42. Nachtvlucht




Rutger E. Waterman, de man die vannacht in zijn eentje in een jumbo jet naar Zuid Afrika vloog, was behoorlijk tevreden over zichzelf. Hij had zijn zaakjes goed op orde.

In agenda's op tenminste twee continenten was zijn reis al lang geleden aangekondigd. Waterman komt, heette het in Kaapstad, en, dienovereenkomstig, heette het op de plaats van vertrek: Waterman gaat. Business natuurlijk. Waterman vloog al zijn hele leven business. Hij ging nog liever dood, dan dat hij economy vloog.

'Alles naar wens, meneer Waterman,' vroeg een van de twee stewardessen die was meegereisd. Ze droeg een blauw mondkapje. Alles bij elkaar leek ze nog het meest op een rechtstandige dolfijn. 

Waterman gaf geen antwoord, hij knikte alleen. Hij was in gedachten verzonken. Hij wenste eigenlijk niet gestoord te worden.

Waterman dacht na over de toekomst, in de context van het nu, met inachtneming van het verleden. De conclusie die hij trok had iets onvermijdelijks. Waterman hield van onvermijdelijkheden, hij was in feite een en al onvermijdelijkheid, onvermijdelijkheid was zijn handelsmerk.

De stewardess, Nancy heette ze, was alweer verdwenen.

Waterman keek opzij en drukte loom op het rode knopje.

Niet veel later keerde Nancy terug. 'Heeft u nog iets nodig, meneer Waterman?'

'Hoe laat is het, Nancy?' Hij vond het fijn om haar naam uit te spreken. Ze droeg niet voor niets een naambordje. Trouwens, zij noemde zijn naam ook. Het voelde vertrouwd. Alsof ze een relatie hadden, en die hadden ze natuurlijk ook.

Nancy keek op haar horloge. 'Vijf over half drie meneer... Verder nog iets?'

Waterman snoof. 'Liggen we op schema?'

'Voor zover ik kan beoordelen liggen we op schema, maar ik wil dat nog wel even checken met de gezagvoerder als u dat wilt.' Nancy liep weer naar voren, om zich in de ruimte bestemd voor de cabin crew te voegen bij haar collega.

Waterman vouwde zijn handen, knakte zijn knokkels en sloot glimlachend zijn ogen.

Hij dacht na over zijn missie. De urgentie ervan. Hoe onmisbaar zijn aanwezigheid was, zijn fysieke aanwezigheid, in Kaapstad. Hoe hij zich de facto en in principe niets gelegen had laten liggen aan welke beperkende maatregel opgelegd door wie dan ook.

Sommige mensen noemden dit vrijheid.

Anderen noemden het eigenzinnigheid.

Waterman noemde dit onverstoorbaarheid. 'In de grond ben ik een stoïcus,' zei hij graag plompverloren tegen mensen op feestjes, alvorens ander gezelschap op te zoeken.

Nadat Waterman een paar uur licht had geslapen, licht slapen was het niet eens, meer rusten en overpeinzen, zeer nuttige bezigheden want aan dromen had niemand iets, sprak een heldere stem uit de cockpit: 'Good morning Mr. Waterman, this is your captain speaking. How do you do? It's the first time in my career I am speaking from the flight deck to a single passenger. Let me tell you, we are really grateful you didn't cancel your flight. It's so wonderful to be flying again. For me as a pilot, can you imagine how redundant I have felt on the ground?'

Waterman geeuwde, strekte zijn armen uit en voelde in zijn knellende kruis een ochtenderectie opkomen. Hij opende een luikje. Het was nog steeds donker.