48. Aksel (III)

Claus Johansen



Het was half elf en donker, Aksel zat nog steeds in de auto voor zich uit te staren. Martin Sonnergaard, zijn doelwit, het brandpunt van zijn jaloezie en frustratie, was een paar minuten geleden naar binnen gegaan met zijn witte wijn en zijn boek. Hij was opgestaan van zijn bankje, en krom – hij liep krom, o ja, dat was waar ook, maar over dat gebrek had zij zich heen kunnen zetten; anderzijds was hij, Aksel, ook niet zonder gebreken, denk alleen al aan zijn kalknagels), zijn huis in gesukkeld, het huis dat hij met Aksels ex bewoonde, en bij tijd en wijle, de helft van de tijd om precies te zijn, zijn dochter Luna.

Wat las Martin Sonnergaard?

Een vraag die geen mens op de wereld iets interesseerde, afgezien van Sonnergaard zelf, maar hij werd van het allergrootste belang voor Aksel. Met de titel van het boek stond of viel zijn missie, daarvan was hij overtuigd. Het was het enige wat er nog toe deed.

Hij ging rechtop zitten. Dit was wat hij zou gaan doen. Hij zou rustig het huis binnengaan – de deur in deze contreien stond gewoon open, aan sloten deden ze niet; nee, sloten werden zelfs uitermate bourgeois gevonden, kinderachtig misschien zelfs, want bezit was volstrekt arbitrair en inwisselbaar – en op de verschrikte reactie van Martin Sonnergaard zou hij glimlachend hebben gezegd: 'Hej, ik kom even het springtouw van Luun brengen... Je weet toch dat ze niet zonder kan?'

Hij zou daarbij zijn tas met moordwerktuigen omhooghouden en er het touw uitvissen en het omhooghouden voor Martin Sonnergaard, de afpakker van zijn vrouw.

Waarschijnlijk zou Sonnergaard hierop vreemd opkijken toch wel, wat was dat voor iets raars, de kersverse ex van zijn vrouw die op maandagavond onaangekondigd langswipt, op de avond nog wel, wisten ze allebei, die heilig was voor haar?

Maar ja goed, emotioneel turbulente tijden, wederzijds begrip enzovoorts... Hej Aksel, ben jij daar.

Ja, ik dacht ik kom maar meteen even langs om het te brengen, je weet dat ze vroeg op staat, en touwtje springen is dan iets dat ze graag doet. Dat weet je toch?

Daarna zou hij vragen, Aksel, zijn hoofd een kwartslag draaiend om het omslag beter te kunnen ontcijferen: Martin. Wat lees je.

Wat ging Aksel dat aan, wat Martin las?

Als hij rustig gehoor zou geven aan de vraag, als hij rustig zou antwoorden wat hij las, dan –

Tevreden over zijn actieplan hees Aksel zichzelf uit de auto, pakte de tas met benodigdheden (THE PIZZA GOD stond er op de zijkant, hij kon een grinnik niet onderdrukken) en duwde de portier zachtjes dicht. De vogeltjes waren eindelijk opgehouden met tsjilpen, maar goed ook anders had hij ze een voor een tot zwijgen moeten brengen, en er was geen verkeer meer.

Aksel luisterde naar zijn eigen voetstappen, knisperend, piepend.

De avond was gevallen. Ja, hij viel echt. Als het doek in een theater. Aksel voelde zich geborgen in de duisternis, Aksel, hij had de mensen, zoals zijn vrouw, nooit begrepen die angst voelden voor het donker, hij voelde zich juist getroost. De dag was voorbij. Dat was één. De wereld werd kleiner. Twee. En drie was dat hij zich werkelijk gekoesterd voelde door het donker, als in een omhelzing.

Zij had daar niets van begrepen – een van de vele gebieden waarop hun gevoelens totaal uit elkaar liepen. Angst versus geborgenheid.

Toen hij voor het huis van de afpakker stond en opkeek naar het openstaande dakraam, waarachter zich zijn prachtige dochter bevond, de enige van wie hij nog kon houden, klopte zijn hart als een razende. Hij zou haar naam willen roepen, heel hard willen schreeuwen, zonder ophouden...

Aksel deed een stap opzik en keek door een klein vierkant raam dat, omdat het precies op ooghoogte zat, gemaakt leek voor bespionering.

Martin Sonnergaard zat op de bank in de ruime, ultramoderne woonkeuken. Abstracte kunst afgewisseld met oude filmposters aan de muur.

Het boek dat Martin aan het lezen was lag opengevouwen naast hem. Op dit moment was hij op zijn telefoon bezig.

Aksel pakte zijn telefoon, stelde scherp en nam een foto. Het geluid van de ontsluiting van een fake fototoestel verbrak de landelijke avondstilte. Aksel vloekte in gedachten. Nou ja. Vervolgens bekeek hij de foto die hij had gemaakt en zoomde in op het omslag van het boek op de bank.

Wraak