56. Troost of ik schiet




We zaten met zijn tweeën in de coupé, het meisje tegenover me en ik, we droegen allebei een mondkapje en een muts. Haar muts was rood en haar mondkapje zwart. Mijn mondkapje was blauw en mijn muts was zwart. Volgens mij bestudeerden we allebei elkaars uiterlijk, zoals vrouwen dat onderling doen, onbewust of bewust, geniepig of juist schaamteloos. We zaten allebei op onze telefoon. Ik las een boek, dat doe ik graag, een boek van de bieb. Ik weet niet wat zij aan het doen was, druk aan het scrollen door allerlei lijsten, aan het swipen en aan het tappen, wat niet al. Maar toen hield ze op, en ik hield op met lezen, en we keken elkaar precies tegelijk aan, en toen liep ik ineens leeg.

'Ik ben op weg naar het ziekenhuis, daar ligt mijn moeder, maar ze ademt niet meer, ze is dit weekend overleden... Nee, geen covid. Hartaanval. Ze was nog best wel jong, op haar manier... ja, sorry, ik gooi het er allemaal maar uit, ik weet ook niet waarom, kennelijk moet ik het kwijt, ik hoop niet dat je het erg vindt, ik heb verder niemand...'

Het meisje tegenover me, laat ik haar Rode Muts noemen, keek af en toe weg van me, ze keek af en toe uit het raam, waar niets te zien was, het was hartstikke donker, of ze moest naar zichzelf kijken, je hebt van die mensen die krijgen geen genoeg van hun spiegelbeeld, maar ik geloof niet dat ze daarnaar keek, en dan kwamen haar ogen weer bij die van mij terug, en dan bleven ze daar even haken, om vervolgens weer naar het plafond te gaan, of naar haar schoenen, ze droeg heel wonderlijke schoenen, van die hele hoge Dr. Martins, maar goed, ondertussen ging ik verder met mijn verhaal...

'Ja, ik ben wel benieuwd wat ik aantref, ik bedoel... ik weet niet wat ik moet verwachten, ik kreeg een telefoontje uit het ziekenhuis, dat ze overleden was, dat ze binnen was gebracht op de intensive care, en dat ze het dus niet gered heeft, ik was wel kwaad dat ze me niet eerder hadden gebeld, toen ze dus nog niet dood was, dan had ik afscheid van haar kunnen nemen, maar eerlijk gezegd weet ik niet goed wat ik dan had moeten zeggen, ik had haar hand kunnen vasthouden, dat is waar, dat is ook iets, ik had kunnen zien hoe ze vertrok zoals dat heet, hoe het leven uit haar verdween, maar ik weet eigenlijk niet of ik daarvan wel getuige had willen zijn, maar ja, nu ga ik dus naar haar toe en ik vermoed dat ik haar ga zien, want waarom zou ik anders naar haar toe gaan, ik bereid me voor op een lijkschouwing, ze zal wel opgebaard zijn of iets dergelijks ik heb geen ervaring met dat soort dingen, jij wel?'

Rode Muts haar blik was weer afgedwaald, ze keek weer naar buiten of naar zichzelf, dat kon ik niet goed beoordelen, en ze tikte met haar zwartgelakte nagels op haar knie, zenuwpees-achtig. Ik vond het raar dat ze geen antwoord gaf, maar ja, wat had ze moeten zeggen, wat moet je met deze informatie waar ze helemaal niet om had gevraagd? Niettemin kon ik niet anders dan doorgaan met mijn verhaal, behalve dat ik nu voelde hoe mijn ogen vochtig werden terwijl ik praatte, het voelde alsof mijn oogbol werd uitgeperst, als een sinaasappelhelft op zo'n sinaasappelpers, en dat er vocht op kwam te staan, op mijn oogbol, maar ik traande niet, ik deed ook heel erg mijn best om niet te tranen, ik heb daar een hekel aan, aan mensen die tegenover vreemden beginnen te huilen, te brullen eigenlijk meer, dat is toch een vorm van emotionele chantage, van troost of ik schiet.

Het meisje deed haar rode muts af, trok een van haar oortjes uit haar gehoorgang en zei: 'Is er wat?'