94. Max krijgt een spuitje

Jay Schmetz



De eerste of de derde persoon, dat is de vraag. Ja, of de tweede persoon, maar dat is een uitzondering, een abberatie. Is de derde persoon, of de tweede desnoods, een afspiegeling van de eerste, is het een smoes, een excuus voor de eerste? Is het gebruik van de derde persoon een voortzetting van de eerste persoon met andere middelen? Schrijft een auteur hoe dan ook altijd weer over zichzelf?
Max was een teckel van zestien, of bijna zestien, en hij kreeg een spuitje. Het was mooi geweest, zijn leventje zat erop. Het was een goed leven, geen honger, genoeg aandacht en warmte, regelmatig uitlaten ook, maar hij kon nauwelijks meer op zijn poten staan en was zwaar incontinent. Bovendien was hij dement. Alles bij elkaar opgeteld genoeg reden voor zijn baasje om diens levenseinde kunstmatig te bespoedigen.
Moet je je voorstellen: zestien jaar deel uitmaken van een familie, want dat is toch wat je doet als hond, en dan ineens wordt er, eenzijdig toch wel, besloten dat je beter dood kunt zijn dan levend. Ondraaglijk lijden bij een hond is lastig vast te stellen, om nog maar te zwijgen van voltooid leven. Het perspectief van het baasje is doorslaggevend, en hoe kan het ook anders, hij betaalt de dierenarts. Wie betaalt, bepaalt. Nergens is dat zo duidelijk als bij huisdierbezitters.
Mijn een na laatste ervaring met Max – ah, daar is meneer de auteur weer, de eerste persoon kan het weer niet laten zichzelf op te voeren – was op het strand van Scheveningen. Max zijn baasje en ik voerden een druk gesprek terwijl we driftig voortwandelden. We liepen tegen de wind in, op weg naar de pier, en werden geheel in beslag genomen door uiterst belangwekkende onderwerpen die ik me nu absoluut niet meer kan herinneren.
Wat ik me nog wel goed kan herinneren was dat we Max kwijt waren. Wat wilde het geval, het geval wilde van alles, maar vooral dat Max ver achterop was geraakt, en dat niet alleen, hij volgde het verkeerde baasje. Dat kwam, hij leed aan ouderdomsstaar en was zo goed als blind. Zijn baasje floot, riep: Max! Ik floot en riep: Max! Maar dit alles had nul en generlei effect. Max was namelijk zo goed als doof. We moesten hem gaan halen. Hij was niet geheel verbaasd dat hij achter de verkeerde was aangelopen, dacht: kan gebeuren, ik heb ergere dingen meegemaakt. Wat me ontroerde was hoe het baasje Max optilde, gewoon zo bij zijn buik, van de grond, als een opgerold tapijt, en hem onder zijn arm mee vervoerde op de elektrische scooter mee naar huis.
De laatste ervaring met Max was minder memorabel omdat hij werd vertroebeld door de ervaring met een andere teckel, een jonge teckel, die de geliefde van het baasje van Max zichzelf had toebedeeld (op aanraden van het baasje van Max natuurlijk, zul je net zien, geen dier zo inwisselbaar als een geliefd huisdier, nog voordat je onder de zoden ligt word je geconfronteerd met je vervanger). Een heerlijke, speelse, actieve, knuffelige teckel, deze jonge teckel van de geliefde van Max' baasje. Niet het knorrige, stekelige, warrige oudje; het contrast met Max kon niet groter zijn.
Max sleepte zijn buik over de vloer, liep tegen de tafelpoot op en ja, kon niet meer.
De jonge teckel sprong, likte, gilde van levenslust, het was bijna pijnlijk om te zien hoe overbodig de oude was geworden.
Als alle schrijven een manier is om de vervlogen tijd tegen te houden, vast te pakken, terug te draaien, moeten deze woorden worden opgevat als een eerbetoon aan Max.