitspreken, die is daar veel te geleerd voor. Alle schaatswinkels waren leeg en voor last minute marktplaats-deals waren we te laat. 'Dan schaatsen we op onze schoenen,' zei Lukas opgewekt. Zijn opgewektheid sprak me aan. Frederik was zelden opgewekt, eigenlijk alleen als hij iemand anders ten onder zag gaan.

We gingen Lester van het station halen. De treinen reden weer. Hij kwam op me afrennen. Ik omhelsde hem als een liefje dat een soldaat verwelkomt die terug is gekeerd uit de oorlog.

'Lester, dit is Lukas, een oude vriend, nou ja, kennis... Lukas, dit is Lester, mijn zoon.'

Ze begroetten elkaar overdreven vormelijk. Lukas keek verlegen. Ik dacht wel dat dat was gemeend. Lester keek verwachtingsvol, ook al waren er geen schaatsen.

'Sorry,' zei ik. 'Ik heb alles geprobeerd, toch?'

Lukas knikte. 'Om te schaatsen heb je geen schaatsen nodig.'

En verdomd, in het Oosterpark stapten ze op het ijs (ik bleef aan wal want ik haat ijs; het enige ijs dat ik ken is schaafijs met siroop) en daar gingen ze. Zeker, niet zo hard, maar toch, de rit was er niet minder om. Lukas ging voor. Voorovergebogen, de handen op de rug, ging hij links, rechts, links, rechts, de ijsvloer over. In zijn kielzog mijn kleine jongen. Eerst nog jaloers naar andere kinderen kijkend die wel een stuk ijzer hadden ondergebonden, maar daarna steeds trotser op de meer poëtische manier van schaatsen die Lukas Einthoven had bedacht.

Gelukkig had hij nog meer in petto. Hij had ergens een touw vandaan gehaald en een stuk karton. Hij verzocht Lester op het karton plaats te nemen en het ene eind van het touw vast te houden. Lukas sleepte hem voort over het ijs, maar dat niet alleen, op het grote meertje begon hij de jongen rap in de rondte te draaien, steeds harder, Lester vloog voorbij, hij kreeg tranen in zijn ogen, en toen Lukas stopte, keek hij pas echt trots in het rond – of iedereen hem wel gezien had, in zijn ijsdraaimolen, en dat was het geval. Er had zich een hele meute verzameld. Kinderen en volwassenen. Ze wilden ook.

Bij de uitgang van het park luisterden we nog even naar een zingende contrabassist in de sneeuw, zoiets zie je niet vaak, en zeker niet in Almelo. Toen ik Lester een euro gaf om in zijn hoed te gooien, voelde ik een kus van Lukas op mijn hoofd. Ik deed of ik het niet merkte. Ik wou niet dat Lester het zag. Met de uber brachten we hem terug naar het station. Bekaf kwamen Lukas en ik thuis.

'En, hoe was het?' was Frederik nog wel zo beleefd om te informeren. Hij was bezig de haard op te stoken, een mooi karweitje voor hem.

'Vreselijk,' zei ik. 'Valentijnsdag in het park, windstil, de zon scheen af en toe tussen de wolken door, iedereen gleed in gelukzalige staat over het ijs, later was er nog een zingende contrabassist, dus ja, voor jou was er niets aan.'

'Mooi. Prima. Prachtig. Helemaal zoals ik me had voorgesteld.' Hij krabde over zijn buik en schonk zichzelf een glas wijn in. 'Jullie tortelduifjes ook toe aan een glaasje?'

Lukas plofte op de bedbank, dezelfde bank waar hij had geslapen, samen met Pous nota bene, met dat dier had hij opmerkelijk gauw contact gemaakt, net zoals met mij. Midden in de nacht, maar wat is midden in de nacht, was ik hem nog gaan bespieden. Toen ik hem zag liggen, als een pasgeboren baby, met Pous aan zijn zij, dacht ik: je mag me wel dankbaar zijn rotzak, dat ik je heb gered.