78. Life is fragile, when to panic? (III)




Toen ik langzaam dichterbij sloop, zag ik dat er een fijne laag sneeuw over de slaapzak heen lag. Een witte deken over een zwarte deken.
De grote sneakers stonden er ook nog. Ze waren tot de rand toe gevuld met sneeuw.
Van de koptelefoon ontbrak ieder spoor, en ook de pet-fles was weg. Misschien had hij ze mee in zijn holletje genomen.
'Hello?' zei ik. Deze hello klonk minder overtuigend dan de eerste hello, die ik pakweg 24 uur geleden had uitgesproken. Aarzelender. Gedempter, ook. Het was dezelfde begroeting, maar tegen een andere achtergrond. Het was stiller worden. Elke lettergreep leek, zodra hij was uitgesproken, te worden opgegeten door de monsterachtige witheid. 'Excuse me!'
Ik weet niet wat me bezielde – dat weet ik wel vaker niet, Frederik denkt dat ik gek ben – maar ik knielde neer in de sneeuw en bracht mijn gehandschoende hand naar de slaapzak. Ik wilde hem aanraken. Opnieuw schoot mijn hoofd vol adrenaline toen ik daadwerkelijk mijn hand op de mensvormige bult legde, en daarna iets van druk uitoefende.
Ik voelde de motsneeuw neerdalen en smelten in mijn nek.
Ik moest denken aan Frederik, die had gezegd dat ik geen Florence Nightingale of Josephine Baker hoefde te spelen in een lieve stad, die voor noodopvang zorgde voor zijn daklozen. Hij had voorgelezen van zijn telefoon, dat 'dakloze mensen voor screening terecht konden aan de screeningsbalie van de GGD aan de Jan van Galenstraat 323, ingang B.'
'Bedankt voor de tip,' zei ik. 'Stel dat jouw zoon daar lag te bevriezen, zou je er dan ook op vertrouwen dat hij zich zou laten screenen aan de screeningsbalie, wat dat ook moge wezen?'
'Ik heb geen zoon,' zei Frederik, en wreef met een pink door zijn uitdunnende haar.
Ineens begon er wat te bewegen onder mijn hand. Ik schrok me wild. Alsof de dode omhoogkwam uit het vers gegraven graf. Ik trok onmiddellijk mijn hand weg en deinsde achteruit.
Een ritssluiting ging razendsnel open. Er kwam een verkreukeld gezicht tevoorschijn, een roestbruine baard eigenlijk vooral, ergens boven die baard ontwaarde ik ogen die me bekend voorkwamen. Bekender dan op grond van de onaangename interactie van gisteren verwacht kon worden.
'Lukas?' zei ik, ongelovig. 'Van het diplomatenklasje? Nee toch?' Ik schoot bijna in de lach om het toeval.
'Godverdomme. Ik heb hier helemaal geen zin in.' Hij klonk bits, maar niet agressief, gelukkig.
'Lukas Einthoven!' ging ik door, als ik eenmaal begin ben ik niet meer te stoppen, dat is mijn kracht maar ook mijn zwakte. 'Wij zaten bij elkaar in het diplomatenklasje, weet je dat niet meer, ben je dat vergeten? Zo lang is het niet geleden!'
Ik trok de muts van mijn hoofd, schudde mijn glanzend zwarte haar uit. 'Elvira Goudzand. Herken je me niet meer?' Half als grap stak ik mijn elleboog naar hem uit.
Hij kwam half overeind, pakte zijn telefoon om te zien of hij iets had gemist, gooide het ding toen terug in zijn slaapzak, waar ik ook zijn koptelefoon zag liggen, en zei: 'Waarom laat je me niet met rust?'
'Ik was het die gisteren jouw koptelefoon meenam. Eerst wilde ik je helpen, maar toen heb ik toch iets stoms gedaan, en dat spijt me.'
'Nu doe je weer iets stoms door terug te komen.' Hoe nors hij ook sprak, zijn basstem klonk me aangenaam in de oren, het was een van de weinige dingen die niet aan hem waren veranderd.
'Jij doet iets stoms, Lukas. Als je niet oppast vries je dood. Is de wijkagent niet langs geweest?' Ik pakte mijn thermos en schonk een kop thee voor hem in. Hij nam hem niet aan, dus ik zette hem voor zijn slaapzak neer, in de maagdelijke sneeuw, samen met twee paarse eitjes. Er viel een awkward stilte. 'Ik heb ook nog een kruik meegebracht.' Ik haalde de kruik tevoorschijn, in de gebreide etui. Die had ik niet zelf gebreid, want ik kan niet breien, maar dat maakte hem niet minder ontroerend. 'Hier, mag je hebben.' Ik hield de kruik voor zijn neus, een rood dopje dat door zijn baard heen stak. Hij pakte de kruik van me aan en smeet hem in een moeite door over het hek naar het braakliggende terrein.