65. De bron van mijn eenarmigheid (slot)




Een paar dagen later zat ik in een kale ruimte met een wit vel voor mijn neus. Ik moet zeggen dat ik helemaal geen last meer had van mijn arm. Mijn lichaam had de nieuwe arm niet als een vreemd object afgestoten. Integendeel, niet alleen de spieren waren mooi aangesloten, de aderen en de zenuwen, maar ook de huid. Er viel niets meer aan die arm te zien. Geen hechtingen. Zelfs geen litteken.
Wat belangrijker was, hij voelde vertrouwd. Hij deed wat ik wilde. Als ik hem wilde optillen, dan ging hij omhoog. Als ik mijn elleboog opzij wilde bewegen, als een kippenvleugel, dan gehoorzaamde hij eveneens. Ook de bewegingen die ik met mijn oude linkerarm (raar om van mijn oude linkerarm te spreken, het lijkt alweer zo lang geleden dat ik daarover beschikte) niet kon maken, zoals achter mijn rug om met opgestoken duim tussen mijn schouderbladen krabben, iets waaraan ik op dit moment erg veel behoefte had omdat het daar nogal jeukte, kon ik met de nieuwe niet maken. Maar de grote vraag was natuurlijk of er op het witte vel papier een verschil merkbaar zou zijn.
Het verschil zat hem niet zozeer in de arm, als wel in de vingers. Dexterity. Vingervlugheid. Fijne motorische vaardigheden.
De DZN (dokter zonder naam) had me drie potloden gegeven, in verschillende hardheid; dat niet alleen, hij had erbij gezegd: Dit zijn potloden speciaal voor linkspoten. Succes Fabricius, je kunt het!
Ik wist niet eens dat er voor linkspoten speciale potloden bestonden, maar ik wilde het graag aannemen.
Het enige dat ik zeker wist was dat mijn oude ik niet kon tekenen, en zeker niet met links want ik was rechts. Ik had het vaak genoeg geprobeerd, want het leek me heerlijk om te kunnen. Alle grote kunstenaars waren in de eerste plaats tekenaars, ze waren allemaal, zonder uitzondering, begonnen met tekenen, omdat er zo weinig voor nodig was. Tekenen lag het dichtst bij schrijven, daar was ook al zo gekmakend weinig voor nodig, en tegelijk was er zoveel voor nodig om iets te maken dat de moeite van het lezen waard was.
Ik keek nog eens om me heen, en werd zowaar bevangen door een zekere mate van faalangst. Waar was dat voor nodig?
In alle hoeken van de ruimte hingen videocamera's; recht voor me hing er een die meebewoog met mijn linkerhand.
Hallo? zei ik. Dokter? Mag ik al beginnen?
Alweer zo'n vraag die uitblonk in zwakzinnigheid, maar ik had hem al gesteld.
Natuurlijk mocht ik beginnen, ik had allang kunnen beginnen, ik had al klaar kunnen zijn.
Fabricius je mag beginnen, luidde dan ook het antwoord van de dokter door een onzichtbaar speakertje. Nogmaals succes Fabricius, er is geen enkele reden om nu te talmen, ga er voor. Leef je uit! We zijn erg benieuwd naar je productie!
Alles mag! hoorde ik de assistent er nog achteraan kraaien (het leek wel alsof ze bij die aansporing op haar klompjes stond te dansen). En verdomd er werd weer muziek opgezet. Of nou ja, muziek. Piepjes. Die elkaar ongeveer synchroon met mijn hartslag opvolgden.
Wat waren dit voor lui? Wat was dit voor experiment? Voor welk karretje had ik me nu weer laten spannen?
Goede vragen inderdaad, maar alweer: nogal laat om ze te stellen.
Ik had geen pijn, er was geen bloed, dus ik moest niet zeuren.
Ik kuste mijn linker bovenarm, bovenop de biceps, als om hem geluk te wensen, met mijn linkerhand pakte een medium hard potlood en begon.