50. Aksel (V)

Claus Johansen


Als ze had aangekondigd dat ze naar huis kwam, dan moest Aksel opschieten. Ze zou een Uber nemen, dat deed ze altijd, ze was verslaafd aan Uber, en die rit, vanuit Hedda's, het cafe waar ze met haar vriendinnen zat, duurde 20 minuten.

Zoiets. Om en nabij.

Twintig minuten! Een eeuwigheid en minder dan een tel.

Veel tijd had hij niet nodig, wist Aksel. Hij had dan geen ervaring in het moorden, hij dacht toch wel te weten dat het zo gebeurd kon zijn. Een kwestie van de juiste slagader raken. Daar had hij nog wel een korte studie van gemaakt, waar die zaten in de hals, er waren er meerdere, en hoe die met een maanvormig pizzames te bereiken. De gemeenschappelijke halsslagader, die moest hij hebben. Die was het grootst en lag het meest aan de oppervlakte. Schuin onder het oor. Naast een spier. Hij moest niet de spier hebben maar de ader. Niet de spier maar de ader!

Had Aksel met zijn Birkenstocks sporen achtergelaten, die naar zijn persoon te herleiden zouden zijn? Hij dacht van niet. Iedereen droeg Birkenstocks. Behalve Martin Sonnergaard...

Misschien was het tijd om de boel af te blazen. Dit sloeg helemaal nergens op. Stel dat Luun naar beneden zou komen. Met die mogelijkheid had hij natuurlijk rekening gehouden. Hij zou dan een toneelstuk opvoeren. Dat er een afschuwelijk ongeluk was gebeurd. Hij had dat toneelstukje zelfs thuis geoefend voor de spiegel.

Luna, help! zou hij roepen. Help! Het gaat niet goed met Martin! Haal de verbandtrommel! Bel 112!

Hè, wat? Geschokt maar ook slaperig. Wil je dat ik eerst de verbandtrommel zoek en daarna 112 bel, of andersom?

Doe iets schatje, vlug, anders is het te laat!

Ik weet niet eens waar de fucking verbandtrommel ligt! zou ze zeggen, trillend op haar magere beentjes, in haar lange Billie Eilish-pyama, terwijl ze 112 probeerde te bellen op haar veel te dure telefoon.

Hoe moet ik dat weten!

Enzovoorts enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

Misschien was het tijd om terug naar huis te rijden, het springtouw over de kapstok te hangen, het netje in de vuilnisbak te gooien (niet in de plasticbak, maar in de vuilnisbak!) en het pizzames op te bergen in de keuken bij de andere messen, waar het hoorde. De tas met The God of Pizza ook in de vuilnisbak.

Rustig verder leven. Doen alsof er niets was gebeurd.

Kon dat? Kon hij nog terug?

Martin Sonnergaard ondertussen had haast. Het boek Wraak en de moleskin had hij terzijde geschoven. Nogal koortsachtig was hij bezig op een grote desktopcomputer. Aksel moest een paar stappen opzij doen, door de tuin, om door het grote raam aan de voorzijde, te kunnen zien wat zijn beoogd slachtoffer aan het doen was. Hij ging er helemaal in op, dat was duidelijk.

Hij zocht naar porno met het geluid uit. Aha. Martin Sonnergaard zocht naar porno-sites en binnen die sites klikte hij behendig door naar genres en subgenres. De ene na de andere clip werd kort beoordeeld.

Hij voelde zich onbespied, dat moest wel, of hij probeerde de ex van zijn geliefde een geraffineerde loer te draaien. Een afleidingsmanoeuvre. Misschien was het hele moordplan al bekend bij hem (vandaar dat gedoe met Wraak) en nu probeerde Martin hem, Aksel, op andere gedachten te brengen door hem porno voor te schotelen. Want ja, dat kon porno, dat was waar; een van de onmiskenbare eigenschappen van porno was dat die in staat was de kijker op andere gedachten te brengen.

Aksel hield zijn adem in toen hij zag waar Martin Sonnergaard naar keek.

Kinderporno?

Aksel was geen expert op dit terrein, maar het leek er op. Meisjes van Luna's leeftijd? Zat Luna erbij, was Luna een van die meisjes? Had Martin Sonnergaard in de tijd, hoelang eigenlijk, dat hij Luna kende –

Met het pizzames in zijn hand, maanvormig lemmet voor zich uit, stoof Aksel het huis binnen. In tien passen stond hij recht voor de nietsvermoedende, kromme Martin Sonnergaard, die hem met grote ogen aankeek. Aksel hijgde. Eén haal langs de halsslagaders bleek niet voldoende, hij ging een paar keer op en neer, alsof hij aan het zagen was... en al die tijd leek het wel alsof Martin Sonnergaard meewerkte, alsof hij hem terwille was, alsof hij zich niet verzette.

Mouska, die had waarschijnlijk in haar mand had liggen slapen, kwam kijken.

Martins armen hingen slap naast zijn lichaam en hij bracht geluiden uit die nog het meest leken op dat van een kraai.

Eindelijk viel hij om op de bank, terwijl het bloed uit zijn hals gutste. Op het tempo van zijn hartslag golfde het eruit, als rood braaksel, over de bank, over zijn blond behaarde kuiten die onder zijn korte broek uitstaken, zijn sloffen...

Dit krijg ik nooit schoon, dacht Aksel bij zichzelf. Hoe krijg ik dit ooit schoon?

In paniek keek hij om zich heen, naar de trap naast de study die naar de slaapkamers leidde.