62. De bron van mijn eenarmigheid (I)

Frederic Fouque



Midden in de nacht werd ik wakker in een grote, lege, slechtverlichte ziekenhuiszaal in een vreemd land. Ik probeerde me te herinneren hoe ik in dat ziekenhuis terecht was gekomen, maar aangezien ik daar weinig succes mee had en ook geen zin had om iemand van de verpleging te roepen om deze kwestie voor me op te helderen, deed ik mijn ogen dicht en wilde weer gaan slapen.
Morgen zou ik wel zien.
Alles zou ik overhebben voor nog een paar uur slaap.
Ik draaide van mijn rug naar mijn zij in het smalle, strakopgemaakte bed, dat, had ik gevoeld, aan de zijkant ijskoude ijzeren relingen had om te voorkomen dat ik eruit viel (het bed hing hoog boven de grond, – althans, ik kon de vloer vanuit mijn bed niet onderscheiden – de reden daarvoor was me niet helemaal duidelijk, maar ook die verklaring kon wachten).
Toen ik op mijn linkerzij lag verbaasde ik me erover hoe gemakkelijk dit lag, hoe comfortabel, niet te zeggen: naturel. Normaal gesproken zou ik, als ik op mijn zij lag, toch meteen al het gevoel hebben dat mijn arm werd ingedrukt, in de weg lag eigenlijk, en dat mijn schouder verwrongen werd als het ware, maar niets van dat alles nu. Op mijn linkerzij leek de prettigste houding die een slapende zich kon wensen. Tevreden met mezelf trok ik de deken nog wat verder over me heen en zocht in mijn hoofd de weg naar de stilte.
Totdat het steeds natter werd onder me. De matras raakte langzaam maar zeker doordrenkt van vocht, maar omdat de ziekenhuiszaal slecht verlicht was, kon ik niet zien wat dit vocht behelsde of waar het vandaan kwam. Ik richtte me op en haalde het topje van mijn wijsvinger langs de natte matras en proefde. Bloed.
Ik voelde met mijn rechterhand op de plek waar mijn linkerarm zou moeten zitten; het aanhechtingspunt, zeg maar.
Niets.
Er zat niets, zelfs geen stomp. Alleen een vleeswond. De linkerarm was perfect afgerukt, of afgezaagd, of in elk geval verwijderd, precies langs de naad waar de mouw aan een jasje genaaid is dat je als gegoten zit. Ik wilde gillen, maar slikte mijn gil in. Het leek me ongepast, het leek me dat ik in een veel eerder stadium had moeten gillen, namelijk toen ik mijn arm verloor, of meteen daarna, maar van dat trauma stond me niets meer bij.
Ik ging weer liggen, nu op mijn andere zij, om te voorkomen dat ik nog verder leegliep (ik begon me al licht in het hoofd te voelen van het bloedverlies, maar misschien was dit inbeelding), en brak me het hoofd over wat er gebeurd kon zijn.
Ik had geen pijn, dus ik zat onder de pijnstillers, vermoedde ik. Of ik kende geen pijn, dat kon ook, maar dat moest dan iets nieuws zijn, want het leek me sterk dat ik als kind geen pijn had gehad.
Was ik fabrieksarbeider en had een robot mijn arm aangezien voor een auto-onderdeel, en hem lomp van mijn romp gerukt? Of was ik het slachtoffer geworden van een motorongeval, waarbij ik onderuit was gegaan op de snelweg en zevenhonderd meter op mijn linkerschouder over het asfalt had geschraapt, genoeg om de hele arm weg te raspen, als parmezaanse kaas? 
Nee.
Morbide verzinsels. Waarom kon het niet 'gewoon' iets prozaïsch zijn?
Nee, bij nader inzien toch liever niet iets prozaïsch, maar iets tragisch.
Tragisch was beter, tragisch impliceerde een verhaal, en aangezien ik het leven zag als een rommelige aaneenschakeling van verhalen, zou dit betekenen dat ik nog leefde.
Het was gebeurd in een vreemd land, deduceerde ik uit het eenvoudige gegeven dat dit ziekenhuis in een vreemd land stond (dat dat zo was, leidde ik weer af uit de bewegwijzering en apparatuur die opgesteld was in, dan wel voorzien van, een mij onbekende taal). Fins? Baskisch? Welsh?
Vermoeiend, al dit deduceren, en ik kreeg er hoofdpijn van. Ik sloot mijn ogen en probeerde terug te keren naar het land van de slaap, dat alle mensenkinderen even vertrouwd is.
Dat was het moment (of het gebeurde uren later, dat kan ook, want als mij iets ontbeerde, dan was het een besef van tijd, in elk geval was het nog steeds niet licht, maar misschien werd het hier nooit meer licht), dat ik een klapdeur hoorde open zwiepen en zware voetstappen mijn kant op komen, iemand die op klompen liep, van die houten, met zo'n rubberen laagje eronder.