43. Bescherm me tegen mijn nieuwsgierigheid

L. Verschuier (detail)

Ze brachten me naar het voordek. Het schip kraakte. Ik mocht mijn kleren aanhouden. Er werd een touw aan mijn enkels bevestigd en een touw aan mijn polsen. Ik was dus eigenlijk von Kopf bis Fuß auf Wasser eingestellt. Ik wierp een blik over de reling. Dat de zee kalm was, stelde me enigszins op mijn gemak, maar ik probeerde mezelf te behoeden voor optimisme. Er was absoluut geen reden om optimistisch te zijn, over wat dan ook.

Overal waren mensen, in sloepen, van heinde en verre waren ze komen kijken.

En toen? Dat zal ik je vertellen, als je er tegen kunt. Kun je er tegen?

Ze vroegen of ik wilde worden geblinddoekt. Het schijnt de ervaring iets dragelijker te maken, als je niet kan zien wat er gebeurt of te gebeuren staat.

Dus ik zei, ja graag, blinddoek me maar. Bescherm me tegen mijn nieuwsgierigheid.

Hetzelfde gold voor de spons die ze me aanboden, voor in mijn mond. In eerste instantie dacht ik, waar heb ik een spons voor nodig, waarom in mijn mond? Maar stel dezelfde vraag aan een barende vrouw.

Ik opende mijn mond, ze staken een oude, droge spons ter grootte van een ei in mijn mond. Het idee was dat ik daar nog wat lucht uit zou kunnen halen. Hoe dat werkt weet ik niet. Misschien werkt het niet. Sommige suggesties blijven vruchtbaar, ook al weet je dat je wordt voorgelogen.

Ben je er klaar voor?

Het was tijd voor de te water lating. Ik wist dat die niet zachtzinnig zou zijn, dat was onderdeel van de ervaring, maar ik schrok toch nog toen ik bruut overboord werd gesmeten. Die boeg is best hoog, ik schat toch zeker vijf meter, misschien zeven. Vanaf de boegspriet tien. Met een klap belandde ik in het ijskoude water.

Misschien was ook dit onderdeel van hun poging om de ervaring dragelijker te maken. Niet met beleid maar met geweld.

'Wees blij dat we je lichaam niet verzwaren met stenen,' hadden ze nog gezegd.

Ik heb niet gevraagd waarom dat mij blij zou moeten maken, en ik heb ook niet gevraagd waaraan ik deze gunst te danken had.

Ik heb helemaal niets gevraagd.

'Wees blij dat dit een nieuw schip is,' zeiden ze ook nog. 'Een betrekkelijk nieuw schip.'

Ik probeerde mijn hoofd boven water te houden, dat heb ik altijd geprobeerd en ik denk dat dat een loffelijk streven is. Door mijn neusgaten snoof ik lucht op, alle lucht die ik kon krijgen. Ik luisterde naar mijn eigen snuiven, ik luisterde naar paniek, nu al. Maar niet voor lang. Ik zag en voelde dat er beweging kwam in het touw waaraan ik vastzat. Het schip was over het touw heen gevaren, en nu werd het van de andere kant strak getrokken. Ik zou gaan duiken. Nee, ik dook al. Of duiken kon het niet worden genoemd, ik werd meegesleept, en niet door een verhaal, of het moest mijn eigen verhaal zijn.

Ik ging kopje onder, dieper en dieper. Naar het laagste punt.

Ik moest naar het laagste punt, dat wist ik, pas als ik daar was geweest kon ik weer omhoog. Maar hoe lang duurde dit nog?

Ik had me voorgenomen helemaal niets te doen. Alles wat ik zou doen kostte energie, waardoor ik meer lucht nodig zou hebben, lucht die ik niet had.

Ik botste met mijn schouder tegen de kiel van het schip, daarna draaide ik een kwartslag en mijn borstkas schraapte langs het hout. Ook al was dit een 'betrekkelijk nieuw schip', op de kiel hadden zich toch al wat schelpen en mosselen vastgeklonken, scherpe punten die in mijn rug (ik was weer gedraaid, ik draaide voortdurend om mijn as) krasten, in mijn buik, benen, kuiten, armen.

Ik verging van de pijn maar ik kon niet krijsen.

Ik troostte me met het idee dat de ijskoude zee mij enigszins verdoofde.

Ik beet op de spons, maar mijn beet werd al minder, ik deed er alles aan om hem binnen te houden, als hij mijn mond uit zou gaan was ik verloren, wist ik.

Mijn blinddoek bleef achter iets scherps haken en vloog af. Ik kneep mijn ogen dicht.

Mijn kleren scheurden, het leek alsof mijn hele lijf openscheurde, alsof mijn huid een krant was die aan flarden werd getrokken.

Ik probeerde mijn gezicht van de romp weg te houden, van alles weg te houden dat het kapot kon maken. 

Ik was nog niet eens op de helft want 'we' gingen nog steeds dieper, dacht ik.

Waar was het einde? Was er een einde?