54. Een ellendig hoopje mens




Ja, ik was Wim kwijt, de afstandbediening. Wat wel vreemd is, want ik ben de enige die hem gebruikt en ik leef zo'n beetje op de bank. Dat ik nu even achter de computer ben gaan zitten om dit op te tikken, de oude vooroorlogse computer die ik eigenlijk nooit meer gebruik omdat ik 'dus' liever, nou ja, televisie kijk, is daaraan te danken. Als ik Wim de afstandbediening (naar mijn overleden broer) niet kwijt was geweest, had ik dit nooit geschreven, had ik u op deze manier niet deelachtig gemaakt van mijn bestaan, had u nooit geweten dat ik bestond!

Gut, ik wist niet dat het zo leuk was om te schrijven. Zo'n woord als deelachtig bijvoorbeeld, had ik nooit in mijn mond genomen (ik zou ook niet weten tegenover wie), maar als je gaat schrijven dan komt zulke taal vanzelf naar boven. Je moet er gewoon even voor gaan zitten.

Waar wil ik het over hebben? Nou ja, dat ik moet opruimen, om te beginnen. Dit is dus in de eerste plaats een brief aan mijn andere ik, de ik die wel eens opruimt. Of ooit, in een ver verleden, heeft opgeruimd. Kennelijk moet ik die ik, laat ik haar Via noemen (dan ben ik Syl) af en toe tot de orde roepen, anders ontstaat er dus een ongenadige puinhoop. Niet dat ik last heb van die puinhoop, dat is het gekke, maar ik voel 'dus' toch een behoefte om op te ruimen (of moet ik zeggen: ik voel de afkeurende blik van mijn moeder, dat zal het wel weer zijn, ook als is die wat is het dertig jaar dood, en van nog een paar mensen).

Had mijn leven er anders uitgezien als ik een man had gehad, of een vrouw, vraag ik mezelf dezer dagen nogal eens af. Waarom dezer dagen? Omdat ik meer nadenk over mijn sterfelijkheid, nou goed. Niet alleen omdat ik met mijn omvang tot de risicogroep behoor, maar ook omdat ik hartstikke ongezond leef, dat weet ik ook wel, dat is evident, en de genen uit mijn familie nou niet bepaald uitblinken in, nou ja, wat dan ook. Wij Brinkmannen leven gewoon niet lang. Daar blinken we in uit. Ik sta er eigenlijk al van te kijken dat ik nog leef. Ik had allang dood moeten zijn!

Zie ik het als een gemiste kans dat ik nooit een vaste relatie heb gehad en mezelf heb voortgeplant etcetera, zoals dat comme il faut is in de bourgeoisie (alweer zo'n woord, heerlijk, ik denk dat ik dit vaker ga doen, achter de computer kruipen, als ik de energie kan vinden en genoeg cola bij de hand heb om mezelf wakker te houden).

Nou nee, dus. (Ik moet oppassen met dat woordje dus, ik voel dat dat een stopwoordje is, een woord dat helemaal nix betekent. En ik moet trouwens ook spaarzaam zijn met haakjes.)

Ik heb nooit de behoefte gevoeld (daar ga ik weer) om mezelf te committeren, aan een man, vrouw, kind of zelfs maar aan een hond. Als ik een hond langs zie lopen, en geloof me, dat gebeurt vaak, het lijkt wel alsof de hele wereld een coronahond heeft (en wat moet er post-corona met die beesten gebeuren, nou, hè, worden ze dan allemaal afgemaakt? Dat bedoel ik.) Ik heb niet eens een kat. Ik zal je sterker vertellen: ik heb niet eens planten in huis! Ik heb één cactus, die Wim me eens geschonken heeft voor mijn zeventigste verjaardag, en dat vind ik qua levende organismen om mee samen te leven (ik tel de huismijten even niet mee), meer dan voldoende!

Wacht. Ik zie op de televisie dat er brekend nieuws is... ach gut, is dat het? En wat zou dat? Daarom zocht ik Wim, omdat ik van dat verdomde nieuwskanaal af wilde met al die beuzelarij. Ik wilde naar First Dates. Weet je waarom dat zo'n geniaal programma is? Omdat het glashard duidelijk maakt dat alleen de eerste date de moeite waard is! Daarna wordt het stomvervelend, een hersenloze herhaling van zetten...

First Dates bewijst het gelijk van de misantroop.

