51. Aksel (slot)

Claus Johansen


Aksel was verstijfd, hij kon niet bewegen; met een bezweet hoofd, het zweet sijpelde in zijn ogen, luisterde hij naar de bloeddruppels die op de blankhouten vloer tikten. Martin Sonnergaard kon ook niet bewegen maar dat had een andere oorzaak: zijn hart liep leeg. Zijn lijf was een land dat plat lag. Gelukkig had hij zijn gezicht weggedraaid, het was niet te zien of hij zijn ogen nog open had, of dat zijn mond nog iets wilde zeggen.

De grote computer vertoonde nog steeds allerlei porno, hoofdschermen en zijschermen, onderaan, links, rechts en bovenin floepten filmpjes, webcams, what have you, het hele smörgåsbord aan vunzigheid. Het krioelde van de porno, maar Aksel was er niet meer zo zeker van dat het kinderporno was, laat staan dat hij het diepe bruinrode haar van Luna voorbij zag komen.

Een deel van Aksels lijf wilde naar boven rennen, de trap op, de kamer van zijn dochter binnenstormen en haar meesleuren naar huis. Zijn huis. Haar huis.

Het huis waar ze geboren was.

Een ander deel wilde ter aarde storten, in het bloed van Martin Sonnergaard, de grote afpakker die hij had afgepakt, en dat eventueel vermengen met het zijne. Twee afpakkers, in bloed verenigd. Ja, dacht dit deel, laten we er een groot bloedbad van maken, een Grand Guignol, een Griekse tragedie waarbij iedereen sterft, en liefst op de wreedst denkbare manier (stilletjes sterven kan iedereen).

The Pizza God Strikes Back. Daar had je al een titel, Martin Sonnergaard, voor je nieuwe film. Vind je het wat?

Of: Let's Slice, of A Slice of Me & You – Een elfdelige serie. Raken we zo kwijt aan Netflix, Martin, mag ik je agent zijn?

Hij grinnikte, en verbaasde zich erover dat hij daartoe nog in staat was, als moordenaar, ook gegeven zijn verregaande staat van uitputting. De Grinnikende Moordenaar, zou dat een film zijn waar mensen naar toe willen, Martin Sonnergaard? Even pitchen misschien?

Hij gaf geen antwoord.

Luna kwam ook al niet naar beneden. Waarschijnlijk had ze al die tijd oortjes in met Billie Eilish. Snoeihard haar laatste album op repeat. Slapen ho maar. Slapen was voor losers.

Alleen Mouska, de hond, kwispelde met haar staart, een witte vlag eigenlijk meer. Ze gaf zich over. Lieve beesten, honden, overwoog Aksel, maar: immoreel. Amoreel eigenlijk. Alle beesten waren in wezen nihilisten. Dat beetje moraal dat ze soms lieten zien was schone schijn, dat deden ze om ons en Frans de Waal te behagen.

Het laatste deel, – Aksel bestond uit drie delen vanavond –, wilde zijn tas pakken en maken dat hij wegkwam. Dat was het deel dat het meest op zijn zuiverste instincten afging, het deel dat haar kapot wilde maken, maar ook zichzelf soort van, en tegelijk zielsveel van haar hield, het deel dat gedoemd was om uit onmacht in eenzaamheid zijn dagen te slijten.

Voor hij het wist zat hij in de auto. Hij was nog wel vlug met een alcoholdoekje langs de deurknop gegaan, zoveel tegenwoordigheid van geest had hij nog wel, hij was niet helemaal mesjogge, Aksel. Hij keek nog een keer omhoog of er nog licht brandde bij Luna, maar hij was al te ver of er was geen licht.

Het begon zachtjes te regenen. Zul je net zien Martin, zulke dingen willen de mensen. Ze willen dat het op zo'n moment zachtjes gaat regenen. Geef ze dan die regen, wees niet zo eigenzinnig!

Hij grinnikte nog een keer, krabte aan zijn kalknagel en startte de motor.

Toen zoefde hij weg, geruisloos, een andere route nemend, om eventuele tegenliggers te voorkomen. Haar kon hij er niet bij hebben. Niet nu. Zijn telefoon had hij ook uitgezet.

De tranen sprongen hem in de ogen. Alles was verknald. De perfecte moord! Ha. Vergeet het, een contradictio in terminis. Ten eerste was zijn alibi op zijn zachtst gezegd zwak, omdat hij geen getuigen had, behalve een machine. Ten tweede: het slachtoffer zou misschien verdwijnen en ooit zou er een dag komen dat hij niet meer werd herdacht, ooit zou er een dag voorbijgaan zonder dat iemand aan hem dacht – zelfs zij niet – maar de moordenaar moest verder. De moordenaar zou op de hielen worden gezeten door zijn eigen moraal. Die zou hem voor de rest van zijn leven schaduwen, als een alter ego. De paranoïa zou een marteling zijn.

Hij had de deur open laten staan, wijd open, om voedsel te geven aan de hypothese dat het kwaad van buiten was gekomen en dat Luna er niets mee te maken had – mocht zij, of de politie van Århus, haar ergens van verdenken.

Terwijl Aksel door het donkere landschap schoof, het monotone Deense landschap, bedacht hij dat hij net zo goed ergens het water in kon rijden, of tegen een boom. Het had weinig uitgemaakt. Toch deed hij dat niet. Het deel dat door wilde was sterker. Misschien moest hij verhuizen naar Zweden, naar Malmö. Niet meteen, over een paar maanden.

Bij een kruising meende hij haar in haar Uber te zien passeren, maar het kon ook iemand anders zijn geweest.

Hij hoopte oprecht dat ze het naar haar zin had gehad met haar maandagavondse vriendinnenclub, al begreep hij niet goed waarom ze het nodig had gevonden al zo vroeg naar huis te komen.

Dat was, op zijn zachtst gezegd, verdacht.

Op dit punt zou in een film van Martin Sonnergaard, een posthuum verschenen film, simpelweg getiteld Wraak, nog een kind ergens in beeld verschijnen, maar dat verscheen niet in beeld.

Thuis stond Aksel een half uur onder de douche. Hij nam de tas met zijn moordwerktuigen, de werktuigen die hem niet in de steek hadden gelaten, mee onder de douche, om alle sporen eruit te wassen met zeep en een nagelborsteltje.

Het pizzames kreeg hij schoon. Het springtouw was nooit bezoedeld geweest.

Het sinaasappelnetje.