63. De bron van mijn eenarmigheid (II)




Een felle lamp ging aan. Ik knipperde met mijn ogen en hield mijn hand, de rechter, de hand die ik nog had, omhoog tegen het licht om beter te kunnen zien wie er bij mijn bed stond.
Zo meneer Fabricius, hoe maakt u het, hoor ik de dokter zeggen met een zware basstem in het Engels, u zult wel uitgeput zijn, u ziet er ook belabberd uit als ik zo vrij mag zijn...! Maar dat kan ook haast niet anders. Ik zal u zo wat geven om uw levensvreugde enigszins terug te brengen en u te prepareren voor de operatie! Dat gaat allemaal goed komen, mijn vriend!
De dokter boog zich voorover naar de plek waar ooit mijn linkerarm zat, en nu alleen lucht was, en op het aanhechtingspunt een rozerode, inmiddels gelukkig iets verder opgedroogde wond. Zijn grote, pokdalige neus bevond zich bizar dicht op mijn huid. Het leek of hij even snoof maar dat zal wel niet zo zijn geweest – waarom zou hij hebben gesnoven?
De dokter wierp een blik op het bloed waarin ik baadde, althans waarmee de matras waar ik op lag doordrenkt was, voor het grootste deel overigens min of meer opgedroogd.
Ah, ik zie dat u wat bent gaan bloeden, meneer Fabricius, daar kijken we zo even naar, maakt u zich geen zorgen, bij het afnemen van een arm wil er nog wel eens wat bloedverlies optreden, niets om van wakker te liggen!
Met een onsmakelijk geluid maakte hij met zijn tong zijn ondertanden schoon, terwijl hij zijn beide borstelige wenkbrauwen optrok. Een tic, dat kon net anders, en het leek wel of ik die tic eerder gezien had.
Draait u zich even op uw buik, dan krijgt u van mij de zetpil. Hij zei het op een toon alsof hij me een cadeautje aanbood, een cadeautje omdat ik zo braaf was geweest.
Omstandig begon hij in de binnenzak van zijn witte jas te zoeken, en toen hij daar niets vond, ging hij zijn beide buitenzakken af. Ah, daar was de zetpil, ongeveer ter grootte van een kievitsei. Hij hield hem tussen wijsvinger en duim en liet hem even aan mij zien.
Is dit hem? vroeg ik, overbodig. De meeste vragen in het leven zijn overbodig, maar deze was wel een van de overbodigste.
De dokter knikte.
Heel langzaam, omdat elke beweging pijn deed, draaide ik mezelf op mijn buik; de losgewerkte dekens draaiden mee waardoor mijn onderstel bloot tevoorschijn kwam.
Door mijn samengeknepen ogen bekeek ik de dokter, ik probeerde hem zo neutraal mogelijk te bekijken. Hij was een groots opgezette man, ik kan niet anders zeggen, dus een fors postuur, brede, zwaar behaarde armen (dat zag ik omdat hij de mouwen van zijn witte jas had opgestroopt), en, dit was toch wel opmerkelijk te noemen, want ik had nog nooit eerder zoiets gezien, althans niet bij een dokter: dreadlocks. Deze dokter had dreadlocks, vrij lange zelfs, ze reikten minstens tot zijn tepel, dreadlocks die bij elke beweging van zijn hoofd om hem heen zwiepten als een koeienstaart om de vliegen te verjagen.
Hoe heet u eigenlijk, wist ik er nog uit te persen. Wilt u me dat vertellen.
Wat doet dat ertoe, kaatste de dokter buiten mijn zicht de vraag terug. Te oordelen naar het geluid deed hij zalf of crème of een glijmiddel op de zetpil. Ik kan Jansen zeggen. Of Pietersen. Of Johnson of Peterson. Of Yun Son of Pi Ta Sun. Welke naam vindt u het prettigst?
Ik wil gewoon weten hoe u heet, dat is toch niet zo'n moeilijke vraag? Er zijn moeilijkere vragen te bedenken, zoals bijvoorbeeld: waar is mijn arm gebleven?
Op dat moment voelde ik hoe mijn billen uit elkaar werden gehouden en de zetpil ter grootte van een kievitsei rectaal werd ingebracht. De anale introductie, om het zo maar te noemen, viel me niet mee, maar ook niet tegen. Er waren beslist ergere dingen.
Ik kom over twintig minuten terug, meneer Fabricius, zei de dokter die alweer op weg was naar de klapdeurtjes waardoor hij naar binnen was gekomen. Probeer uzelf een beetje te ontspannen!