53. De moffenhoer




Toen Alice Turkenburg met een mandje de deur uitging om bij de kruidenier boodschappen te doen, werd ze gevolgd door twee opgeschoten jongens van een jaar of zeventien, achttien, die geen enkele poging deden om onopgemerkt te blijven. Ze wezen naar haar, lachten, en riepen naar een groepje mannen dat op een bankje aan de waterkant zat te roken: 'Moffenhoer!'

De mannen op het bankje lachten terug en riepen, bijna in koor: 'Neem haar te grazen!'

Alice versnelde haar pas. Ze zette het, toen de jongens achter haar ook sneller gingen lopen, op een drafje. Uitgeput kwam ze aan bij Vanenkamp. Gelukkig gingen de jongens niet achter haar aan de winkel binnen.

Er was een oudere dame in de zaak en een klein meisje. Het was niet duidelijk of het meisje bij de dame hoorde; Alice dacht van niet. Het meisje leunde met haar voorhoofd tegen de vitrine met de koekjes.

'Goedemiddag,' zei Alice tegen de forse man achter de toonbank. Ze durfde hem niet aan te kijken.

'Juffrouw Turkenburg,' zei Vanenkamp, terwijl hij plakjes vlees sneed. 'Wat doe je hier?'

'Nou, ik eh...'

'Je weet toch dat ik niet aan een moffenhoer verkoop?'

Ze kromp ineen. Het was onmogelijk om de kwetsende werking van dit woord uit te schakelen, hoe vaak ze het ook had gehoord.

'O,' zei de dame, zich tot Alice richtend. 'Kijk me eens aan.'

Heel langzaam, als een geslagen hond, draaide Alice haar gezicht een klein stukje naar de dame.

'Je moest je schamen. Heb je dan helemaal geen gevoel van eer?'

Vanenkamp pakte het stapeltje vlees dat hij had gesneden in en overhandigde het aan de dame. 'Je kunt maar beter gaan,' mompelde hij tegen Alice.

'Maar ik heb boodschappen nodig!' protesteerde ze, haar stem verheffend.

Vanenkamp reageerde niet. De dame keek haar een tijdje aan, als een stuk vuil, en diepte toen een gifgroene appel uit haar tas. 'Hier, helemaal voor jou alleen. En nu wegwezen.'

Alice liep zijwaarts, als een kreeft, de winkel uit. Het meisje voor de snoepvitrine staarde haar van opzij aan met een vragende, meelijwekkende blik.

Zo laag ben ik gezonken, dacht Alice.

Op straat knipperde ze tegen het licht, de zon was doorgebroken, de jongens die haar hadden gevolgd waren nergens te bekennen.

Via een andere weg liep ze terug naar huis, en nam een hap van de appel. Ze genoot niet zozeer van de zure smaak, als wel van het krakende geluid dat hij maakte.

Ze dacht aan Werner. Ze was precies een keer met hem naar bed geweest – of niet eens naar bed trouwens.... Ze straalde inwendig van trots. Hij was een mof, daarover bestond geen twijfel, maar hij was grappig en hij zong liedjes voor haar. Toen hij een week eerder op de trein was gestapt naar Leipzig, had ze hem een brief meegegeven, die hij pas mocht openen als hij in Duitsland was. In de brief had ze geschreven dat zijn geur haar gelukkig maakte, en dat ze nog nooit zulke originele complimenten voor de kleren die ze maakte had gekregen dan van hem. Ze had ook een adres van een vriendin in de brief gezet waar hij haar veilig kon terugschrijven.

Alice voelde de opwinding in haar buik bij het idee aan Werner en van hem een brief te ontvangen, die ze na lezing onmiddellijk zou verbranden.

Ze gooide het klokhuis van de appel in de gracht.

Vanachter een stroomhuisje doken de twee jongens weer op. Ze werden vergezeld door een van de mannen die op het bankje had gezeten. Het was een gecoördineerde actie. De jongens namen ieder een arm van Alice beet en de man dwong haar achter het stroomhuisje op de stoep op haar knieën. Vliegensvlug haalde hij een scheermes tevoorschijn en zette het in haar haar. Op de grond stond een emmertje met sop. Hij ging niet bepaald zachtzinnig te werk. Hij trok, raspte en sneed.

Ze gaf geen kik, ook niet toen ze bloedde. Ze stribbelde niet tegen. Niet omdat ze geen pijn had, maar omdat ze haar belagers geen respons gunde, geen emotie, geen menselijkheid.

Haar moeder had haar gewaarschuwd. Om die reden was ze twee weken na de bevrijding binnen gebleven. Ze had niet mee gefeest, ze had ondergedoken gezeten. 

Bij het zien van de plukken, lokken, strengen haar die als afgerukte bloemen op de grond vielen, dacht ze: ik ga kort Amerikaans proberen. Werner hoeft het niet te weten. Of: ik schrijf hem wat hij ervan vindt. Een kort kapsel, à la Carole Lombard... Over haar hebben we het nog gehad nota bene, hij kende haar favoriete actrice!

Toen de man klaar was en haar zwijgend op de stoep had achtergelaten, raapte Alice haastig haar eigen haar bij elkaar en deed het in haar mandje. Huilend, ingehouden gillend rende ze naar huis en vloog de trap op. Gelukkig was alleen opa er, die zat in zijn vaste stoel te dutten.

Ze durfde niet in de spiegel te kijken. Dat zou ze dagen, weken proberen niet te doen. Ze waste haar hoofd in de keuken en zocht een rood mutsje op zolder, dat ze die winter nog gedragen had.

Een vreemd gevoel. Een prikkende bescherming. Het zou wennen, het wende nu al.

Ze opende het slaapkamerraam en stak een sigaret op van haar moeder. Het was nog steeds heerlijk weer. De wereld lag er nog steeds hoopvol bij.