De jobstijding

Carel Willink, De jobstijding

De vriend die als longpatiënt van middelbare leeftijd tot de hoogste risicogroep behoorde, belde. 'Ik heb het,' zei hij. 'Corona. Ik moet er nu ook aan geloven.'

Hij zei het niet zonder dat bijzondere gevoel dat met elke jobstijding gepaard gaat: de opwinding, trots bijna. Er gebeurt iets. Drama. En jij staat in het middelpunt.

'Weet je het zeker?' zei ik.

'Ik heb klachten. Lichte koorts, hoesten, keelpijn.'

'Dat kan toch ook een griepje zijn,' sprak de altijd weer drama-afremmende, naar gewonere oorzaken zoekende quasi-huisarts in mij (die de schrijver in mij soms in de weg zit).

'Het moet corona zijn,' zei de vriend. 'Een paar dagen geleden kwamen vrienden van ons eten en toen kregen we later het bericht dat een van hen positief getest was. Verder heb ik niemand gezien. Willen jullie boodschappen voor ons doen?'

A. bood aan boodschappen te doen, nog voor diezelfde avond. Misschien zouden we wel de komende twee weken boodschappen voor ze moeten doen. Of nog langer.

'Zal ik wat lekkere wijn voor ze kopen?' vroeg A.

Ik zei dat ik de wijn zou kopen die zij gewend zijn te drinken.

Die avond en nacht dachten we na over de vriend en zijn vrouw, hoe tragisch het zou zijn als uitgerekend hij aan deze k-pidemie ten onder zou gaan. De man die zo voorzichtig was, die al maanden niet meer zijn huis uitkwam en die longkanker had overleefd en die, nou ja, een vriend was.

Een dag later kwam het bericht dat hij en zijn vrouw zich hadden laten testen en dat ze het niet hadden. Fake news.