Dear Herna,



Wat sneu voor je dat je die bonus van drie miljoen in de deal met Bpost bent misgelopen. Ik voel met je mee. Ik weet uit betrouwbare bron dat je hard werkt, – je bent niet alleen met PostNL getrouwd, PostNL is ook je minnaar, je beste vriendin en je kind –, en dat je dat huis aan de Rivièra, dat je met die bonus zou kunnen kopen, dus best had verdiend, objectief gesproken dan. Met grote geluidsboxen erin, zodat je lekker kunt housen. En een gym, in de tuin, zo'n glazen, zodat iedereen ook kan  z i e n dat je gymt. Geloof me, dan is gymmen geen straf meer.
Om jou toch nog een fijne kerst te geven lieverd, ben ik even met de pet rondgegaan bij mijn gezin. Dat heeft €3 opgeleverd. Beschouw het als een troostbonus. Ik heb het net overgemaakt naar het rekeningnummer van PostNL Holding, zorg jij even dat het niet op de grote hoop, maar op jouw eigen rekening terecht komt? Ja, toe, graai maar even! Het mag.
Zalig uiteinde, je ex-postbode
PS: Als een miljoen mensen dit voorbeeld zouden volgen, heeft mijn zevenjarige becijferd, komt het toch nog goed met dat huis aan de Rivièra, dus wie weet. Altijd blijven hopen.
PPS: Als je denkt: hebben we die Frölke toch nog een gouden parachute meegegeven, dan moet ik daarop antwoorden nee, dat was een bonus van het Letterenfonds.
PPPS: Drie miljoen euro is nogal abstract, ik weet het, maar het wordt concreter als je het gelijkstelt aan driehonderdduizend uur postbezorgen, en dat staat grofweg weer gelijk aan alle pakweg tweehonderd postbezorgers, bijvoorbeeld alle postbezorgers van de stad Groningen, een jaar lang post laten bezorgen, full time, zonder vakantie.


Detentie/vakantie



Omdat in Nederland is bepaald dat de formele gezinshereniging van statushouders, die vier tot zes dagen duurt, plaatsvindt in AZC Veenhuizen, zat ik vanochtend vroeg met het te herenigen gezin van een bevriende Syriër in de auto naar Veenhuizen, een tocht van om en nabij twee uur. Eerst leek mij deze procedure onnodig, en misschien zelfs onnodig wreed – ze waren immers pas net weer bij elkaar, na ruim een jaar scheiding – maar in AZC Veenhuizen, een voormalige gevangenis die er overigens midden in de bossen, in de dikke ochtendmist, even – heel even maar! – uitzag als een concentratiekamp, deed de kale, vierkante poortwachter het voorkomen, op alleszins redelijke toon, dat de procedure volstrekt logisch was, en noodzakelijk bovendien.
'Tell your children to look at it as a vacation,' zei ik toen maar tegen onze Syriër.
'But it's a prison!' wierp hij tegen, hevig aan zijn sigaret trekkend op de parkeerplaats. 'A jail!'
'Dutch prisons are considered the most relaxed in the world,' probeerde ik nog.
Hij was niet overtuigd.

Daklozenkrant

Een vrouw van de daklozenkrant van Zuid Nederland benaderde me in de pauze van de Fuck Up Night in Strijp S om een interview-afspraak met me te maken. De vrouw, van middelbare leeftijd, nam daar nogal wat tijd voor, en de fotograaf die haar vergezelde, ook van middelbare leeftijd maar misschien is deze vermelding leeftijdsdiscriminatoir, nam nogal wat ruimte om foto's te maken voor bij een interview dat misschien nooit zou plaatsvinden.
'Wilt u even aan de kant gaan,' vroeg ik na een poosje aan het duo van de daklozenkrant, 'dan kan ik boeken signeren.' Schoorvoetend maakten ze plaats, maar toen ze de kans kregen vlogen ze weer op me af, als hongerigen op een schaal eten.
Het verbaasde me hen aan te treffen in dit deel van Eindhoven, bij deze gelegenheid, en nog meer hun draufgängerigheid. Temeer daar ik de vrouw hoorde zeggen dat er in deze contreien eigenlijk helemaal geen daklozen meer zijn.

Snel verdiend

Toen de ongeschoren man op de omafiets met een tas om zijn stuur vaart minderde en zich tot mij richtte, wist ik: ik ben de klos. Nog voordat hij sprak, wist ik dat ik hem geld zou geven. Niet een of twee euro uit mijn beursje, maar het verfrommelde vijfje dat los in mijn jaszak zat, en waarmee ik tijdens mijn avondlijke wandeling met mijn vingers had gespeeld. Het was dus louter formeel, dat ik zijn verhaal aanhoorde. Het zat goed in elkaar. Er was geen speld tussen te krijgen, vooral omdat hij geen stiltes liet vallen. Dat hij uit Irak kwam, dat zijn asiel was afgewezen – want ja, Irak is natuurlijk een heel veilig land om in te leven, dat weet iedereen – en dat hij leraar was, en dat hij naar Ter Apel moest, en dat hij, en dat hij en dat hij. Alles in feilloos Engels. Ik hoorde hem aanvankelijk aan vanaf de stoep, maar besloot dat dat van weinig hoffelijkheid getuigde, en zette daarom een stap dichterbij. Het was bijna middernacht, ik was bijna halverwege mijn avondwandeling, en ik wilde mijn vijfje overhandigen. Ik verlangde naar mijn bed. Hij verlangde naar mijn geld, maar hij had nog niet gebedeld. Zijn strategie bestond eruit het bedelmoment zo lang mogelijk uit te stellen. Een goede strategie. Midden in zijn verhaal nam ik het vijfje uit mijn zak en wilde het aan hem geven, maar hij had het niet zien aankomen, dus het viel in de goot. Hij boog voorover om het op te rapen, maar ik was hem voor, en legde het verfrommelde vijfje opnieuw in zijn hand. 'Good luck,' zei ik. Hij knikte. We vervolgden allebei onze weg. Ik dacht: snel verdiend. Misschien dacht hij dat ook.

Playboy



Primeur: ex-postbode in de Playboy. Met een kerstverhaal. Getiteld: Heroïne, een kerstverhaal. Een verhaal dat sommige weesboeklezers bekend zal voorkomen, maar dat geeft niet, want kerst is een terugkerend fenomeen, en dit verhaal is zeker de moeite van het her- en voorlezen bij haardvuur of centrale verwarming waard. Thans is het bovendien origineel geïllustreerd. En vergeet het Umfelt niet, waarin de lezer het kerstverhaal zal aantreffen. Sephora heet ze en ze is 19 en geboren en getogen in Amsterdam en haar moeder is Italiaans en haar vader is Afghaans (maar met hem heeft ze geen contact meer). Met een beetje fantasie – een iets wijdere geul tussen haar iets minder cosmetisch opgepompte borstjes, en een iets minder gefotoshopt poesje, plus een paar prikjes in haar arm – zou je in haar Keet kunnen zien, de hoofdpersoon uit mijn verhaal.

(Geen) surprise

En daar gaan we weer,
Voor de zoveelste keer:
Een nieuwe dag.
Ach.

Voorspoed of tegenslag –
Dat blijft toch (in zekere zin)
De vraag,
Is het niet?

'Neen, je gemoed,'
raspte de bijna dode,
'Is het enige,
Dat er toe doet.'

Winterslaap

Er valt veel, heel veel, te zeggen voor een winterslaap. Een copieuze maaltijd, flink innemen, misschien nog wat dansen in de zitkamer, vrijen, dat ook, en dan deuren op slot, onder de eendendons tegen elkaar aanrollen, stekker eruit, en dan rond april weer wakker worden.
Wat gaan we missen? Van alles, ongetwijfeld. Maar ook, naar alle waarschijnlijkheid, niet zo gek veel.
Een winterslaap is 'dus gewoon een heel goed idee', vinden wij, maar onze lichamen zijn er niet klaar voor, en – een groter bezwaar –, we zijn niet alleen.
Er moeten monden worden gevoed, tanden gepoetst, konten geveegd, badjes gevuld, scholen befietst (veel), tafels geoefend, instrumenten bespeeld (liefst elke dag), voetbalwedstrijden gespeeld, schommels geduwd (lang en hard), sinterklaasjournaals klaargezet, -liedjes gezongen (steeds vaker als afleidingsmanoeuvre), schoenen gevuld (Albert Heijn!), wantjes bij elkaar gezocht, mutsen over hoofdjes getrokken, lippen ingesmeerd, fietsen van het slot gehaald, riemen rond kinderzitjes vastgesnoerd, Legobijbels voorgelezen, pleisters geplakt (voor de sier), partijtjes bezocht, iPads afgepakt, nagels geknipt, speldjes ingedaan (en weer uit), luiers gekocht (helaas nog steeds), haren gewassen, plannen gemaakt (altijd), afspraken afgezegd (dikwijls), pokemonkaarten bij elkaar gezocht, huilbuien uitgezeten en in het algemeen minuten, uren, dagen en nachten aandacht geschonken aan nakomelingen, die – ik heb het ze niet gevraagd maar ik denk dat ik het antwoord wel weet  –  n i e t s  zien in een winterslaap.

Standwerker



'Dus je was een hoer voor je eigen verhaal,' vatte een vriend mijn activiteiten samen, afgelopen zaterdag, als standwerker voor de Bruna op het Olympiaplein.
Ik kon het er moeilijk mee oneens zijn.
Iemand met dertig jaar ervaring in het boekenvak commentarieerde: 'Staat je goed. Moet je vaker doen.'
Dat laatste sluit ik niet uit. Ik sluit niets meer uit, tegenwoordig.
Tijdens het standwerken voelde ik me nu eens een straatdominee, dan weer een campagne voerende politicus, maar toch nog het meest zo'n marktkoopman die een revolutionair nieuw aardappelschilmesje demonstreert.
Hoe dan ook: 28 exemplaren verkocht van Dagboek van een postbode. Qua beloning heb ik pariteit bereikt met mijn postbodeschap.

Cadeautip

Joehoe, ik ben een cadeautip van de Libris. Ik ben nog nooit een cadeautip geweest, laat staan van de Libris. Ik weet niet wat het betekent om een cadeautip van de Libris te zijn, maar als ik de keuze heb tussen een cadeautip zijn en geen cadeautip zijn, en tussen een cadeautip van de Libris en een cadeautip van, noem eens iets, de Praxis, of de Menzis, dan weet ik het wel.
Ik ben niet de enige cadeautip van de Libris. Barry Hay en Jan des Bouvrie – bien etonnée de se trouver ensemble, moet je in zo'n geval toevoegen geloof ik – zijn ook cadeautips van de Libris.
Mijn dag kan eigenlijk niet meer stuk, nu ik een cadeautip ben van de Libris.
Je zou ook kunnen zeggen: nu ik een cadeautip van de Libris ben, kan ik sterven, maar ik kan nog niet sterven, want morgen moet ik naar de Bruna.

Frölken (ww.)

Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat in sommige gelederen van PostNL, met name in Utrecht en omstreken, frölken tot een staande uitdrukking is uitgegroeid. Als in: 'Waar is De Wit?'
'Die is effe frölken.'
Of: 'Zeg Zijlstra, kom je vanmiddag ook naar het werkoverleg?'
'Dacht 't niet. Ik moet frölken.'
Of:  'Walt, hoe was het gisteren op het Hoofdkantoor?'
'O, we hebben prima gefrölkt.'
'Niemand ontslagen?'
'Niet dat ik weet.'
'Wat een weelde!'
Frölken, zoals het binnen PostNL wordt gebezigd, ligt ergens tussen fröbelen en frunniken in, en gedraagt zich als een overgankelijk werkwoord niet ongelijk fietsen. Vervoegen hoeft dus niet ingewikkeld te zijn, voor wie weet waar de umlaut-toets zit. Ik frölk, jij frölkt, wij frölken. Ik frölkte, jij frölkte, wij frölkten. Ik heb gefrölkt. Frölk!
Je hebt schrijvers die uitgroeien tot standbeeld (Multatuli), straat (Bredero e.v.a.), brug (Nescio) of in wiens naam een prijs wordt vernoemd (Biesheuvel). Dan heb je natuurlijk, hors concours, nog Reve, die het revisme uitvond, maar die tuchtige/ontuchtige levenswijze drong nooit helemaal door tot de huisvrouwen voor wie deze volksschrijver voorgaf te schrijven.
Nee, in de strijd om de eeuwigheid kan men maar beter een werkwoord zijn.