Hé jakkes, nou gooi ik een stapel papier om. Nou ja, het is niet dat iets uitmaakt, maar toch. Er zit post tussen vermoed ik, die ik nog niet open heb gemaakt. Een nieuwjaarswens van Lieke. Het vervelende is dat ik slecht bij de grond kan komen. Ik kan niet bukken en ik kan niet hurken. (Nooit geleerd, hèhè.)

Hoe moet het nou verder? Met alles? Goeie vraag. Waarom zou ik dat moeten weten.

Kijk, daar heb je die man weer die hier elke avond langsloopt, ik noem hem Gerard, naar mijn vader die ik nooit heb gekend (die was al weg voordat ik was geboren). Die Gerard loopt hier elke avond langs en spiekt door de luxaflex, hij denkt dat ik hem niet in de smiezen heb maar natuurlijk heb ik hem in de smiezen, dat ik niet opkijk vanaf de bank terwijl ik televisie kijk wil niet zeggen dat ik hem niet in de smiezen heb. Hij lijkt op mijn vader, tenminste wat ik van foto's heb. Misschien komt het door dat malle hoedje dat hij draagt... Waar is die foto? Die moet hier ergens zijn... Dat is zeker een minpuntje van deze opeenhoping van goederen, zoals ik het maar even zal uitdrukken, dat ik nooit iets kan vinden, maar ja, daar staat tegenover dat ik ook nooit hoef op te ruimen.

Wat zou ik kwijt moeten raken? Ik heb geen mobiel en mijn vaste telefoon zit vast, die gaat nergens naar toe. Geld wordt door mijn nichtje geregeld, Lieke, Wims dochter, die zorgt ook dat ik te eten krijg, echt een engel. Natuurlijk geloof ik niet in engelen, anders hadden die me wel geluk, liefde en weet ik wat bezorgd, geld en zo, macht misschien, maar ik geloof wel dat er mensen zijn, vooral vrouwen en meisjes trouwens, zorgverleners, die zo belangeloos hun zorgtalent over de zorgnemer uitstorten, dat je denkt: dit kan niet waar zijn. Waar komt dit vandaan? Waar heb ik dit aan verdiend? Ik kan u (lees: mezelf) uit de grond van mijn hart bekennen dat ik niets verdiend heb van wie dan ook, gewoon omdat ik nooit ene mallemoer heb uitgevoerd.

Zo, dat is eruit. Lucht op, schrijven. Dat moet toch wel een van de grote voordelen van schrijven zijn, dat je kunt cursiveren (maar volgens mij is het uit de mode).

Dat je gedachten verder kunt ontwikkelen dan: op Nederland 1 is nix, wat zou er op Nederland 2 zijn? Of: ik moet naar de wc, zal ik nu gaan of nog even wachten tot het reclameblok? (Trouwens, dit weet niemand, ik plas tegenwoordig in een urinaal. Ik kende het woord ook niet tot Lieke er een meebracht. Ik vind het nogal onsmakelijk woord, maar wie ben ik. Het ding bespaart me hele wandelingen, iedere dag weer.)

Lieke biedt wel eens aan om samen iets te kijken, maar dat sla ik meestal af. Ik heb het liefst dat ze meteen weer gaat als ze klaar is.

Ik schaam me toch.

Voor het ellendig hoopje mens dat ik uiteindelijk ben, in de ogen van velen (van Gerard in elk geval, de strenge blik die hij naar binnen werpt, waarom? Wat heb ik misdaan? Stoort het hem, dat ik mijn leven laat wegsijpelen, zoals een bad dat langzaam leegloopt? Wat kan hem dat schelen?)

Ach ja schaamte. Je raakt het niet kwijt. Elk weldenkend mens, Ria bijvoorbeeld, Wims vrouw, had gezegd, Syl, jij bent de schaamte allang voorbij. Als jij je nog schaamt, wat moet ik dan wel niet?

Overigens ben ik blij dat die Ria onder de zoden ligt.

Al die mensen die het allemaal zo goed wisten: dood.

Maar goed, ik dus, die absoluut geen cent te makken heb en die werkelijk over geen enkel zorgtalent beschik, dat juist ik zo uitstekend verzorgd word, om niet ook nog, ja, dat doet mij soms toch geloven dat sommige mensen engelachtige wezens zijn, anders kan ik het ook niet verklaren.

Ach, daar ligt ie, onder die pizzadoos op de salontafel. Maar goed ook.