69. De theedrinkers en de teststraataffakkelaars




Het moment waarop je niet meer meegeeft, maar weerstand biedt, het moment waarop je in opstand komt, woedend wordt, niet meer constructief denkt, maar destructief, het punt waarop alles kapot moet, waarop je niet meer zoekt naar begrip, maar naar confrontatie, conflict, crisis, als het maar met een c begint... 
Natuurlijk, alles was in orde, aanvankelijk, totdat het niet meer in orde was, totdat alles ging schuiven, alles tegen elkaar inging... je wilde botsen in plaats van jaknikken, beuken in plaats van neuken, nee, ik bedoel je wilde beuken èn neuken, wat zeg ik nu allemaal, je wilde meedoen en dwarsliggen, je wilde braaf zijn en in opstand komen, je wilde het eens zijn met iedereen en tegelijkertijd iedereen de vinger geven. Zei ik dat? Ja dat zei je, maar je meende het niet, je wilde alleen maar opruien, je bent een opruier, geen bouwer. Je denkt niet in termen van gemeenschappelijkheid, je bent een egoïst, een egomaan, een selfkicker, je doet maar wat en ondertussen zitten wij met de gebakken peren, wij hier, de achterblijvers, die het beste met je voorhebben, die je willen tegenhouden, die op je verstand willen inpraten, die je willen dwingen de dingen van de zonnige kant te bezien, terwijl we weten dat jij wilt doden, neermaaien. wegvagen; zou het echt zo zijn dat dat in ons zit, dat we dat periodiek moeten uiten, onze agressie, onze opgesloten bitterheid, onze spanning, dat die beperkende kracht van de beschaving niet meer werkt, dat onze ware aard naar boven komt, wat zeg ik allemaal, ik hoor daar niet bij, ik hoor bij de beheersten, de mensen die zich in kunnen houden, de kalmen, de rationelen, de verstandigen, niet de idioten, de impulsieven, de moordenaars. Ja, zou het zo simpel zijn, dat de mensen die zichzelf niet in kunnen houden, dat dat de potentiële moordenaars zijn, de slopers, de beulen, terwijl zij die rustig thuis blijven, die achter hun veilige vensterbank de krant doornemen en alleen maar lezen over die anderen, die die anderen helemaal niet kennen, nooit met hen te maken hebben gehad, dat er een morele kloof tussen die twee groepen bestaat, die twee groepen die eigenlijk een culture war met elkaar uitvechten, telkens weer, de begripvollen en de beukers, de theedrinkers en de teststraataffakkelaars, de voorzichtigen en de stenengooiers, de zachtaardigen en de politieauto-omdraaiers, de redelijken en de extremisten, het is aantrekkelijk om te denken dat die twee in een ziel huizen, maar dat doen ze niet, de een bevindt zich in de ene dimensie en de andere in de andere, het is absolute polarisatie, totale wederzijdse ontkenning, de machtigen en de machtelozen, zou het zo simpel zijn?