Afbreukrisico

De vraag kwam van helemaal boven in het goedgevulde auditorium van het NatLab, – waar ik meedeed aan een literaire talkshow –, en de persoon die hem stelde was in duisternis gehuld. De vraag was gericht aan mij.
'Viktor,' zo baste de vragensteller door de zaal, 'waarom zouden mensen jou ooit nog iets vertellen als jij alles opschrijft wat je te horen krijgt?'
Goede vraag. Ik herkende nu ook de stem. Dit was de stem van Broer de Miljonair.
Eindelijk, zou ik bijna zeggen. Ik had zijn stem, en zijn vraag, veel eerder verwacht. Maar ik had geen goed antwoord klaar. Ik bazelde door de microfoon iets terug van dat ik onlangs een oude, Surinaamse man was tegengekomen, die, toen hij hoorde dat ik schrijver was, uitriep: 'Een schrijver! O, die moet je héél goed verzorgen, hè.' Maar dat was geen antwoord op de vraag, eerder een anekdote, en na afloop van Boekie Nights, zoals deze literaire talkshow was gedoopt, ontstond er alsnog tussen mijn broer en ik een levendige discussie in het café over de verhouding tussen schrijverschap en discretie.
BdM zei dat ik een boek had geschreven met een hoog afbreukrisico. Immers, voor hem stond/staat wel degelijk wat op het spel, kapitaal, zogezegd. Kapitaal, dat hij kon verliezen. Dat was niet gebeurd, maar het had kunnen gebeuren. Hij verweet me indirect dat ik daar te weinig rekening mee had gehouden.
Ik verweerde me dat ik hem in mijn boek toch niet bij name had genoemd, en zijn bedrijf een andere naam had gegeven, en dat ik alleen 'vertrouwelijkheden' had opgeschreven die functioneel waren. 'Dus als ik geweten had dat jij in een scheiding lag, had ik dat niet opgeschreven, want dat is niet functioneel.'
Leuk geprobeerd, deze theorie, maar BdM trapte er niet in.
Toen gooide ik het over een andere, wellicht ietwat wanhopige, boeg: 'Als mijn boek geen enkel afbreukrisico had ingehouden, was niemand erin geïnteresseerd geweest.'
Een theorie die onmogelijk kon worden getoetst.
Hoe dan ook, de conclusie stond voor BdM vast.
Mij vertelt hij niks meer.

Drie ontmoetingen

Drie ontmoetingen, tijdens mijn laatste, –  vermoedelijk allerlaatste, snif –, bezorgronde door de Apollo-buurt zaterdagmiddag, smeken erom te worden weggerukt voor het ravijn der vergetelheid. Eerst was daar de collega in het boek genaamd Duco, die doodgemoedereerd zijn tasjes stond in te pakken op depot, waar ik mijn zelf in elkaar geflanste flyer kwam opprikken. 'Ah, mijnheer de synagoge,' begroette hij mij. 'Jaha,' knikte ik, 'ik heb mijn pet verruild voor een hoedje.' Naar mijn optreden kwam hij desgevraagd niet, want 'het is heel druk'. Ik had van Duco meer en pittigere weerstand verwacht over wat ik over hem schrijf in mijn boek, maar nu bedenk ik me dat hij het waarschijnlijk helemaal niet gelezen heeft, en niet zal lezen. Ook een afweermechanisme.
Ontmoeting nummer twee, met het zilvergrijze heerschap dat in Buchenwald had gezeten, was boeiender. Ik zag hem met een korte blindenstok de muur aftasten waarlangs hij liep. 'Mijn ene oog doet het niet meer,' verklaarde hij. 'Komt niet meer goed; ik ben vijfentachtig.' Toen ik informeerde naar zijn vrouw, dit had ik wel eens eerder gedaan, vertelde hij dat hij al vijfenveertig jaar samenleefde met een man. 'Die is tweeëntachtig.' Een mooie ontboezeming, zo op de valreep, vond ik.
Op de terugweg, in de kouwe, natte schemering, twijfelde ik of ik bij Xaviera langs moest gaan. Was dat niet vragen om gedonder? Aan de andere kant, als iemand mijn laatste flyer verdiende, dan zij. En ze zat er weer uitnodigend bij, in het licht van haar serre.
Bij mijn verschijning huppelde ze meteen naar de deur en informeerde, zoals iedereen, naar de verkoopcijfers (die ik niet bij de hand had). Toen ik haar ten afscheid wilde kussen, greep ze mijn kin en stuurde routineus mijn mond naar de hare.

1 op de 100




En ik ben weer in mijn oude wijk. Niet in opdracht van PostNL, godbetert, maar van mezelf. Of beter gezegd: van de boekhandel waar ik zal optreden. Of, nee, eigenlijk van Marieke Smithuis, die dat optreden heeft geregeld. Want zij was het, die zei: 'Je moet nog wel even vragen aan je uitgever of ze wat flyers laten drukken, dan kun je die verspreiden in jouw oude bezorggebied... Maar dat hoef ik jou natuurlijk allemaal niet uit te leggen.'
Dus daar ging ik, met in mijn schoudertas 100 eigenhandig in elkaar geflanste flyers, waarvan lieftallige had gezegd, toen ze er een blik op had geworpen: 'En  d a t  ga jij rondbrengen? De omslag van je boek staat er niet eens op!' Bij nadere inspectie stond het adres van de Amsterdamse Boekhandel er evenmin op, geen overbodige luxe bij een jonge boekhandel aan de rand van Buitenveldert. Toen ze zag hoe ik met viltstift het adres alsnog op de flyers kalkte, in mijn huisartsenzoonhandschrift, rolde ze opnieuw met haar ogen.
Maar wie schetst mijn verbazing: mijn sjofele, last minute PR-campagne in Oud-Zuid leverde welgeteld één bezoeker op, gisteren, en niet zomaar een bezoeker: de weduwe van het hoogbejaarde heertje met het appeltje. Ik wilde haar de passages voorlezen waarin zij en haar man voorkomen, maar ik kon ze niet zo gauw vinden, dus het moest uit het hoofd. Ze heeft nog een boek bij me gekocht, de schat.

Afwijzing voor beginners

Mijn ontslag op staande voet dateert van een maand geleden, dus ik vond het wel weer tijd voor een sollicitatie. Ik was ook benieuwd of de procedure is veranderd in die drie jaar tijd. Dat is hij. Waar ik op de eerste pagina van Slavernij voor beginners nog beschrijf hoe een vrouw met Limburgse tongval over de telefoon informeert of ik het alfabet machtig ben, geschiedt deze informatie-uitwisseling thans in een eenvoudig online formuliertje. De vrouw met die Limburgse tongval is naar huis gestuurd.
'Beste sollicitant,' heette het in de sms die ik om 9.58 ontving, 'bedankt voor je interesse in de vacature van PostNL. Wil je i.v.m. je sollicitatie contact met ons opnemen via 058-2333331? Alvast bedankt!'
Intern verkneukelde ik me reeds over het vooruitzicht van een nieuwe betrekking bij mijn voormalige, vermaledijde werkgever. Straks kwam ik terug op mijn oude depot! Temidden van mijn oude collega's! Ze zouden me zien komen. 'Jij ook weer hier?' Of nee, nog beter: mijn come back zou rimpelloos geschieden. Alles zou gewoon bij het oude zijn, alsof er geen mediastorm rondom mijn boek had plaatsgevonden, alsof alles een nare droom was geweest. Ik zag mezelf alweer als een vrolijke maso door de Apollobuurt sjokken, op de thee gaan bij Xaviera.
Zoals gewoonlijk juichte ik te vroeg, want diezelfde ochtend om 11.07 kreeg ik een email met als onderwerp 'Je sollicitatie bij PostNL'. En ja hoor, de rapen waren gaar. 'Uit onze administratie blijkt dat je in het verleden in het nadeel van PostNL of van klanten hebt gehandeld. Dit heeft geleid tot je ontslag bij PostNL. Daarom kom je niet in aanmerking voor deze functie bij PostNL. We stoppen daarom met jouw sollicitatie.'
'Het kostte één uur en 9 minuten eer bij PostNL de munt viel,' mompelde ik tegen lieftallige slash ex-kostwinner, toen ik haar vertelde over mijn hernieuwde sollicitatie en semi-automatisch afwijzing. 'Toch nog best snel.'
Nog niet zo lang geleden kon je na om wat voor reden ook te zijn ontslagen bij PostNL op korte termijn weer vrolijk aan de slag.
Niet meer dus.
Jammer.

Mijn postbode

Het zat er aan te komen, nee: hij zat er aan te komen, maar het kwam – hij kwam – toch als een verrassing. Ik heb het over mijn postbode. Laat in de middag, het begon al te schemeren, ik kwam net met mijn driejarige van de flescontainer, stond hij ineens voor me, torende hij boven mij uit. Hij was in functie, en hij had zijn hulppostbode, een blondachtige vrouw in de leeftijd van lieftallige, aan zijn zijde. Ik beschouwde dat laatste als een verzachtende omstandigheid, net zoals de driejarige die ik aan de hand hield.
'Ik kom vier keer in jouw boek voor,' baste hij nors, en keek weg over de kade.
'O ja?' zei ik, mijzelf zo klein mogelijk makend. 'Ik heb het niet geteld.'
'Is mij verteld. Je schrijft ook dat ik een tatoeage heb.'
'Dat is toch ook zo?' Ik klonk als een kind dat bij de meester van een onvoldoende een voldoende probeert te maken.
Was ik bang? Angst is relatief. Ik ben zelden bang iets op te schrijven, maar, in tweede instantie, vrees ik wel voor het effect van de publicatie. Een paradox.
Hij knikte.
'Ik heb ook geschreven,' ging ik door, nu ik hem aan het knikken had, 'dat je mijn postbode bent. En dat is  o o k  zo, toch?'
Het was een zwak argument, eigenlijk helemaal geen argument, maar goed. Ik moest iets zeggen. Hij knikte opnieuw. 'Ik heb het niet gelezen,' verontschuldigde hij zich, soort van.
'Ik kan het je aanraden,' werd de kapitalist in mij wakker, terwijl ik aanstalten maakte met mijn kleuter verder te gaan. Ik keek ook nog even de hulppostbode aan. 'Je zult er plezier aan beleven.'
Of niet, dacht ik er achteraan, maar dan is het al te laat.

Dagboek van een postcode

Waarom is het zo erg om jezelf terug te horen op de radio? Zelfhaat gaat te ver, maar zelfhekel is het zeker. Hekel aan je stem, hekel aan je manier van formuleren, het hakkelen, de eh's, hekel aan je matige terzijdes. En dat, terwijl ik vooraf best zin had. En wel hierom: ik had een plan. Eigenlijk twee plannen. Plan A: een pacificerende shout-out naar Xaviera. Dat was het makkelijke plan. Om dat te doen slagen was het alleen maar nodig om haar naam op de rug van mijn hand te kalken om te voorkomen dat ik het zou vergeten. Ik vergat het niet. Het werd: 'Xaviera, ik mis je.' Het ongemakkelijke plan B was weglopen uit de studio bij de constatering dat de interviewer mijn boek niet had gelezen. Ik wist vrijwel zeker dat hij mijn boek niet zou hebben gelezen, aangezien zijn voorbereider een dag eerder die moeite ook niet bleek te hebben gedaan. 'Die interviewer doet er niet toe,' meende lieftallige, 'je moet je over die interviewer heen tot de luisteraar richten.' De interviewer, Hemmen heette hij, haalde de angel uit mijn ergernis door voorafgaand aan het interview ruiterlijk toe te geven dat hij geen letter had gelezen. Het doet denken aan een uitgever als Maij Spijkers die boeken uitgeeft die hij niet heeft gelezen. Al even ruiterlijk stond Hemmen mij vervolgens toe de eerste pagina on the air voor te lezen. (Ik hekelde mijzelf opnieuw om mijn versprekingen.) Ook dit – vijfde! – radio-interview ontrolde zich op voorspelbare wijze. De eigenaardigheid bestond eruit dat Hemmen afsloot met 'Dat was Viktor Frölke, schrijver van Dagboek van een postcode' en ik een kwartier na de uitzending uit mijn bed werd gebeld op mijn geheime telefoonnummer door een IT-deskundige, die aanbood de geheimheid van mijn telefoonnummer en andere privégegevens enigszins op te krikken. Ik ga binnenkort met hem koffiedrinken.
Voor wie nog zin heeft: Hemmen, minuut 104 - 115. 

