Partiëel drooggelegd



Ik was in de Albert Heijn op de Rijnstraat – dezelfde die in Rob van Essens laatste verhalenbundel, Een man met goede schoenen al in het eerste verhaal genoemd wordt (in De goede zoon figureerde dit filiaal ook al op de eerste pagina, er kan langzamerhand gesproken worden van Albert Heijn-literatuur, al hoewel de lezer natuurlijk niet kan weten  w e l k e  vestiging op de Rijnstraat; er zijn er twee) – om een pak melk te kopen.

Het was tien voor tien 'in de avond'.

Dit klinkt omineus, zo van: het was vijf voor twaalf, en zo voelde het ook. Er waren weinig mensen in de zaak. Als dit een verhaal van Rob van Essen was, zou de ik-persoon waarschijnlijk de enige zijn geweest (en wellicht was hij gekomen voor geitenmelk maar dat weet ik niet zeker).

Enfin, om met Martin Bril te spreken. (Martin wie? Kunnen we ons nog herinneren hoe we om diens dood hebben getreurd? Ik wel, hoewel ik niet om zijn dood treurde.)

Ik begaf me naar de zuivelgang. (Mooie romantitel, Zuivelgang. Iets voor Marieke Lucas Rijneveld, maar ik dwaal hinderlijk af, merk ik zelf nu ook.)

Wie schetst mijn verbazing? 'Dan zal ik het zelf maar doen' (dit moet een Toon Hermans-grapje zijn geweest, of, als hij dit grapje nooit gemaakt heeft, had hij het moeten maken. Met zijn pretoogjes erbij was het misschien nog wel leuk geweest ook, op een Toon Hermans-manier dan.)

Landbouwplastic. En niet een beetje. Een hele muur, het zicht en de lust ontnemend, maar niet geheel de toegang versperrend, tot De Drank. 

Aha, de partiële drooglegging in de praktijk.

Dat ik dit nog mag meemaken.

Ik haast mij met mijn melk naar de zelfscan-kassa.