68. De oorbel




De vrouw die de oorbel had of was verloren, op straat, waarschijnlijk bij het afstappen van haar fiets om pakketjes te kunnen bezorgen, iets dat ze niet deed uit liefde, maar uit noodzaak, had de oorbellen van haar dochter gekregen; dezelfde dochter, die bij haar vader woonde en die kapster wilde worden (hoewel ze droomde van een bestaan als beautyvlogger), en die haar moeder graag gelukkig zag.
Met de oorbellen was er sinds tijden weer een glimlach op het gezicht van haar moeder verschenen. Het was, zoals bij elk geschenk, niet helemaal duidelijk of de glimlach kwam van de oorbel zelf of van de daad van het geven, maar wat maakte dat uit?
De hoogbejaarde man die de oorbel van de stoep raapte, hoorde eigenlijk thuis in een zorgcentrum – het woord alleen al – maar hij hield koppig vast aan zijn bestaan als alleenstaande in de stad. Uiterst traag, als een slak, in zijn smoezelige pak, bewoog hij zich voort door de straten, terwijl het verkeer om hem heen raasde. Niet zelden werd hij met onbeschoftheden om zijn oude, verkreukelde oren geslagen; zijn hardhorendheid was in zulke gevallen een zegen.
De man bukte voorover om de wandelstok te pakken die hem was ontglipt bij het naar binnen gaan, en toen viel zijn oog op de oorbel. De oorbel was een klassieke oorbel, dat wil zeggen: hij zag eruit als een oorbel. En er zat overduidelijk een pin aan die door een gat moest dat in het oor zat. Een pervers, maar onmisbaar detail.
De oorbel had een gouden kleur, maar kon onmogelijk van goud zijn, overpeinsde de man, hoewel hij niet begreep waarom. Hij ging ervan uit dat in zijn buurt geen gouden oorbellen op straat rondslingerden; in al die jaren dat hij hier woonde had hij nog nooit zoiets meegemaakt.
De oorbel triggerde bij de oude man twee gedachten, of eigenlijk herinneringen (maar alle gedachten zijn herinneringen, of herinneringen aan gedachten). De eerste was de gedachte aan de zinloosheid van de oorbel. Aan één oorbel had je niets, en hij al helemaal niet, want hij droeg geen oorbellen, nooit gedaan ook. Hij zag wel eens mannen rondlopen met een oorbel maar zelden had dat bij hem een positieve sensatie teweeggebracht. Waarom had hij hem dan toch met behulp van zijn zakdoek opgeraapt en in de zak van zijn versleten broek gestoken?
Toen de man zijn jas had uitgedaan, thee had gezet voor zichzelf en A.E. – dat was een oud grapje van hem, maar hij schonk wel degelijk een tweede kopje in –, diepte hij de oorbel op uit zijn broekzak en bekeek hem nog eens nauwkeurig. Toen kreeg hij de tweede gedachte. Hij moest denken aan een haiku-achtig mini verhaaltje van de wonderlijke en wonderlijk genaamde Deense wetenschapper en schrijver Piet Hein, dat ongeveer als volgt ging: het is vervelend om een handschoen kwijt te raken, maar nog vervelender is het om hem terug te vinden nadat je de andere overgebleven handschoen hebt weggegooid.
Twee dagen later werd er aangebeld bij de oude man door de vrouw die de oorbel was kwijtgeraakt. Ze was zo gehecht aan de oorbellen, dat ze daadwerkelijk alle huizen op haar route was afgegaan, om te vragen of iemand misschien iets had gevonden.
De man zei niets, liet haar eindeloos wachten op de stoep, verdween tergend langzaam en kwam toen net zo langzaam weer te voorschijn.
Hij overhandigde haar de oorbel.
De vrouw dankte hem uitvoerig en overhandigde hem zijn post.