Eigenaardigheden



Technisch gezien heb ik geen reden meer om te bloggen, – ik zou het zelfs beter kunnen laten –, maar gister toog ik naar Hilversum voor een interview met EenVandaag, en het zou zonde zijn als de eigenaardigheden daaromheen niet ergens werden geboekstaafd.
Ik moest bij het NOS-gebouw zijn. Wie met de trein reist, en dat leek me in mijn geval verstandig (ik heb eens, op weg naar de studio, met toenemende wanhoop rondjes gereden door Hilversumse woonwijken), wandelt door het Mediapark, langs het Tineke de Nooij-pad ("eerste vrouwelijke DJ van Nederland") en de Leen Jongewaardweg (Nederlands eerste TV-homo, vermoed ik).
Het grote, Oostblok-achtige NOS-gebouw lag er desolaat bij in het late herfstlicht. Voor de deur hing een stalen sculptuur van een dikke knoop. Zitten ze in de knoop bij de NOS? Zitten we allemaal in de knoop, met onszelf?
Ik meldde me bij de receptioniste in de lege lounge, en zeeg neer op een bankstel met een folder over 'Nieuwsbehoeften'. 'Wat zijn de dieperliggende motivaties van mensen om nieuws te consumeren?' Goeie vraag. Ikzelf consumeer al jaren geen nieuws meer, althans niet van de NOS. De tijd dat het NOS-Journaal het venster op de wereld was, lijkt een eeuw geleden.
Een vriendelijke jongeman met een Limburgs accent liet mij een toegangspasje afhalen, en loodste me mee naar boven, maar de beveiligingspoort die was aangelegd nadat een gewapende man de studio in was gestormd om zendtijd op te eisen, bliefde mijn pasje niet. Ik vond dat veelzeggend, zoniet mijn begeleider.
Met een bekertje automatencappuccino werd ik in een wachthoek geparkeerd. Ik sloeg mijn meegebrachte Verzameld Werk van Karel van het Reve open, en las verder over Gogol. In de verte nam ik gedempte stemmen waar, alsof de sprekers een hand voor hun mond hielden. Ik voelde het zweet in mijn oksels ophopen. Bij mij werkt drank goed tegen plankenkoorts, maar ik wilde vandaag eigenlijk nuchter blijven, en scherp liefst. Was er wel een exemplaar van mijn boek in de studio aanwezig? Ik had er zelf een mede moeten nemen. Een vertegenwoordiger van stofzuigers gaat toch niet zonder stofzuiger op pad?
En inderdaad, toen ik plaatsnam in de studio zag ik dat er maar één boek op tafel lag bij de presentator van dienst, en dat boek was niet van mij. ZELFMOORD stond op het omslag. Ook dat vond ik veelzeggend, maar zo kun je overal wel betekenis aan geven. Ik nam mij ondertussen voor niet te vergeten mijn boek ter sprake te brengen.
Zoals alle interviews verliep ook dit interview voorspelbaar, en toch ook niet voorspelbaar, wat het voor de beide deelnemers aan dit journalistieke ritueel 'spannend' houdt. Terwijl ik aan het woord was, zag ik de presentator knikken naar de regiekamer achter mij, waar, zo stelde ik me voor, de regisseur CUT-gebaren maakte, met de duim langs de hals, enzovoorts.
Na mijn segment zou het programma verder gaan 'over de liefde'. Het nieuws daarover heb ik niet geconsumeerd, want ik zeilde in een vloeiende beweging het NOS-gebouw weer uit, terug naar het treinstation.
Svigermor appte. Als zij mijn enige luisteraar was, is het niet voor niets geweest.
In de voetgangersbrug boven het spoor werd ik aangesproken door een figuur naast een met huisraad bepakt winkelwagentje, die me deed denken aan Wim de Bie's Dirk. 'Heb je nog wat over voor twee boeddhisten?' Ik overhandigde hem wat kleingeld. 'Waar is de andere boeddhist?' vroeg ik. 'Die is boodschappen aan het doen.'
Gogol had het kunnen bedenken.

Après nous le cinema

Met dank aan Jaap van Eyck (regie), Pelle Asselbergs (montage),
Anne (camera),
Lola (Lola),
Lucy (blaf)
en haar handler Lauren.
No mail was demolished during the making of this movie.

Dankzegging



Mijn dank gaat allereerst uit naar alle mensen die in mijn dagboek voorkomen dan wel in het postbode-deel van mijn leven: collega’s, jullie weten wie jullie zijn. In het bijzonder wil ik 'Jeff', 'Klaas', 'Thea', 'Govert', 'Hotpants', 'Duco', 'Edith', 'Connie', 'Yusuf', 'de Siciliaan', Romke, Koen, Maarten en Sacco bedanken. Buurtbewoners in de Apollobuurt: ik ga jullie missen, met name mijn zenuwarts, Anne Sluizer, Octave en 'Kate'.

Nu moet ik Rob van Essen noemen. Ik ben gezegend om iemand op zeshonderd passen van mijn huis te hebben wonen die een goede schrijver is, de tijd neemt mijn werk van opbouwende kritiek te voorzien en die in zijn totaliteit een bijzonder aangenaam mens is. Rob, ik zou graag ook eens voor jouw boek een blurb schrijven, maar misschien wil je dat helemaal niet.

Iemand anders die mij van opbouwende kritiek en wijze raad voorziet – niet zo vreemd want dat is haar werk – is Lolies van Grunsven. Toen ik dit dagboek afhad, zo’n 9 maanden geleden, dacht ik: waarom hiervoor een literair agent inschakelen? Wat valt er te verbeteren aan een dagboek? Er valt toch ook niets te verbeteren aan de werkelijkheid zoals die zich heeft voorgedaan? I couldn’t have been more wrong, want Lolies heeft niet alleen grote lappen overbodigheden en saaiheden geschrapt, maar ze zei ook: ‘Viktor, dit boek gaat eigenlijk over schaamte. Diep dat uit.’ Dat heb ik gedaan, en niet alleen volgens mij is het er beter van geworden.

Het zou hypocriet zijn om het Letterenfonds niet te bedanken, dus bij deze. De mensen bij het Letterenfonds zorgen beter voor mij... dan goed voor me is, wil ik schrijven, maar ik bedoel: dan ik ooit voor mogelijk had gehouden, zeker niet nadat ik in 2009 een vlerkerig briefje terugstuurde na mijn eerste subsidie-afwijzing.

Het is usance om je uitgever te bedanken bij zo’n gelegenheid, want zonder uitgever geen boek. Maar in dit geval is het meer dan een plichtpleging, want Arend Hosman, mijn uitgever bij Thomas Rap, heeft dit boek niet alleen uitgegeven, hij heeft me ervan overtuigd dat dit boek  e e r s t  moest worden uitgegeven, nog vóór mijn roman Het dispuut, die al af was. Zijn argument: dit boek gaat jou vermoedelijk wat aandacht opleveren, waar je andere boeken hopelijk ook plezier van hebben. Is het te vroeg om te zeggen dat Arend Hosman gelijk heeft gekregen? Nee, dat is het niet. Ik ben 14 keer geïnterviewd over dit boek, iets waartoe Soesja Schijven, die achter de knoppen zit in de War Room bij De Bezige Bij, ook voor een groot deel toe heeft bijgedragen. Nooit gedacht dat ik een diepte interview aan de Echo zou geven, maar dankzij Soesja vond ik het de normaalste zaak van de wereld. (Die krant blijkt trouwens beter te worden gelezen dan de NEE-stickers doen vermoeden).

Andere munitie kwam evenmin uit de lucht vallen. Ik dank Elselien van der Kooi voor de postzakken en de stempel, the one and only Annelies Frölke voor de briefkaarten, en Saar Schwachöfer, mijn redacteur, voor haar nimmer aflatende geestdrift voor mijn werk naar alle kanten toe.

Floris van der Kleij mag niet ontbreken in dit dankwoord al was het maar omdat ik hem in mijn vorige dankwoord, drie jaar geleden bij Zalig uiteinde, verzuimd heb te noemen. Floris ontwierp de de schrijftempel in mijn tuin – het mooiste werkvertrek, durf ik staande te houden, van Amsterdam en omstreken. Work smarter. Work Hubbel.

Moker zij geprezen voor hun prachtige omslag. Dit is een boek dat zelfs ik cadeau zou willen doen.

Als ik gelovig was geweest had ik op deze laatste plek God bedankt, Vishnu of The Theory of Everything, maar ik ben niet gelovig dus het wordt de CEO van PostNL. Here’s to you, Herna.

Boekpresentatierecensie



'Ontspannen en toch inhoudelijk,' sms ik mijn zus, die, nogal out of character, niet aanwezig was bij mijn boekpresentatie, vrijdagavond in Arti & Amicitiae. 'Een zevenjarige heeft xxx boeken verkocht. Er is gedanst en ik lag laat in bed.'
Dat is het goeie van smssen, en denkelijk van flutteren, maar daar heb ik weinig ervaring mee, dat je wordt gedwongen tot inkorten, samenvatten, tot de kern komen. Aan langdradigheid heeft, behalve de langdradigheidsverslaafde, niemand iets.
In de sms aan mijn zuster ontbreken evenwel details die 'niet onvermeld mogen blijven'. Allereerst natuurlijk prof. dr. Zomerplaag (echte naam moet ik opzoeken, hij heeft me zijn kaartje in de hand gedrukt maar dat kaartje ben ik kwijt), die tegen het einde van het openbare interview afgenomen door Karin Overmars en Merijn de Boer, opstond en verklaarde: 'Ik vind het een slecht boek.' Zijn argumentatie: 'Er zit teveel ik in.'
Nu is een dagboekschrijver betichten van teveel ik zoiets als sneeuw verwijten dat zij wit is, maar ik probeerde zo goed en zo kwaad als dat ging deze hooggeleerde van repliek te dienen. Of ik daarin geslaagd ben weet ik niet, maar wat ik wel weet is dat hij na afloop nog wel bereid was zijn boek door De Man Met De Zelfgeraapte Ganzenveer En Eigenhandig Vervaardigde Inkt te laten signeren. (Misschien was hij een beroeps-heckler. De vraag is dan door wie hij is ingehuurd.)
Nu ik erover nadenk was me eerder op de avond, die begon met een maaltijd uit de mensa die me helemaal niet tegenviel, ook al iets opgevallen. Ik zag mijn oudertjes eten in de historische sociëteit onder rode reflectoren aan de muur die samen in het groot het woord SEX vormden. Ik vond die rode reflectoren op zichzelf geen kunst. Met mijn ouders eronder weer wel.
Dan dit: moedertje, die, terwijl New Amsterdam Voices de dansbare Timberlake-deun Señorita zongen, op haar telefoon zat te swipen. Ze was wel weer zo gul (zij is de gulste die ik ken), om na afloop deszelven optreden te financieren.
Ontroerd werd ik niet alleen door de hartverwarmende opkomst van vele oude en niet zo oude bekenden, alsmede hun geschenken (waaronder prachtig briefpapier, een uitbundige bos bloemen, een duimpie (lees Dagboek), en een paar kasjmier kousen die ik sindsdien niet meer heb uitgetrokken, een kaart met Werknemer van de Maand waarin mijn foto was geplakt, twee vuurpijlen en veel wijn), maar vooral ook door oud-collega bij de post en singer-songwriter Maarten de Mink, a.k.a. Reaganesk, die twee songs ten beste gaf die ik sindsdien niet meer uit mijn hoofd krijg: Lately life seems to be slowing me down, en 99 Years of love.
Er ging ook wat mis. De boektrailer die Jaap van Eyck en ik maakten met camerawerk van Anne Reinke en acteerwerk van de rising star (als in: bezig uit bed te komen) Lola en barking star Lucy, werd niet, zoals gepland vertoond in de rookruimte, alwaar een scherm beschikbaar was gesteld; overigens niet wegens protest van anti-rookactivisten. Misschien kwam het, omdat hij nog niet af was.
Iemand die schitterde door afwezigheid, in alle opzichten, was Xaviera Hollander. Haar opmerkelijk jonge uitgever – één van haar uitgevers, vermoed ik – was er wel. 'Ik begrijp ook niet precies waarom ze er niet is. Ze had een mooie rel kunnen schoppen.' Dat had ze zeker. 'Zeg maar dat ik van haar hou,' zei ik tegen de uitgever.
Het bleef nog lang onrustig in de stad, ook en vooral nadat een select gezelschap zich had verplaatst naar De Pels, want de man die zich op onze Franse boerenbruiloft in 2005 had misdragen, misdroeg zich deze nacht wederom. Ik was daar niet rouwig om. Een feest zonder misdraging is geen feest, maar een routineuze samenklontering van mensen.


