55. De man die elke achtentwintig jaar een vrouw van achtentwintig trouwde




Otto Bennewitz, rechtenstudent te Bern, trouwde op zijn achtentwintigste met de achtentwintigjarige Lucette. Tijdens de huwelijksnacht zei hij: 'Over achtentwintig jaar trouw ik opnieuw met een achtentwintigjarige.' Lucette kon dit onmogelijk serieus nemen, aangezien haar man net nog eeuwige trouw had beloofd, en wat al niet. Misschien is hij dronken, dacht ze. En: ik zal hem zo aan me binden dat ik over achtentwintig jaar onmisbaar ben.

Hun huwelijk, gekenmerkt door de typische ups en downs, verliep naar volle tevredenheid van beide echtelieden. Vlak voor hun achtentwintigste trouwdag echter kondigde Bennewitz, hij studeerde nog altijd rechten, in een onderhoud aan de keukentafel zijn vertrek aan.

'Wat is er aan de hand,' vroeg Lucette verbijsterd, 'wat doe ik fout? Otto! Hou je dan niet meer van me?'

'Jawel,' zei Bennewitz, 'maar ik wil met Charlène trouwen, en aangezien je naar de letter van de wet, en ook naar de geest trouwens, maar met een vrouw tegelijk getrouwd kunt zijn  – wie die wet verzonnen heeft zou met een zware kei aan zijn poten in het Meer van Genève moeten worden afgezonken – moet ik bij je weg.'

'Wie is Charlène?' vroeg Lucette.

'Een vrouw van achtentwintig,' zei Bennewitz, toch nog verlegen. Hij voegde er na een stilte aan toe: 'Zeg niet dat dat als een verrassing komt.'

'Ze trouwt je natuurlijk om je geld.'

'Ik heb geen geld, dat weet je.'

'Het lijkt alsof je het hebt, dat is het probleem.'

Bennewitz trouwde met Charlène. Zij was inderdaad achtentwintig; hij was zesenvijftig. Aan die logica viel niet te tornen.

Het was weer een mooie bruiloft, al waren er een derde minder gasten dan bij Bennewitz' eerste huwelijk.

Aan het ontbijt, op de eerste dag van hun huwelijksreis, zei Bennewitz: 'Ik hou van je, dat weet je, anders was ik niet met je getrouwd, en jij ook niet met mij, maar weet dat ik over achtentwintig jaar met een achtentwintigjarige zal trouwen.'

Charlène was op de hoogte van zijn reputatie, die hem vooruit gesneld was.

Bennewitz kuchte. 'We moeten trouwens eerst nog maar eens zien of ik het haal. Misschien ben ik voor die tijd allang de pijp uit en dan is het dus lood om oud ijzer. Maar ik wil het wel graag hier en nu gezegd hebben, dat je niet voor verrassingen komt te staan. Als ik ergens een hekel aan heb is het hypocrisie.'

Charlène vergat de deadline, want het huwelijksleven met Bennewitz was aangenaam. Natuurlijk, er waren ups en downs, maar de ups overheersten.

Nu had Bennewitz aan een van zijn vrienden, Markov, verteld over zijn obsessie met achtentwintig. Met jeugdige schoonheid, enzovoorts, had het weinig van doen. Achtentwintig was volgens hem een perfect getal. 'Acht plus twee is tien,' zo legde Bennewitz uit aan Markov, alsof hij een belangrijke kosmologische ontdekking had gedaan.

'Dat kan ik nog volgen,' glimlachte Markov, van huis uit wiskundige. 'En verder?'

'Achtentwintig is twee keer veertien, vier plus 1 plus vier plus 1 is ook tien.'

'Prachtig,' zei Markov. 'Ik ben onder de indruk.'

'Dit is nog niet alles. Achtentwintig is zeven keer vier, zoals je weet. Zeven plus vier is 1 plus... nou, zeg het zelf maar?'

'Tien.'

'Juist. Dus moet het kloppen.'

Markov schudde zijn hoofd in ongeloof, maar hij protesteerde niet. Wat het ook was dat een mens gelukkig maakte of een gevoel van volmaaktheid schonk, al was het quatsch, het deed er niet toe. Geluk was een ongrijpbaar iets; volmaaktheid bestond al helemaal niet, zelfs niet in de getallenleer. Je had perfecte getallen, maar dat was semantisch. Priemgetallen kon je ook zo noemen.

Het huwelijk met Charlène liep ten einde. Zij naderde de zesenvijftig, en hij de vierentachtig. Bennewitz riep zijn vrouw bij zich. 'Ik moet helaas van je scheiden.'

'Waarom in hemelsnaam Otto! We hebben het zo goed!'

'Dat kan wel wezen, maar ik ga trouwen met een vrouw van achtentwintig.'

'Wie is die vrouw dan, waar heb je haar vandaan?'

'Ik heb zo mijn adresjes. Je weet dat vrouwen nog altijd, hoe geëmancipeerd ze ook zijn, omhoog kijken, althans qua leeftijd, en mannen omlaag. Dus.'

'Ik haat het als je dus zegt. Dus is geen zin.'

'Sorry.'

De achtentwintigjarige vrouw die er kennelijk geen bezwaar tegen had om met de hoogbejaarde Bennewitz te trouwen, heette Sonja. De bruiloft was wederom geslaagd, hoewel er nu nog maar eenderde van de mensen aanwezig was van Bennewitz allereerste huwelijk (een deel was via natuurlijke weg afgevloeid, het was niet alleen maar onmin). Bennewitz voorvoelde dat het geen zin had om Sonja te waarschuwen dat hij over achtentwintig jaar met een achtentwintigjarige zou trouwen, dus waarschuwde hij haar niet, en zijn voorgevoel bleek juist, want na tien jaar, op vierennegentigjarige leeftijd, verslikte hij zich in een kaasstengel en stierf niet lang daarna.

Op zijn begrafenis waren alle vrouwen aanwezig die op hun achtentwintigste met Bennewitz waren getrouwd. Ze konden het goed met elkaar vinden, nee: ze bleken een magische connectie met elkaar te hebben.

Enige wrok ten aanzien van Bennewitz bleek hen allen vreemd.

Lucette, vierennegentig en opmerkelijk vief, was altijd alleen gebleven, omdat ze niemand was tegengekomen die kon tippen aan Bennewitz.

Charlène was zesenzestig en zag er nog goed uit, om niet te zeggen dat ze bijzonder sexy en aantrekkelijk was, voor elke leeftijd en sekse. De man met wie ze na Bennewitz was getrouwd, was aan een hartaanval overleden en nu had ze het aangelegd met Sonja, de kersverse Bennewitz-weduwe, achtendertig jaar jong. Trouwen deden ze niet, dat vonden ze niet nodig.

En Markov? Die had in zijn grafrede Bennewitz' getallenleer uit de doeken gedaan; om 's mans domheid hadden alle aanwezigen hartelijk moeten lachen.