46. Aksel (I)

 Claus Johansen, Solnedgang


Er zat weinig anders op, vond Aksel, dan de man die zijn vrouw had afgepakt, want zo voelde het, zelf af te pakken.

Over de precieze details had hij niet goed nagedacht. Hij handelde impulsief. Dat voelde goed. De kick van de roekeloosheid.

Hij gooide wat spullen in een tas die hij zo gauw bij elkaar had gesprokkeld: een pizzasnijder, het springtouw van zijn dochtertje en een leeg sinaasappelnetje, en stapte in zijn auto.

Het was stralend weer, een fantastische zomeravond zoals die in dit deel van Denemarken maar zelden te beleven zijn: geen wolken, niet te heet, een warme gloed die, vooral later op de dag, als zomersneeuw over het landschap hangt. Alleen het oorverdovende getjilp, getrjip en gekwinkeleer van de verzamelde vogels werkte op zijn zenuwen.

In zijn spiksplinternieuwe elektrische auto voerde Aksel het adres in van het huis waar zijn vrouw en de afpakker van zijn vrouw waren ingetrokken: een huis aan een stille dijk aan de rand van de stad, en reed geruisloos weg.

Hij voelde de adrenaline naar zijn hoofd pompen. Hij sloeg met de palm van zijn hand op de rand van het stuur, uit ongeduld, uit woede.

Toen hij stilstond voor een stoplicht barstte hij in lachen uit, maar het was geen komisch lachen, het was de lach van de waanzin. Hij herkende die, maar zijn vrouw had hem het eerst herkend.

Je dacht zeker dat ik daartoe niet in staat was? gilde hij met overslaande stem tegen de vooruit. Je dacht zeker dat ik gewoon lekker op de bank ging zitten thuis, in ons huis, en mijn lot ging zitten aanvaarden, beetje mediteren, rouwverwerking, therapiesessietje of twee (daar zou jij dan op aansturen, nota bene) en dan weer de draad oppakken...

Dat dacht je zeker? Well, you'd be surprised! Hij spuugde de woorden uit. Het spuug zat op het dashboard.

Aksel trok pijlsnel op, maar minderde weer vaart toen hij een politie-auto zag naderen uit een zijstraat. Hij was sinds hij de elektrische auto had al een paar keer van de weg gehaald; het leek er op dat de Deense politie het sinds kort op auto's zoals die van hem gemunt had, dat ze van zijn soort een speciaal programma hadden gemaakt, een target.

Hij was dichtbij nu. Het was tien uur en nog licht. Hij wist dat zij niet thuis was. Het was maandagavond en op maandagavonden was ze bij haar vriendinnenclub in Århus. Dat was een traditie waarmee ze nog niet zou breken in tijden van oorlog.

Alleen Luna. Luna was een liability.

Luna was bij hem vanavond. Bij hem, for fuck's sake! Welk recht had hij, afpakker van zijn vrouw, om ook nog zijn dochter af te pakken? Ja, dat was iets wat Aksel witheet maakte. Gewelddadig, of in elk geval tot grof geweld in staat. Dacht hij. Natuurlijk, hij had de scheidingspapieren koel ondertekend. Natuurlijk, hij was akkoord gegaan met de omgangsregeling – het woord alleen al! – maar toen het idee, de nieuwe werkelijkheid, tot hem doordrong, dat zijn bloedeigen dochter, alleen thuis was met de afpakker van zijn vrouw...

Hij keek in de achteruitkijkspiegel en haatte zichzelf.

In de verte doemde het dijkhuisje op. Een mooi dijkhuisje, dat moest gezegd. Ze hadden goede smaak, met zijn tweeën. Maar ze hadden, hun inkomens opgeteld, ook iets te besteden, en hij zat in de vastgoed, dus dat was allemaal geen prestatie. Hijzelf, Aksel, was al een tijdje op zoek naar iets kleiners. Een appartement.

Hij, Aksel, had afgezien van iedere vorm van financiële claim. Zijn vrienden hadden hem dat afgeraden; zijn broer, zelf gescheiden, had hem voor gek verklaard, hij schreeuwde door de telefoon dat hij daar heel, heel veel spijt van zou krijgen, maar zo had hij het gedaan.

Jazeker, maar nu ging hij iets anders claimen.

O, wat hoopte hij, nee, bad hij, dat Luna al in bed lag. Luna moest in bed liggen.