Bericht van de cramping (7): De ingewikkelde egel

In de voortuin van het tenthuisje ontdekten we een egel, verstrikt in het net van een voetbal-goaltje. Hieronder verbatim het laatste interview met de egel.
Dus u kwam rustig aangeschuifeld en toen zat u ineens met uw snuit in een maas van het net?
Dat hebt u goed gezien. Ik kreeg hem er niet meer uit.
De voetbal-goal was een fuik, waarop u niet had gerekend.
U bent opmerkelijk snel van begrip.
Waarom stak u uw snuit in dat net, was er aan de andere kant iets eetbaars, een paddenstoel of zo?
Niet dat ik weet, ik zat gewoon niet op te letten.
En toen?
Toen probeerde ik mijn snuit wild los te rukken.
Maar?
Dat maakte het alleen maar erger. Ik weet nu: als ik verstrikt dreig te raken, moet ik het hoofd koel houden en mijn kop rustig terugtrekken. Dan is er niets aan de hand. Paniek is een slechte reflex, die je bijna altijd moet onderdrukken. Maar dat is een levensles waar ik nu niets meer aan heb.
In het hiernamaals wellicht?
Voor egels geen hiernamaals. En al zou er een hiernamaals zijn, dan denkelijk geen voetbal-goaltjes in duin-campings.
Crampings zult u bedoelen.
O ja. Dat is een woordgrapje van u. Ik dacht dat woordgrappen niet mochten.
Alleen als ze goed zijn.
Bij herhaling wordt hij toch steeds minder goed? Geen enkele grap overleeft dat toch, herhaling?
Een zekere mate van herhaling maakt de grap beter, daarna wordt hij slechter. Een psycholoog zou dat eens moeten uitzoeken... of misschien heeft Freud dat al gedaan in Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten. Enfin, we hadden het over uw doodsstrijd.
Ik kon niet meer ademhalen. Ik had mezelf gewurgd. Ik had nog best zin om even door te leven, maar dat zit er dus niet meer in voor mij.
U had zichzelf totaal ingewikkeld, als een rollade.
Bent u in de verleiding geweest mij te braden en op te peuzelen?
Geenszins. Wij eten nauwelijks dieren. Bovendien steeg er een kadaverlucht uit u omhoog, die mij de eetlust ontnam.
Yech. Ik moet daar een dag of zo hebben liggen rotten... Maar wat hebt u dan gedaan? Mij losgepeuterd en doorgespoeld in de sanitaire ruimte, waar ook de poepemmers worden geloosd?
U viel niet los te peuteren, u zat muurvast. We hebben u los moeten knippen. In het voetbal-goaltje zit nu een gat.
Waar een voetbal doorheen past?
Dat niet. Het is makkelijk te repareren, hoewel we daarmee geen haast hebben.
En wat hebt u met mijn stoffelijke resten gedaan?
[Hier wordt het interview plotseling ruw verstoord door keiharde herrie uit de wasmachine.]


Nazorg

'Wat wil je, als je schrijver bent wordt iedereen boos op je,' probeerde mijn gesprekspartner sinds '83, beter bekend als Jasper Blom, mij gerust te stellen. 'Ik vraag me al een tijdje af wanneer ik aan de beurt ben om boos op jou te worden.'
Ik maakte me zorgen om de bijna gepensioneerde oud-depothouder GovertDie belde me vrijdagavond op, maar toen zat ik in de Tolhuistuin bij de voorstelling Books are weapons. (Wat zouden boeken anders moeten zijn? Onderzetters?) De tweede keer belde hij me maandag, de postloze werkdag van de week.
'Ik ben tot pagina 85 gekomen,' begon hij, met trillende stem, 'maar ik lees niet verder... en ik denk dat ik ook niet naar de boekpresentatie kom... Ik...'
Hij was ernstig teleurgesteld. Hij geloofde er geen snars van dat ik naïef postbezorger was geworden, volgens hem was het allemaal doorgestoken kaart. Het had geen zin om hem tegen te spreken. 'Schrijf me een brief waarin je alle bezwaren tegen het boek opsomt,' stelde ik voor. Hij zou het in overweging nemen, maar hij wilde hoe dan ook gezegd hebben dat hij niet gelukkig was met mijn boek. Boos, om precies te zijn.
Hij was niet de enige. Vorige week trof ik een serie boze emails van Xaviera Hollander aan in mijn mailbox.
Wat te doen?
Ik besloot bij haar langs te gaan met de troostcake en sauvignon blanc die zo goed had gewerkt op depot, maar ik werd weggestuurd. Te kort door de bocht, denkelijk. Er volgden meer boze emails, nu ook van haar man. 'Stuur haar bloemen,' adviseerde lieftallige, 'dat werkt bij een vrouw altijd.'
Zaterdag componeerde ik een elektronische brief (de post is ook niet meer wat zij geweest is), waarin ik schreef dat ik aan onze vriendschap gehecht was geraakt en beslist niet de bedoeling had gehad haar te kakken te zetten, en dat andere lezers, dat er ook niet uit hadden gehaald.
Toen bleef het stil. Ik dacht: ze overlegt met haar advocaten. Maar vanochtend opende ik een nieuwe email van haar, verstuurd om 1.19 AM, met een gedicht van Leo Vroman getiteld Samen rimpelen, waarin tenminste drie termen voorkwamen die ik moest googelen (van één term, quitaalgewricht, had ook google nog nooit gehoord, omdat Vroman hem verzon). Nadat ik rond koffietijd ook nog werd getracteerd op een link naar Juliette Gréco's Déshabillez moi, kon ik weer rustig ademhalen. Zie hier de zalvende werking der tijd. Waarheid doet eerst pijn, en bevrijdt daarna – of zoiets.
Hoop ik.

Afscheid

In mijn ontslagbrief stond dat mij per onmiddellijk iedere toegang tot PostNL-gebouwen werd ontzegd, maar dit bleek bij aankomst op depot mee te vallen. Ik kon gewoon naar binnen. Het was ongewoon druk. De collega die in het boek Klaas heet gaat van zijn welverdiende pensioen genieten en was zo aardig om mij toe te staan als een zwaan kleef aan mijn afscheid aan dat van hem te koppelen.
'Zal ik AT5 meenemen?' had ik de avond ervoor aan Jeff gevraagd. Het bleef even stil. Toen antwoordde hij: 'Ik blijf liever een fictief personage.' Ik kan daar inkomen, ik blijf ook liever een fictief personage, maar er is voor mij nu geen weg meer terug.
Ik deelde her en der stukken uit van zelfgebakken troostcake, schonk enkele glazen zelfgekochte sauvignon blanc in, en las hardop voor uit mijn ontslagbrief, waarin puntsgewijs de stoutigheden uit mijn boek worden opgesomd.
'Als je zo'n dagboek publiceert, ga je dat er toch niet allemaal in zetten?!' riep de oud-depothouder, in het boek Govert, verbijsterd uit. Ik knikte schuldbewust. Misschien lag het aan de sauvignon blanc, maar ik hoorde me ineens voor de vuist weg beweren dat ik inderdaad gemasturbeerd had op depot, hoewel daarvan nu weer g e e n  melding werd gemaakt in de ontslagbrief. Was dit nodig? Had ik het achterwege moeten laten? De tol der eerlijkheid.
'W a t  heb jij gedaan?' Govert weer. Toen wist ik zeker dat hij de afgelopen twee weken onder een steen had geleefd, of in elk geval niet de moeite had genomen mijn persoontje te googelen (ik ook niet trouwens, ik word via andere kanalen op de hoogte gehouden van de stemming in het land). De vrouwelijke collega kon er alleen maar om lachen. Daar was ik blij om. Waar ik dan weer om kon lachen was het geschenk dat mijn collega's voor me hadden bedacht. Een kraakverse Le Monde.

Ode aan de postbode

Elke dag met een pakje op pad
Omdat de brieven op zijn
Hij drukt in z'n appje op start
Zo houdt de Post hem klein

Ik schrijf een ode aan de postbode
Omdat die er nog niet is
In tegendeel tot eentje aan de doden
Of een ode aan vergiffenis

Daar gaat ie kijk maar oma
In z'n oranje apepakkie
Je hebt vlugge je hebt slome
Sommige slepen als 'n slakkie

Je hebt er ook die post jatten
Een beetje maar niet hele sloten
Je hebt er dan weer die gaan ratten
En die 't voor de rest verkloten

Maar de bode mevrouw is geen rode
Hij ziet slechts geel blauw of paars
Soms vergeet hij ineens de code
En lapt ie de principles aan z'n laars

Maar deze ode dreigt te ontsporen
Terug naar de rechtgeaarde
Hardwerkende nooit balorige
Soms gladgeschoren dan wel bebaarde

Kalme intelligente belezen
Mans- en soms ook wel vrouwspersoon
Die nooit en te nimmer loopt te kezen
En noest arbeidt voor bijna niets en heel alone

Noorwegen

Toen ik van mijn eerste radio-interview terugkwam reageerde lieftallige verbolgen: 'Je hebt niks over mijn land gezegd! En dat had je beloofd!' Ik had inderdaad beloofd iets aardigs te zeggen over haar land – eigenlijk het land van haar moeder: Noorwegen – omdat dat land er in Dagboek van een postbode nogal bekaaid vanaf was gekomen (althans volgens haar), maar de sluikreclame was erbij ingeschoten. Ik was er vooral op gebrand om het M-woord te voorkomen, misschien was daardoor het N-woord op de achtergrond geraakt.
Uiteraard beloofde ik, omdat ik het beste voor heb met Scandinavië, maar vooral met Noorwegen, dat ik weer zou proberen om reclame te maken voor Noorwegen in mijn tweede radio-interview. Dat interview was aan de korte kant, en vond plaats in een stampvolle kroeg in Utrecht, dus na afloop had ik lieftallige aan de telefoon, wandelend tussen de shoppende Utrechters, en moest bekennen dat ik opnieuw had verzaakt.
Er was nu nog één mogelijkheid over om Noorwegen onder de aandacht te brengen, en dat was het derde interview, met een provinciale nieuwszender. Opeens hoorde ik mezelf midden in het gesprek met de alleraardigste interviewster zeggen: 'Noorwegen is een prachtig land... ik ga er graag naar toe...' om vervolgens weer de draad op te pakken, welke draad dat ook geweest mag zijn. Missie volbracht.
 

