1. Noodstop



Op weg naar de noodstop-knop struikelde Jan Jaap Ferwerda over de benzineslang die hij even daarvoor gestoken had in de tank van zijn vrouws Renaultje, waarin Becky, zijn dertig jaar jongere maîtresse haar nagels zat te doen, en precies daarachter haar zoontje Jimbo gamede. Ferwerda vloekte binnensmonds. Hij was bijna onderuit gegaan. Hij schaamde zich maar wist niet waarvoor. Er was verder niemand op het tankstation. Becky, noch Jimbo, schenen iets te hebben opgemerkt.
Ferwerda raapte zijn vooroorlogse knijpbrilletje op, stelde opgelucht vast dat zijn totaal verkreukelde, oud-blauwe linnen pak, waarin hij zo ongeveer leefde, onbesmeurd was gebleven, en kwam overeind. Hij deed nog even alsof hij zijn schoenen opnieuw had gestrikt – voor wie eigenlijk? Zijn kleine, knaagdierachtige handen zaten onder de zwarte vettigheid en restanten van jarenlange benzine-morspartijen door alle mogelijke automobilisten, wier identiteit onmogelijk kon worden getraceerd. En waarom ook? Wat schoot je ermee op?
Zoals zo vaak hoorde hij de rechter in zijn hoofd hem al ondervragen over de precieze omstandigheden. Wat zocht u, heer Ferwerda, bij de noodstop-knop? Welnu, edelachtbare, zou hij antwoorden, mijn oog was tijdens het tanken gevallen op de mededeling NOODSTOP OP GEBOUW, en daarna, toen ik de rode knop had gelokaliseerd op het onbemande, gesloten gebouwtje, vlak boven het brandblusapparaat, was ik dermate gefascineerd dat ik niets liever wilde dan die knop indrukken om de hele boel op te blazen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten