41. M. in plaats van F.

Fernand Léger, The City



Ze was met de verkeerde getrouwd. Ja, zo moest de conclusie wel luiden, na zoveel jaar. Hard, maar de waarheid was hard. Ze had het alleen nog aan niemand durven toegeven, behalve nu misschien, aan zichzelf.

Destijds had ze voor de keuze gestaan, toch wel, tussen F. en M., zoals we ze maar even zullen noemen, allebei ongeveer even oud, charmant en aardig en niet onknap, maar ze hadden 'dus' wel een nogal uiteenlopende persoonlijkheid en levensstijl. F. gaf haar het gevoel dat ze leefde, M. gaf haar het gevoel dat ze niet dood zou gaan.

Ze had voor zekerheid 'gekozen', of nou ja, gekozen, het was eigenlijk geen keuze, het lot had haar in de armen van zekerheid gedreven, en nu had ze alweer een eeuwigheid met M. een gezin, maar F. was nooit helemaal uit haar gedachten verdwenen, hij bleef op de achtergrond aanwezig, en soms, als ze de liefde bedreef, ook op de voorgrond, maar dat mocht niemand weten.

Hoe zou het nu met F. gaan? Ze durfde hem niet te googelen uit angst voor teleurstelling. De laatste keer dat ze hem in levende lijve zag was in de lente, in dat piepkleine koffietentje, waar je gemakkelijk aan voorbijliep, maar waar mogelijk de lekkerste koffie werd geschonken. In elk geval hing er een ongedwongen, intieme sfeer. Er werkten twee vriendelijke vrouwen die wisten wat je nodig had, en wanneer, zonder je af te zetten.

Ze kwam er wel eens toen ze nog in de stad woonde. M. en zijn goede baan hadden haar mee geloodst naar een echt huis buiten de stad en hoe heerlijk ze het daar ook vond, de stad bleef lokken. Wat was de stad anders dan een verlokking? 

Daar zat hij, in zijn eentje, amper uitgeslapen. De rommelige bos krullen had hem meteen weggegeven. Hij las de krant, een kop koffie naast zich. De zon scheen weldadig door het glazen dak van de serre. F. leek volmaakt, nou ja, op zijn plaats.

Ze ging aan de leestafel beneden zitten, bestelde wat en vroeg zich af of ze hem moest aanspreken.

'Hé hoi, wat grappig, wat doe jij hier?'

'Dat kan ik net zo goed aan jou vragen, darling.'

Hoe hij achterover zou leunen in zijn stoel, hoe een brede grijns op zijn mooie mond zou verschijnen, hoe hij daarna met een hand door zijn krullen zou gaan. Darling, het woord alleen al. Alleen hij kon het met de juiste mengeling van ernst en spot uitspreken. Was hij een dandy? Nee. Maar ook geen hippie. Iets er tussenin.

Vroeg of laat zou ze aan hem moeten opbiechten dat ze getrouwd was, eeuwen alweer, dat ze drie schoolgaande kinderen had enzovoorts, enzoverder bla bla. Verbazingwekkend hoezeer haar biografie haar de keel uithing. Het zou ronduit pijnlijk zijn als hij daarvan gewag zou maken. Ze zou iets kunnen verzinnen, ze zou kunnen liegen, dat was een aantrekkelijke optie, maar als hij door haar leugen heen zou prikken was het nog pijnlijker.

'Maar je bent toch wel gelukkig?' Dat soort vragen zou hij stellen. Daar had ze 'even' geen zin in. Ze kon die wel pareren met 'ach ja', 'wat is geluk heden ten dage' of 'en jij dan?' maar dan zou hij ongetwijfeld met een oneliner komen zoals 'Happiness is a warm gun' en dan zou hij daarbij suggestief zijn dikke lippen tuiten.

Nee, dat gesprekje zou vreselijk zijn. Het zou teleurstellend zijn, want het zou tot niets leiden. Ze kon hem maar beter van een afstandje blijven observeren, haar droomcatalogus aanvullen met wat recent beeld.

Terwijl ze dat deed, behoorlijk schaamteloos – ze verwonderde zich hoe weinig het object van haar verlangen om zich heen keek – dacht ze na over M.

Hoeveel ze van hem hield. Ja, hoe kon dat ook anders? Ze had kinderen met die man! Hun levens waren totaal met elkaar verstrengeld, ze waren ongeveer in elkaar opgelost...

Behalve dan dat ze bij tijd en wijle aan F. bleef denken na al die jaren. Zeker als ze alleen in de stad was, zoals nu, hield ze altijd rekening met de mogelijkheid dat ze hem zou tegenkomen. Was ze naar deze straat gekomen, naar dit koffietentje, omdat ze wist dat hij hier in de buurt woonde?

Ze had niet gelogen, maar toch ook niet helemaal de waarheid verteld toen ze tegen M. zei dat ze hier in de buurt moest zijn om een broek te ruilen. Daarna, al in het koffietentje, had ze wel de feiten verdraaid toen ze volkomen onnodig ook nog het thuisfront had geappt dat ze een vriendin was tegengekomen.

Moest ze straks weer die leugen gaan uitbreiden als M., altijd nieuwsgierig, vroeg: 'Wie dan?'

Ach! Je moest eens weten! Je hebt geen idee hoe groot de rol is die F. speelt in mijn leven! Pathetisch gewoon! Ze schudde haar hoofd bij het idee. Probeerde aan andere dingen te denken, ze schoof het tijdschrift dat voor haar op tafel lag een beetje rechter zodat ze het omslag kon lezen.

Een minuut later, nee minder nog, keek ze op en F. was weg.

Weg? Hoe kon dat? Ze vloekte in zichzelf. 

O nee, natuurlijk. Hij was naar de WC. Hij moest naar de WC zijn, want hij kon alleen weg door haar te passeren (wat ze dan zou doen was achter haar tas die op tafel stond wegduiken had ze bedacht).

Wat deed hij op de WC? vroeg ze zich bijna hardop af en moest lachen om de bespottelijkheid van die vraag.

Moest ze hem volgen?

Net toen ze opstond om gehoor te geven aan een innerlijke lokroep, die haar hele bestaan tot dusver geleid zou kunnen kantelen, voelde ze van achter een hand bovenop haar haar neerdalen. Er klonk een krak-achtig geluid, alsof iemand een ei brak boven haar hoofd.