Non-actief

Losjes draai ik mijn auto van de Johan Huizingalaan het terrein van de Voorbereidingslokatie Amsterdam West op, een reusachtige doodskist waar ik ooit eerder ben geweest, voor een werkoverleg zonder koffie. Ik parkeer achter het gebouw en loop naar binnen. Ik ben iets te laat, ik ben wel vaker te laat, als postbezorger, en als mens, maar ik ga nog meer te laat komen, want ik kan het kantoor niet vinden waar de regiomanager mij heeft ontboden.
In de enorme hal vraagt een chauffeur mij of ik op zoek ben naar gezelligheid.
'Niet in de eerste plaats,' antwoord ik. 'De kantoren, waar zijn die?'
Hij heeft geen idee. Ik bel mijn teamcoach. 'Jij zou toch naar het café komen?' reageert hij verbaasd.
'Het gesprek is verplaatst naar het hoofdkantoor... Maar dat betekent dat jij er dus niet bij bent.'
'Nee, ik weet van niks.' Hij weet wel waar de kantoren zijn in de hal: alsmaar rechtdoor, helemaal tot aan het einde, dan zie je het vanzelf.
Op een drafje loop ik de loods door langs zwijgende sorteermachines tot aan een muur met ramen, waarachter rookpauze-nemende PostNL-lers. Moet ik   d a a r  zijn? Maar er is geen deur! Ik hol terug de hal uit naar mijn auto, rijd naar de voorkant van de Voorbereidingslokatie, maar daar kan ik niet parkeren. Wat nu? Ik ben op het matje geroepen maar ik kan het matje niet vinden... HELP.
In een vlaag van verstandsverheldering herinner ik me dat ik het nummer van de secretaresse die de afspraak heeft gemaakt in mijn telefoon heb staan. De secretaresse legt vriendelijk en geduldig uit dat ik weer terug moet naar achter, waar ik vandaan kwam. Daar zal iemand mij opvangen.
Wat ook zo is. Een lange, bleke jongen van in de dertig, die zich voorstelt als HR-manager, neemt me mee naar het kantoortje, voetgangerspijlen op de vloer volgend (als ik dat had geweten). Bij een kantine biedt hij me iets te drinken aan. 'Tomatensoep? Doe maar water.'
De regiomanager zit in zijn nood-kantoortje. Een aimabele man, die, dat is nieuw voor mij, zijn baardje modieus heeft laten staan. Ik verontschuldig me voor mijn vertraging. 'We zagen je al rennen door de hal,' zegt hij, niet geheel zonder leedvermaak, 'ga zitten.'
De HR-manager gaat aan de kop van het tafeltje zitten en haalt notitieblok en balpen tevoorschijn. De regiomanager neemt tegenover me plaats met een mapje fotokopietjes. 'Viktor, we hebben je boek gelezen. Van pagina 1 tot pagina 350.'
Ik wil hem feliciteren, maar slik op tijd mijn felicitaties in.
'Dat jij een boek hebt geschreven, is jouw zaak. Zoals je advocaat geloof ik al had gezegd, – zo heb ik op je blog kunnen lezen – hebben wij wel belangrijker zaken aan ons hoofd dan een boek.'
Juist.
'Maar,' vervolgt hij, 'we hebben je hier uitgenodigd om het waarheidsgehalte van een aantal passages vast te stellen. Waarheidsvinding, dus.'
'Ja,' valt de HR-manager hem bij, 'want in die passages overtreed je onze business principles'.
Ik neem een slokje water.
De regiomanager pakt de fotokopietjes erbij, de belastende passages in geel. 'Viktor. Hier schrijf je dat je een Le Monde meeneemt die is bestemd voor het Franse Consulaat. Berust dat op waarheid?'
Als rechtgeaard romancier en beroepsfantast kan ik uiteraard glashard volhouden dat ik alles uit mijn duim heb gezogen, maar dat is niet zo. Het zou ook een laffe verdediging zijn. Dagboek van een postbode is mijn eerste – en vermoedelijk laatste – boek waarin elke zin op waarheid berust. Eerlijkheid is een sine qua non voor een dagboek. Wie geen zin heeft in de waarheid, moet geen dagboek schrijven. Zulks leg ik uit aan de regiomanager.
Een verdediging kan het nauwelijks worden genoemd.
Mijn advocaat zou het hier vast ab-so-luut niet mee eens zijn geweest, maar ik heb mijn advocaat niet bij me. (Ze is in Rome.)
Nu knikt de regiomanager. Volgende fragment. 'Hier schrijf je dat je een pakje met twee boeken erin in de papierbak gooit. Waar?' Ik bezig de letters a en j in de gebruikelijke volgorde. Dit hele gedoe is onnodig, want alles is waar, maar ik beleef een pervers genoegen aan deze ontleding van mijn proza. Bij mijn weten is mijn proza nooit eerder zo minutieus ontleed.
'Dat je hebt gemasturbeerd op depot is ook niet bepaald reclame... Wat nu als jouw vrouwelijke collega's er bijvoorbeeld niet meer willen komen?'
'Ik heb maar één vrouwelijke collega,' werp ik tegen, mij beseffend dat ook dit niet mag worden beschouwd als een adequate verdediging, of een verdediging überhaupt.
'Dat zal in de toekomst veranderen,' zegt de regiomanager met een blik van verstandhouding naar de HR-manager. 'Samenvattend, Viktor. Je begrijpt, dat ik je met deze wetenschap niet zomaar door kan laten werken. Ik heb mensen ontslagen voor minder.'
Dat begrijp ik. Ik begrijp de morele spagaat waarin de regiomanager en bij extensie PostNL zich bevindt maar al te goed. Ik heb de luxe van de vrijheid van meningsuiting, de luxe van eerlijkheid, en hij en PostNL niet. Noem het het prerogatief van de kunstenaar, en de knechting der commercie.
'Daarom moet ik je op non actief plaatsen. Met behoud van salaris, dat wel. Volgende week gaan we met onze juridische afdeling in Den Haag bekijken hoe we verder moeten met jou, en met je boek, want je boek is, als alles waar is wat er in staat, toch een soort blamage. Hoe leuk zullen cliënten zoals bijvoorbeeld het Franse Consulaat, het vinden dat jij hun post achterhoudt?'
Ik kan moeilijk volhouden dat ik verrast ben. Dit moment heb ik ongeveer een jaar, misschien twee jaar, aan zien komen.
'In het nawoord van je boek schrijf je dat het je niet gelukt is om ontslagen te worden,' besluit de regiomanager, rond wiens fijnbebaarde mond ik een Mona Lisa-achtig glimlachje meen te ontwaren, 'maar ik denk dat het je binnen afzienbare tijd toch gaat lukken.'

Op het matje

Er is een belletje afgegaan, ergens. Er is een munt gevallen. Dat moet wel, want ik ben op het matje geroepen door mijn chef – en  d i e n s  chef. Misschien willen ze nieuwe richtlijnen voor masturbatie op de werkvloer met me opstellen. Of Dagboek van een postbode deze kerst opnemen in de CadeauCarrousel van PostNL.
Of ik krijg alsnog die oorvijg, die lieftallige zo graag op mijn in haar ogen nog altijd te uitgestreken facie ziet neerkomen. Ik heb niks tegen oorvijgen, maar ik word graag betrokken bij de regie. Maar niet naar conclusies springen. Eerst maar eens zien wat dat matje behelst. Goede instap-strategie van mijn nieuwe advocaat: 'Doe alsof je gek bent, alsof je niet helemaal snapt waar ze op doelen.'
Ik doe mijn best.

Masturberen

Bij het sympathieke en goed gesorteerde bric à brac winkeltje laat ik een stapeltje Dagboek-Ansichten achter – wie postbezorger is en een boek te promoten heeft zou wel gek zijn om geen junkmail te verspreiden – bij de verkoopster, die zoals gewoonlijk met een handvol gevorderde vriendinnen pontificaal op het trottoir zit te ouwebetten.
‘Stond jij niet in het Parool?’ vraagt een van de vrouwen, met zwartgeverfd haar, haar hoofd licht gekanteld.
Ik knik. Ik merk aan mezelf dat ik terugtrekkende bewegingen maak, en niet alleen omdat ik haast heb.
‘O ja,’ herinnert de vrouw zich ineens, ‘jij masturbeert!’
‘Klopt. Ik kan het iedereen van harte aanbevelen.’
‘Gaan we doen!’ hoor ik de vrouwen in koor terugroepen, voordat ik het hoekje om ben.

Juf Nederlands

Ik was al tamelijk onder de indruk van de respons op het diepte interview in de Echo, maar de respons op het stuk in Het Parool van maandag overtreft mijn stoutste verwachtingen. Plotseling zoeken allerlei oude en iets minder oude bekenden contact met me. Voorheen zocht niemand contact met me, en dat vond ik eigenlijk ook best, maar nu het gebeurt, moet ik toegeven dat mijn hart zich vult met warme gevoelens voor de mensheid in het algemeen, en die oude bekenden in het bijzonder.
Case in point: een week geleden was ik op de boekpresentatie van Kinderen waaien om, van Mariëtte Baarda, en daar sprak ik Mariëtte's alleraardigste juf Nederlands, en toen dacht ik: op  m i j n  boekpresentatie wil ik  o o k  mijn juf Nederlands. (Met mijn meester Nederlands, het woord zegt het al, had ik een haat-liefde verhouding.) En verdomd, gisteren vind ik in mijn mailbox een bericht van mijn juf, Anja Verberne, die in mijn herinnering in haar Volvo Amazone het schoolterrein op scheurde en bij wie je te allen tijde een sigaret kon bietsen. Verheug me op het weerzien.

Curb your enthousiasm

Op zondag ontvang ik een sms van de collega die in het boek Jeff heet, met een aantal rectificaties. Ik sms terug dat ik nog wel meer rectificaties verwacht. Wie probeert stiekem de werkelijkheid te vangen, als een jongen die een vlinder achterna zit met zijn net, moet rekening houden met rectificaties. Ik zal ze verwerken in de – DV, insjallah en be’ezrat hashem – tweede druk. Jeffs eindoordeel over het boek is geloof ik toch wel positief, hetgeen een meevaller mag heten. Jeff is niet de enige lezer op depot, maar zijn smaak komt volgens mij voor een groot deel overeen met de mijne, dus ik hecht waarde aan zijn mening. De naam die ik hem gegeven heb is ook niet zomaar een naam, hij hoort bij een karakter uit een HBO-televisieserie van een tijdje geleden die we allebei hogelijk waarderen: Curb your enthousiasm. Overigens heette dat karakter in het echt ook Jeff, maar dat is een detail.

De tol der eerlijkheid

Lieftallige leest Dagboek van een postbode, in bed, terwijl ik aan tafel zit te werken. Op een gegeven moment hoor ik een vloek, het boek vliegt door de kamer, het bedlampje gaat uit. Ik probeer me voor te stellen welk fragment haar toorn heeft opgewekt.
'Dat jij een kaart met een zoen erop stuurt naar die secretaresse!' briest ze van onder haar dekbed.
'Ik heb er toch ook een naar jou gestuurd?' doe ik een poging tot damage control. 'En naar mijn moeder?'
Het is even stil.
Ik loop naar haar toe, zoek contact. ''t Wordt nog erger,' fluister ik. Maar toch ook weer niet zo erg, denk ik er achteraan, dat de wereld op instorten staat. Er zijn ergere dingen. Er zijn altijd ergere dingen. Maar, inderdaad, eerlijkheid komt met een prijs.
Goed, twee dagen later is haar toorn wel weer een beetje weggeëbd.
Ze ligt opnieuw in bed te lezen.
Terwijl ik bij haar in bed stap, mompelt ze: 'Smeerlap.'
Nu meen ik wel te weten bij welke passage ze is aanbeland.

Les filles ne peuvent pas jouir

'Madame Claude was de grootste bordeelhoudster in mijn tijd, ze opereerde vanuit Parijs, terwijl ik in New York zat.'
Op de – mierzoete – thee bij Xaviera.
'Ik heb haar nooit gezien, maar wel aan de telefoon gehad. Madame Claude stuurde van die deftige meisjes mijn kant op, ik stuurde haar wildere types. Als mijn meisjes bij haar kwamen moesten ze eerst hun tasjes leegmaken. Als daar een half eindje lipstick in zat, of een afgekloven potloodje, dan lagen ze eruit. Te weinig klasse. Dan: kutje wassen. Als die meisjes schone kutjes hadden, zei ze: doe 't maar eens. Sommige van die van mij kwamen in een mum van tijd klaar. Maar Madame Claude vond dat niks. Les filles ne peuvent pas jouir! riep ze. Ik begreep daar niks van, ik bedoel, ik vond het ook wel eens leuk, dat heb ik ook beschreven. Als je goede seks hebt, ook al is het betaald, en met een vreemde, dan kan het toch zeker gebeuren dat je klaar komt? Maar dat was dus helemaal fout. Weet je waarom? Die orgasmes kostten veel te veel energie, dat vond ze doodzonde, er moest gewerkt worden, niet genoten.'

Whinegard

Ah, een liefdesbrief. Zoiets maakt vrolijk, geeft hoop, voor de mensheid in het algemeen en de liefde in het bijzonder. Goed, dit was geen brief, maar een kaart. Daarom kon ik (en mocht ik, althans van mezelf) hem ook lezen. Ik zou hem het liefst in zijn geheel citeren, maar dat zou een flagrante schending van de privacy inhouden. Blokletters, in het Engels, van een jongen met een Nederlandse naam aan een meisje met een Engelse naam. Hij heeft een stokpoppetje getekend, in de regen, met een liftbordje LYON. Hij is namelijk aan het liften via Duitsland naar een 'whinegard' in Frankrijk om druiven te plukken. 'I will let you know if it's as good as in our fantasy. Thinking about you...' Hopelijk mag ik de volgende kaart, vanaf de 'whinegard', –  gesteld dat hij ooit aankomt –, ook bezorgen.

Faits divers

1. Op depot tref ik de Indiaan. Hem had ik nog niet persoonlijk uitgenodigd voor mijn boekpresentatie, dus dat doe ik bij deze. 'Geen tijd. Leuk voor je. Nou doei,' zegt hij en weg is hij.

2. De ex-depothouder stormt binnen en verklaart: 'Je zal wel bij De Wereld Draait Door komen. Ik bedoel, je schrijft een boekje over wat je allemaal meemaakt als postbode en dan kun je daar toch leuk over vertellen? Daar is dat programma voor, dat kan die jongen die dat doet heel goed, het leven een beetje leuker maken.'

3. Onder in mijn tas had ik vorige week een stapeltje post aan de familie met de Spaanse naam – aanmaningen, achterstallige rekeningen etc. – laten zitten, met de bedoeling die thans te herstelstickeren/retourneren, maar het stapeltje is weg. Gejat, wellicht. Veel plezier ermee.

4. De man die een langwerpig doosje van de Postcodeloterij in zijn brievenbus vindt, maakt een ironisch vreugdedansje, als ik hem overdreven feliciteer met zijn prijs, maar hij maakt toch een vreugdedansje. (Waarschijnlijk zitten er stroopwafels in.)

5. Dingena Mol, de fotografe van Het Parool, wil een actiefoto. Ik ook. We worden op onze wenken bediend door mijn hulppostbode (6), die op de Stadionweg zoals altijd weer met een noodgang op mij af komt gestormd.

6. Mijn huidige favoriete weduwe, een kettingrokende oud-intensive careverpleegster met een droog gevoel voor humor, is naar een tehuis vertrokken, meldt haar zoon. Ik zal haar missen.

Bakker

Voor de tweede keer in twee weken bood mijn favoriete bakker me een baan aan in zijn drukbezochte bakkerij. Het enige dat hij van me weet is dat ik koekjes bak, maar iedereen bakt koekjes. Zit hij echt omhoog, of zou hij medelijden met me hebben? Hij ziet me steeds met mijn driejarige, onder werktijd, aan de balie verschijnen. Vanochtend, toen ik opnieuw mijn schouders vragend ophaalde op zijn spontane job-aanbod, voegde hij nog toe: 'Mocht je op een dag besluiten je vaderschap opzij te schuiven, dan hoor ik het wel.'

Allemaal gelogen

Interview bij Snackbar Triomf, dit keer met Marjolijn de Cocq van Het Parool. Lieftallige vroeg zich af waarom ik zonodig interviews moet geven bij Snackbar Triomf, terwijl het ook bij, om maar wat te noemen, De Ysbreeker kan. 'Dichterbij, en de broodjes zijn beter.' Dat kan wel wezen, maar het gaat me niet om de broodjes, maar om de interviewer, en mijzelf, in de wereld die ik beschrijf in Dagboek van een postbode onder te dompelen – al is het maar voor even.
Ik was vroeg. Ik liep de zaak in en wilde met een biertje op het terras gaan zitten, toen mijn blik viel op een kastbibliotheek onder de toog. Nu hangt Amsterdam vol met kastbibliotheken, maar dat er ook een zou hangen onder de toog bij Snackbar Triomf had ik niet kunnen bevroeden. Ik spotte in de gauwigheid een Worthy, een Nabokov en een Springer. Ik koos voor de Springer en ging buiten in de zon zitten. Een verhalenbundel, voorafgegaan door een interessant diepte-interview met de schrijver-diplomaat. De titel? "Allemaal gelogen."
Het broodje kroket, dat we halverwege het gesprek lieten aanrukken, viel ook niet tegen. Maar van mijn voornemen, om mijn woordenstroom enigszins in te dammen, is niets terecht gekomen. Benieuwd naar De Cocqs filtraat.

Geachte familie met de Spaanse achternaam,

De huidige bewoonster van uw voormalige woning heeft mij een stapeltje aan u geadresseerde post overhandigd. Het zal u misschien niet verbazen dat die post voor 60 procent bestaat uit aanmaningen, voor 30 procent uit achterstallige rekeningen en 10 procent uit dreigementen van deurwaarders en incassobureau's. De politie heeft de deur nog niet ingetrapt, meldt de huidige bewoonster, maar zij is daar wel bang voor.
Bij gebrek aan uw huidige woon of verblijfplaats, ga ik uw post retourneren naar de afzenders, maar sommige afzenders zullen hier geen genoegen mee nemen. Schuldeisers hebben de neiging om vroeg of laat geld te gaan ophalen waar ze het maar kunnen krijgen.
De kans dat deze brief u bereikt is klein, maar zij is ook niet uitgesloten. Ik begrijp, Nederland is een land dat erom vraagt opgelicht te worden, en het is niet zo dat we het met zijn allen uw nalatigheden niet kunnen gladstrijken, maar als u alsnog uw schuld aflost, kunt u met een schoon geweten verder leven, en dat is ook wat waard.
Was getekend: Eduard P. Restante, postbezorger.

Bericht van de cramping (6): Going nowhere slowly.

De cramping is leeg. Afgezien van enkele laagovervliegende vliegtuigen, en een libelle, zijn we de enigen. We eten aan de rand van het bos, bij ondergaande zon. Conform de Tweede Hoofdwet van Frölke – waar zwembaar water is moet gezwommen worden – fiets ik in de schemering door de duinen naar het strand. Niemand. Of nee, toch nog een paar laatste zielen. Ik loop – naakt, conform de Derde Hoofdwet van Frölke – de kalme zee in, er zijn nauwelijks golven, maar er is wel stroming, en zwem, doelloos, going nowhere slowly. Het wordt al donkerder. Ben ik gelukkig? Dat is mogelijk, maar je kunt er niet zeker van zijn. Als ik nu doorga tot ik niet meer kan, is het met me gedaan. Boven de duinen, zie ik als ik omdraai, een rood-oranje maan. Spontaan begin ik te zingen: 'When the moon is in the seventh hour...'

Grijs iemand

Op weg naar depot spot ik Hotpants, drukdoende in de hitte. Hij heeft – uiteraard – hotpants aan; daarboven niks. Ik stop mijn fiets en bewonder zijn torso, dat ik nog niet eerder in volle glorie bewonderen mocht. Alleen de navelpiercing kende ik, omdat die navel dikwijls onbedekt blijft. Op zijn borst valt onmiddellijk de ster op (of de zon, maar de zon is ook een ster), die hij rondom zijn linkertepel heeft laten tattoeëren. In zijn rechterhand houdt hij een rood, afgescheurd lapje stof, ter grootte van een geel doekje. Pas als hij het aantrekt begrijp ik dat het een topje is.
Hij is met boeken bezig, H.P., boeken die in zijn fietstassen zitten en die hij op straat heeft gevonden. Hij laat me een Hemingway zien. Ik zeg dat ik die wel wil hebben. Ik krijg de Hemingway.
Als ik hem vertel over mijn boek (daar wist hij niets van af), en mijn schrijversschap (idem) en hem uitnodig voor de boekpresentatie, zeg ik nog, – je moet sommige dingen tijdig in de week leggen –: 'Ik heb iedereen andere namen gegeven, maar ik denk dat je jezelf wel gaat herkennen.'
Hij kijkt me verbaasd aan door zijn rechthoekige bril. 'Wat? Ik? Maar ik ben toch een heel grijs iemand?'

Briefje van tien

Ik sla met een briefje van tien in het gezicht van mijn zevenjarige en zingzeg, als in een soort mantra: 'Dit is het eerste geld/ dat ik/ met mijn boek/ heb verdiend'. Hij ondergaat de quasi chartale marteling gelaten, werpt dan tegen: 'Maar ik heb 89 euro!' Dat is ook zo, hij  h e e f t  89 euro, of daaromtrent, in zijn spaarpot zitten, euro's die hij ongeveer dagelijks natelt om te zien of er een mutatie heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld omdat een van zijn ouders/verzorgers er een graai uit deed en die graai nog niet adequaat heeft gecompenseerd (gelukkig is het systeem lenen/schuld/rente nog niet tot hem doorgedrongen), maar waar het om gaat, om terug te keren naar  m i j n  geld, is dat ik dat tientje heb verdiend aan mijn  b o e k,  omdat kunstbroeder Hannes Wallrafen zo vriendelijk was om de allereerste bestelling te doen. 'Wéét ik toch al,' knikt mijn zevenjarige.

Omgekeerde post

Ik ben geen filatelist, nooit geweest ook, maar de zegels op het brievenbuspakje uit Indonesië, alsmede de brief uit Monaco spraken tot de verbeelding. De pakweg dertig, drukbestempelde postzegels, van elk 3000 roepia (20 cent) op het pakket uit Indonesië vertelden een verhaal over Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo, met heldhaftige taferelen van vechtende mannen in krijgstenue, en de leptopticos javanicus, maar bevatten bijvoorbeeld ook een plaatje van een bord eten. Turend naar die zegels werd ik getransporteerd naar dat deel van de wereld; omgekeerde post dus. Hetzelfde gold in iets mindere mate voor de klassieke zegel uit Monaco: een koninklijk paar met een kroontje, met een stempel MONTE CARLO. Ik waan me dan in Monte Carlo, heel even maar, en langer wil ik er eigenlijk ook niet zijn.

Sportief

Jawel, het is zover: het bestaan van dit blog is doorgedrongen tot de wereld buiten mijn familieleden en hardnekkige fans en de sporadische Google I feel lucky-hit. 'Ik heb al je stukjes gelezen,' zegt een collega ietwat lacherig op depot. 'Vermakelijk, en ook herkenbaar, maar ik was het niet helemaal eens met de manier waarop je mij neerzette.'
'Hoe had ik je ook alweer neergezet?'
'Iets van saai aardig, of aardig saai.'
Ik ben blij dat hij mijn mini-karakterisering sportief opvat.

Geen woord teveel

Mijn raadsman staat ’s avonds voor de deur, onaangekondigd, met een fles Crémant in de hand. Hij komt me feliciteren met Dagboek van een postbode, dat hij als een van de eerste had weten te bemachtigen. ‘Er staat geen woord teveel in,’ zei hij. Dat beschouw ik als een compliment. Elke tekst is een trade off tussen betekenisoverdracht en economie van taal: een schrijver wil zoveel mogelijk betekenis overdragen met zo min mogelijk woorden – eigenlijk, nu ik erover nadenk, het tegenovergestelde van wat taalgebruikers in de dagelijkse omgang beogen en doen.
Toen ik hem en mezelf en de kostwinner had ingeschonken was ik toch ook wel een heel klein beetje benieuwd of hij rellen, onlusten en bloedige conflicten voorzag naar aanleiding van deze publicatie. Hij voorzag niets van dat alles. ‘PostNL heeft wel wat belangrijkers aan zijn hoofd dan zich druk te maken om een boek... Het kan zijn dat er wat reuring komt – dat wil je toch? – maar voor de rest zou ik me geen zorgen maken.’ Ik ben er nog niet over uit of ik hierover opgetogen, dan wel teleurgesteld moet zijn.

Alles puur

Vanmiddag gaf ik mijn eerste interview als postbode op het terras van snackbar Triomf. Eerste vraag van het alleraardigste meisje van De Echo (wie eenmaal ja heeft gezegd tegen de post kan tegen niemand meer nee zeggen): hoe is het zo gekomen dat je postbode bent? Ik: dat staat in het boek, maar... Tweede vraag, hoe lang ben je al postbode? Ik: dat staat ook in het boek, maar... etc. Derde vraag, vertel eens een leuke anekdote. Ik sla het boek willekeurig open en lees een stukje. Het meisje, na een tijdje: ik denk dat ik het wel zo ongeveer heb.
Om heel eerlijk te zijn was de foto spannender. Als experiment, en als statement, liet ik mijn gulp openstaan. Ik ben er nog niet helemaal uit wat dat statement te betekenen heeft – mijn moeder suggereerde later aan de telefoon: dat je brievenbus open staat – maar het  w a s   een statement. De vraag was of de alleraardigste fotograaf het opviel. Nee dus. Tot slot vroeg ik hem, in een vorig leven had hij op de markt gestaan, doe je aan fotoshop. Daar doe ik niet aan, zei hij. Alles puur.
Dus ik ben eigenlijk wel benieuwd naar de foto, a.s. woensdag, in de krant.

Teamleider

Ik parkeer mijn dwerggazelle in het voor de rest geheel lege depot en begin, zoals altijd, de post in te laden. Maar dan hoor ik een scooter naderen, die vervolgens het depot inrijdt (wel opmerkelijk; ik geloof niet dat ik eerder een scooter het depot in zag rijden). De scooter stopt naast mij, en de bestuurder, in wie ik mijn Teamleider herken, doet zijn helm af en zegt: 'Viktor, ik heb je boek gelezen.' Dit verbaast mij enigszins, aangezien Dagboek van een postbode pas eind september verschijnt, en mijn Teamleider voorzover ik weet niet bijklust als boekverkoper of literatuurcriticus (want dan zou hij in theorie een vooruitexemplaar kunnen hebben ontvangen). 'Ik heb een uittreksel gekregen,' legt hij uit. 'Iemand houdt bij wat er verschijnt over het bedrijf, en die iemand zei tegen mij, werkt er bij jou misschien iemand die Viktor Frölke heet? Ik zei ja, die ken ik wel.' Hij glundert. 'Je wist dat ik schrijver was,' zeg ik, verdedigend. Nee, dat wist hij niet. Had hij kunnen weten, maar nee dus. Nu ontstaat even een vreemde sfeer, waarin ik vrees dat hij op me af komt om me een peut te verkopen, of, dat kan ook, een knuffel. Ik krijg geen van beide. Hij mompelt 'Leuk, ik heb meteen drie exemplaren besteld', en wat over eerdere postbodes met literaire ambities. Ik knik van ja, dat dat niet zo verwonderlijk is, de posterijen bestaan al een tijdje, en dan is de kans niet gering dat er iemand over gaat schrijven. 'Tweehonderd jaar,' zegt hij, toch niet zonder trots. Gelukkig wordt hij gebeld. Hij begint uitvoerig te spreken over zaken waar ik niets van begrijp. Ik ga gauw aan het werk, voor mijn Teamleider van gedachten verandert.

Concurrentie

Voor mijn deur staat een vrouw met een HAPPY-trui aan, en een flinke doos onder haar arm. Ze wil weten of ik een pakket voor de buren wil aannemen. Uiteraard wil ik dat. Als ik een lukrake krabbel heb gezet op haar mobiele telefoon, 'effe de app opstarten', zegt ze er nog bij, vraag ik toch maar, –mijn nieuwsgierigheid kent geen grenzen, en trouwens, ook een stukje competitive research –, welke broodheer zij dient. 'Collect and Deliver,' zegt ze, stralend. Bestaat pas drie maanden. Niet alleen in Amsterdam. In heel het land. En ook daarbuiten. Nederlands bedrijf. En goedkoper dan de rest. 'Wij gaan het PostNL en die anderen heel moeilijk maken. Je hebt nog niet van ons gehoord, in de media enzo, maar daar komt binnenkort verandering in. Let maar op.' Ik wil de deur dicht doen, maar mijn blik blijft haken bij de auto waarin de bezorgster van Collect & Deliver stapt. Die auto lijkt verdacht veel op een privé-auto. Niet alleen omdat hij nogal klein is, maar ook omdat er een paar kinderen in zitten. Ach ja, natuurlijk, je kon er op wachten: de Uber, of de AirBnB van de pakketdienst. Waarom ook investeren in een bedrijfsauto, als de privéauto prima volstaat? Even de kinderen van school halen en op de terugweg wat pakketten afleveren. ('Vinden ze alleen maar leuk.') Net hoor ik wat er in de doos zat. Schuurpapier.

Bericht van de cramping (5): familiale gastro-enteritis.

Cramperen is leren onaangenaamheden te negeren, schreef ik eerder, maar dat wordt een opgave zodra het hele gezin kotsend en spuitkakkend het tenthuisje uitvliegt, zoals dit weekend het geval was. Het begon met een comfortabel etentje op het strand. Het eindigde met een rampnacht, eindeloze tochten naar de washokken en een dieet van droog brood en thee. 'Moet ik het restaurant bellen?' vroeg ik de volgende dag aan lieftallige. Zij vond van wel. Ik kreeg de manager aan de lijn. 'Wij hebben fish & chips bij u gegeten. Ik vrees dat we daar allemaal ziek van zijn geworden.' Hij nam het sportief op, ging het uitzoeken, zou me terugbellen. Maar inmiddels is mijn hypothese over de oorzaak van de familiale gastro-enteritis een andere, aangezien de buren, ook met crêche-gaande kinderen, eveneens bleken te zijn getroffen. Een norovirus-uitbraakje dus, daar lijkt het nog het meest op. Het seizoen is weer begonnen.

Hoarder

Een belangrijk verschil tussen de onderkant en de bovenkant van de samenleving is dat het drama aan de onderkant beter zichtbaar is. In een scharrige straat in Oud Zuid staat een klein roestig autootje tot de rand toe gevuld met spullen. Alleen de passagiersstoel is nog vrij; daar zit de automobilist, een vermoeid ogende man van middelbare leeftijd die bezig is enkele boodschappen, zoals boterhamvlees en goedkope koeken, vanaf de berg troep naast hem uit de auto op straat neer te leggen. Een hoarder, denk ik eerst. Daarna denk ik: die is recentelijk, of niet zo recentelijk, uit zijn huis gezet. Als dat zo is, moet hij misschien nog steeds als een hoarder worden aangemerkt.
'Gaat het?' vraagt de man, als hij ziet hoe ik mij met mijn dwerggazelle langs zijn autootje probeer te manoeuvreren.
'Dat kan ik beter aan u vragen.'
Stilte. 'Moeilijk, het gaat moeilijk...'
Ik sta nu voor het dilemma verder te vragen, of door te gaan met mijn ronde. Als ik verder vraag, gaat dit mij enige tijd kosten, mogelijk een kwartier, afhankelijk van zijn verhaal, wellicht zelfs een half uur, en het is niet dat ik me niet voor zijn verhaal interesseer, ik interesseer me juist wel voor zijn verhaal, maar het komt me niet uit, mijn hoofd staat er niet naar, of ik ben gewoon lui, en dus ik laat hem achter.

Verrassing

Grote dag vandaag en niet alleen voor mij, want ik heb het nieuws van mijn dagboek gebroken aan de depothouder, die er een niet geringe rol in speelt. Hij reageerde voor zijn doen enthousiast. 'Wat een verrassing,' zei hij, met een brede glimlach, toen ik hem het omslag van mijn boek liet zien. En dat was het ook wel. Voor hem. Op de hoogte worden gesteld over de publicatie van een boek van een collega die daar drie jaar over heeft gezwegen is toch zoiets als uit de jungle komen en horen dat de oorlog al een tijdje voorbij is. Prompt kwamen twee andere hoofdrolspelers uit mijn boek het depot binnengezeild: Hotpants, en de oud-depothouder, die ik in het boek Govert heb gedoopt. Hotpants deed zijn naam eer aan. Ze waren van flink gerafelde spijkerstof dit keer. Verder droeg hij een afgeknipt topje, dat zijn gebronzeerde sixpack met tattoeage en navelpiercing vrij liet.
HP en Govert heb ik nog maar even niet op de hoogte gesteld van de aanstaande publicatie. Dat zou wat veel van het goede zijn, maar binnenkort moet het toch wel gebeuren. Ik wil dat ze het van mij horen en niet van iemand anders. I want to face the music and dance.

Verlangen

Tenminste één iemand kan niet wachten dat ik volgende week weer aan het werk ga – als er volgende week tenminste nog zoiets als papieren post bestaat, maar daar ga ik gemakshalve maar even van uit, PostNL ook trouwens, want die heeft me ingeroosterd – en die iemand is Xaviera Hollander. Ze bestookt me al dagen met emails waar ik toch uithang, dat     die  v e r d o m d e  vakantie toch zo langzamerhand eens afgelopen moet zijn ("kinderen moeten toch naar school, of niet soms?!" in kapitalen) en  z o  leuk kan het toch niet zijn op de cramping... Welnu, ik kan zelf ook niet wachten. Een mens is toch het meest in zijn element als hij zich op enigerlei wijze nuttig kan maken. Ledigheid is ook niet alles.

Hoedje

De geplande, lang verlangde vakantie in eigen stad – een paar uur kinderloos in de Jordaan – ging moeizaam van start, niet alleen omdat we in een Mexican standoff raakten over het definitieve vertrek ('Ga jij maar eerst.' 'Nee, jij.' 'Ik moet nog wat doen.' 'Ik ook.' Enzovoorts tot in de eeuwigheid amen), maar ook omdat mijn fiets lek bleek, en toen ik, toch wel schoorvoetend, op mijn dwerggazelle sprong, voorzien van verkleurde, met elastieken gevulde PostNL fietstassen, de achterband daarvan het eveneens begaf, maar het kwam allemaal goed in de Jordaan, want de Jordaan maakt alles goed. Lieftallige leek zich zelfs te hebben verzoend met mijn hoedje, dat ik op had om mijn Verschrikkelijke Kapsel te verbergen. Wie een hoedje draagt, en niet kaal is, stelt zich enigermate aan, maar, zoals lieftallige opmerkte, nadat ze me van alle kanten had gefotografeerd op het zonovergoten terrasje van 't Smalle: het is weer eens wat anders, en dat is ook iets waard.

Duurkoop = duurkoop

Toen ik eindelijk tijd had gevonden om mijn vogelnest grondig te laten verwijderen bij de dure kapper – bij de goedkope kapper zaten drie mensen op het wachtbankje; bij de dure was het leeg en gingen de kapsters met een plumeau de lampenkappen te lijf – wilde lieftallige me eerst niet aankijken. (Ze is nogal visueel ingesteld.) Daarna zei ze: 'Wat ben je weer keurig... Ik vind je wild leuker... En wat ben je  g r i j s !' Dat laatste was mij ook opgevallen, nooit geweten dat je grijzer kon worden van een knipbeurt, maar met deze kwalificatie kon ik leven. 's Avonds echter luidde haar oordeel: 'Ik weet niet of ik zo wel met je naar bed wil. Misschien met mijn ogen dicht.' Vanochtend was ze nog niet klaar met mijn nieuwe haar. 'Vreselijk. Je bent nog nooit zo slecht geknipt. Ga volgende keer maar weer naar die goedkope kapper.'

Collega

'Kijk pappa, een collega!' riep mijn zevenjarige geestdriftig, wijzend op, inderdaad, een collega op het trottoir, die zijn routine even onderbrak om mij welwillend toe te knikken; meewarig misschien toch ook wel. Ik knikte terug. De collega was mij al eerder opgevallen, in het park: een vermoeide man van middelbare leeftijd. Wat deed hij in het park? De enige reden die ik kon bedenken was dat hij van het park hield, maar zo bewoog hij zich niet voort. Hij duwde zijn postboy zoals een dakloze een boodschappenwagentje met junk. Hij hield zijn armen gestrekt, zijn blik op de grond gericht. Veel plezier leek hij aan deze gratis walk in the park niet te beleven, maar een shortcut kon het vanwege de kronkelende weg ook niet zijn. Ik wilde hem aanspreken, deze collega, maar wat had ik tegen hem moeten zeggen? 'Hallo, ik heb vakantie?' Dat klonk tamelijk debiel. Dus ik zweeg en liep verder. Nog net zag ik hoe hij bijna werd aangereden door een haastig Deliveroo-wichtje.

Bericht van de cramping (4): Privacy

Het is niet zozeer dat je midden in de nacht een vrouw hoort kreunen en je afvraagt: 'Wat is dat voor vogel?' En ook niet dat je burenruzies, echtelijke ruzies en vakantieruzies van je achter-achterburen zodanig meebeleeft (en vice versa) dat je de campingpolitie in wilt schakelen. Het is meer dat je zit te ontbijten, lunchen of dineren – buiten, natuurlijk, of, in ons geval achter de vele vensters van je tenthuisje – en dat je nolens volens je buren op tien, twaalf en twee uur bespiedt, en dat je zeker weet dat zij ook jou in de gaten houden. 'Ze eten Cornflakes vandaag. Gister aten ze nog pannenkoeken.' Of: 'Gaan ze op pad? Waarheen dan? Toch niet naar het strand? Nu al?' En: 'Ah, ze hebben bezoek. Leuke mensen, wel. Maar ik groet ze niet hoor, op weg naar de afwas. Kun je aan de gang blijven.' Of: 'Die heeft een wijntje teveel op, dat zie je. Wat stelt die zich aan zeg. Zo leuk is het echt allemaal niet.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen. Cramperen is zien en gezien worden, maar dan anders.

Bericht van de cramping (3): De drol

Toen ik mijn gymnasiast, met wie ik naar de cramping was gefietst, helemaal vanuit de Grote Stad A., vertelde dat er een drol in de douche lag, zei hij: 'Wat had je anders verwacht, dit is toch een camping?' Zeker, een deel van de beschaving wordt thuisgelaten wanneer men gaat cramperen, en zulks lijkt ook het doel van de hele exercitie, maar ik kan me niet herinneren ooit eerder een drol in de douche te hebben aangetroffen, op deze of welke camping dan ook. Ik kan me wel herinneren eens een Vieze Substantie te hebben gevonden in het doucheputje, een substantie zo vies dat ik niet eens wilde beginnen aan het determineren ervan, maar een versgedraaide drol? Was dit een grap of een noodgeval? Als het een noodgeval was, dan getuigde het van minimale beschaving, thuis of waar dan ook, dat de noodpoeper niet even de moeite had genomen om zijn noodpoep op te ruimen. Als het een grap was, dan was het zeker een praktische grap, maar was het een g o e d e  praktische grap? Daarvoor is kennis benodigd van de voorgeschiedenis, en van de dader en het beoogde slachtoffer, en die had ik niet. Ik wilde alleen maar douchen. Uiteindelijk heb ik een lege luier uit de prullenbak gevist, heb die over de drol gedrapeerd en ben toen met mijn rug gekeerd naar de drol onder de douche gaan staan. Cramperen is leren onaangenaamheden te negeren.

Bericht van de cramping (2): gewoon gezellig

Ik sta af te wassen – voor mijn gevoel sta ik de hele dag af te wassen, maar ik sta slechts de halve dag af te wassen; echter ik klaag niet want ik hou van het anonieme, eindige geklets onder de afwassende vaders –; achter mij weet ik dat mijn bijna-driejarige de glijbaan niet afkan omdat een hangjongere op de glijbaan ligt, met zijn ogen dicht, terwijl hij een wat lijkt op een drukpuntmassage ondergaat van een tweede hangjongere.
'Zeg, zouden jullie dat even ergens anders willen gaan doen,' probeer ik, over mijn schouder richting hangjeugd, 'dat meisje daarboven probeert naar beneden te glijden.'
Er gebeurt niets.
Dan bemoeit een roodharige moeder zich ermee. 'Hé, rot op, joh! Die meneer vroeg je wat! Dan luister je toch zeker?'
'Dat hoeft nu ook weer niet,' mompel ik tegen mijn sopje. Ik wil niet dat dit uit de hand loopt.
De jongen opent zijn ogen, komt overeind, maar hangt nog steeds dusdanig tegen de glijbaan dat mijn bijna-driejarige er niet langskan.
Nu bemoeit de afwassende vader naast mij – sportschooltype, maak daarvan type eigenaar kickboksschool – zich er mee. Hij gaat voor de hangjongere staan, hun neuzen raken elkaar zowat. De hangjongere geeft geen krimp. Moet ik nog zeggen dat de hangjongere bruin is en het sportschooltype wit? Is dat relevant? Ik heb het al gedaan. De afwasvader brult: 'Wat is dat nou toch hè? Doe effe gewoon gezellig!' Dan verwijdert de hangjongere zich eindelijk voldoende zodat mijn bijna-driejarige de zwaartekracht zijn werk kan laten doen. Ik ben klaar met afwassen. Het afdrogen kan beginnen.

Bericht van de cramping

Ik zeg niets nieuws als ik stel dat vakantie = irritatie. Zelfs voor een postbode-schrijver die de meeste van zijn leeftijd deelt met zijn huisgenoten, blijkt het 24-uurs op elkaars lip zitten altijd weer een echtelijke uitdaging – vooral de eerste paar dagen, als het op een cramping gebeurt. De vakantie-irritatie lijkt op de mooi weer-irritatie (en bijgevolg de geweldsexplosies) in de stad. Let maar eens op: als er na een periode van regen eindelijk weer eens een spat zon naar beneden komt, dan is de kans op road rage, – scheldkannonades van scooterbestuurders, en wat dies meer zij –, een stuk groter dan wanneer het gewoon blijft regenen, of die spat zon langer dan een fractie blijkt te duren dan verwacht. Hier is mijn theorie. Hoe hoger de verwachtingen, hoe hoger de irritatiegraad. Dus: het is eindelijk vakantie, maar er gaat iets mis (jij doet bijvoorbeeld niet wat ik zeg, ik zeg dat je die plasemmer nu moet legen en niet pas straks, en jij veegt weer eens je kont af met mijn advies cq. opdracht), en over en weer wordt er meteen gedreigd met echtscheiding, uithuisplaatsing of adresverbod. Zoek maar een andere cramping cq. tenthuisje/echtgenote enzovoorts. Vakantie verschilt, zeker in het begin als de verwachtingen hooggespannen zijn, niet veel van Israël/Palestina na het zoveelste vredesakkoord. Tel daarbij op het bijzondere verschijnsel dat men op een cramping niet alleen getuige is van het gejengel en gejank van de eigen kinderen, maar ook die van de talrijke buren, en het recept voor elkaar de hersens in slaan is daar. Maar ik zit alweer veel te lang achter mijn computer, dus ik sluit af en ga genieten.

Spontaan vader-zoon ballet

De samenwerking met mijn gymnasiast, die ik heb aangenomen voor de laatste etappe van het culturele bombardement in West, verloopt tegen verwachting bijzonder soepeltjes. Ik dacht dat we alles dubbel zouden doen, of niet, en dat we elkaar voortdurend voor de voeten zouden lopen, zoals ik gewend ben bij andere familiale samenwerkingen, maar we vormden een ballet, wij tweeën, een spontaan, naadloos ballet. Nadat ik deze noeste, nimmer zeurende onderaannemer een fikse stapel brochures had meegegeven, en zo'n beetje vaag in de richting had gewezen waar deze bezorgd zouden kunnen/moeten worden, en ik zelf vervolgens de andere kant op ging en logistiek improviserend door de straten koerste, kwamen we steeds ongeveer tegelijk aan op ongeveer hetzelfde punt met ongeveer lege handen. Zat het in onze genen? Lagen hier, met andere woorden, opportunities die te gelde moesten worden gemaakt, was de oprichting ener & Zoon firma aanstaande? Misschien. Misschien ook niet. Eén keer was mooi. Goed om te weten dat we het kunnen.

Oneindige regressie

Wie werk aanneemt is een aannemer, maar wanneer hij vervolgens iemand inhuurt om het werk te laten doen, is die persoon aannemer geworden, of eigenlijk onderaannemer. Dat van elkaar aannemen en onderaannemen kan in theorie oneindig worden voortgezet, bedacht ik me toen ik een bevriende collega had gevraagd mijn diensten over te nemen, en die op zijn beurt weer iemand aan bleek te hebben genomen. Nota bene was die iemand zelf depothouder, dus hiërarchisch klopt hier iets niet, maar het belangrijkste is dat het werk ook daadwerkelijk is gedaan. Hoe meer onderaannemers, hoe meer zorgen over de uitvoering.

Nieuwe vormen van vernedering (II)

1. Ik kom weer eens aansjokken met mijn brochure ter bevordering van de levende klassieke muziek, en een vadsige Jordanees, die tegen de deurpost staat geleund, zegt, alsof hij een belangrijke ontdekking doet, maar ook inziet dat die ontdekking zonder gevolgen zal blijven: 'O, dus jij bent van de spam.' Ik kijk naar de grond, mompel 'ja' en ga door met verspreiden. De vadsige Jordanees schudt zijn hoofd. 'Troep,' voegt hij me nog toe, ten overvloede.

2. Een niet vadsige Jordanees opent de voordeur, deswelks brievenbus ik even daarvoor heb bestookt met mijn brochure, ondanks de evidente NEE/NEE-sticker. (Als ik rekening ga houden met NEE/NEE stickers, raak ik moeilijk door mijn brochures heen.) De niet-vadigse Jordanees houdt de brochure in de lucht als ware het een beschimmeld broodje. Wijzend op zijn brievenbus zegt hij: 'Heb je gezien, de sticker?' Ik knik. 'Nee/nee, staat er,' vervolgt hij, 'dat betekent dat ik geen ongeadresseerd drukwerk wil ontvangen.' Ik knik nog eens. 'Maar dit betreft een culturele verspreiding,' probeer ik, hoewel ik voorvoel dat het kansloos is, 'voor de Jordaan.' De Jordanees schudt zijn hoofd. 'U houdt niet van klassieke muziek?' Dit is mijn laatste redmiddel. Immers, ook mensen die niet van klassieke muziek houden, zeggen van klassieke muziek te houden; klassieke muziek is sociaal gewenst. Maar deze Jordanees is onvermurwbaar. 'Nee, om eerlijk te zijn niet nee.' Ik neem mijn verlies.

Jullie belastingcenten

Joehoe, deze postbezorgende scribent kan, dankzij het Nederlands Letterenfonds, weer brood kopen. Weliswaar is de subsidie die ik bij dit fonds in mei aanvroeg en zojuist op mijn rekening heb gekregen niet bedoeld om brood van te kopen, maar toch, vanochtend kon ik weer pinnen bij de bakker. Wat was ik ook alweer van plan met jullie belastingcenten?

Lunchbox

Vakantie. Wat doe je eraan? Mijn zevenjarige bood zich aan als hulppostbode. Ik heb even overwogen hem mee te nemen, maar uiteindelijk besloot ik toch maar alleen te gaan. Vlak voordat ik wegging kwam hij met zijn eigen lunchbox aanzetten, met boterhammen erin, voor mij. Een met kaas, een met pindakaas. Hij redeneerde waarschijnlijk: die man maakt normaal gesproken boterhammen voor mij, laat ik eens wat terugdoen. Een bijzonder genereuze en toch ook wel ontroerende geste.
'Kijk,' zei ik tegen de oud-depothouder, die zoals altijd kaarsrecht, met zijn buik vooruit, op zijn krukje zat op depot tijdens de lunchpauze, 'deze boterhammen heeft mijn zoon voor mij gesmeerd.'
'O, nou, als hij daar aardigheid in heeft,' luidde het antwoord. Hij snoof. Daarna schakelde hij snel over naar zijn aanstaande fietsvakantie, die door Zuid-Holland, Zeeland, Vlaanderen en Limburg voert. 'Ik ga ook naar een vriendin in Nuenen.'
'Nuenen? Daar had ik ook een vriendin zitten, lang geleden. Twee zelfs. En een vriend... Is dat een ex van je?'
'Nee, ik ben nooit getrouwd. Zij wilde wel, maar ik was er nog niet aan toe. Uiteindelijk is ze met een kinderarts getrouwd. Veel beter voor haar. Ze was heel christelijk. Die hebben zo'n geheimtaaltje, ik kon daar weinig mee.'

Nieuwe vormen van vernedering

Ik was weer op straat – ik ben een straatwerker – maar nu in de avond; denkende dat straatwerk in de avond minder heet is dan straatwerk overdag. Nu ik dit opschrijf valt dat nog te bezien, maar ik heb me niet misdragen, ook al was het volle maan op maandag, en wekte ik de indruk, in mijn korte broek, overal voor in te zijn.
Het vrijelijk rondfolderen voor het culturele doel, zo bleek weer, brengt nieuwe vormen van vernedering met zich mee. Zoals: een bewoonster die gezellig haar voortuintje staat te verzorgen, ik maak er een complimenteuze opmerking over; zij knikt, maar steekt haar hand op in de zin van STOP als ik wil bezorgen. 'Het gaat over een culturele instelling bij u in de buurt.' 'Weet ik.' 'Wilt u niet weten wat daar te doen is?' 'Ik weet al wat daar te doen is.'
Of: mooie jongen op geveltrap naar twee NEE/NEE-stickerloze voordeuren zit uitgebreid te bellen. Schudt driftig nee als ik betreffende trap wil bestijgen. 'Die deuren zijn allebei van mij,' voegt hij mij toe. Als ik sip kijk, zegt hij: 'Geef me er dan toch maar een.' Om vervolgens mijn prachtfolder gevoelloos naast zich neer te leggen.
Ik ben een handelsreiziger in overbodigheden. Gratis overbodigheden weliswaar, maar dat maakt die overbodigheden er voor de meesten niet aantrekkelijker op. Daarom duwde ik de folder stilletjes bij velen toch door de bus, ook al leken zij er niet van gediend.
'Het houdt je wel bescheiden,' zei ik toen ik thuiskwam tegen lieftallige. 'Geen enkele keer denk je tijdens dit werk: ik ben king of the world.'
Dat was geen nieuws voor haar.