Zwembakdebacle

Het was een prachtig plan. Zaterdag zou het warm worden en gingen we zwemmen bij Paris Plage aan het Bassin de la Vilette, waar dit jaar niet alleen strandstoelen zouden staan maar tevens drie bakken in het water waarin  g r a t i s  kon worden gezwommen in  n a t u u r w a t e r .
Bij aankomst evenwel bleek de Haut Hygiënist de Paris teveel bacteriën in datzelfde natuurwater te hebben gemeten en kon het feest niet doorgaan. De achtjarige pikte het niet, begon te huilen en om zich heen te slaan. Hij  m o e s t  zwemmen. Dit was hem b e l o o f d. Ook de peuter was hevig verontwaardigd.
Wat nu? Naar een meer in Bois de Boulogne? Een Centre Aquatique te Neuilly? We besloten Piscine Josephine Baker op te zoeken: een vergelijkbare zwembak in de Seine, maar dan met dode bacteriën, omdat ze zijn gechloreerd. Daar aangekomen, het liep inmiddels tegen vijven, de toonhoogte van de achtjarige was alweer een octaaf gestegen vanwege de opwinding over het aanstaande zwemmen, werden wij door de vriendelijke juffrouw achter het loket gewezen op a. de zwemmuts, en b. de strakke zwembroek. Beide: verplicht.
Mijn gymnasiast en ik keken naar de zwembroeken die wij, o effiency, reeds thuis hadden aangetrokken en die allesbehalve getuigden van strakte. Alweer ging het feest niet door, als we tenminste niet 100 euro wilden neerleggen voor een uurtje familiaal droog haar-en-afgekneld geslacht-zwemmen*. Opnieuw sprongen de tranen bij de achtjarige uit de ooghoeken. Wij troostten hem met de gedachte dat we het de volgende dag nog eens zouden proberen op Paris Plage en dat we zouden bidden dat de Haut Hygiënist de Paris geen nieuwe bacteriën aantrof.
Vandaag werden we inderdaad toegelaten tot de zwembakken bij Paris Plage, alleen was het ijskoud, nou ja, voor een zomer dan, stond er een storend harde wind, en was uw vakantieschrijver geveld door zijn eigen bacterie, waardoor aan de Tweede Hoofdwet Van Frölke bij hoge uitzondering geen gehoor kon worden gegeven.

* Wat heeft die Speedo-plicht in Franse zwembaden trouwens te betekenen? Badmutsen begrijp ik, – koks dragen ook mutsen –, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat met het verbieden van shorts etc. in zwembaden tevens een bepaald soort mensen conveniently uit deze instituten wordt geweerd.


La Grande Épicerie



Omdat Adriaan van Dis dit heeft aanbevolen in zijn 'Stadsliefde. Scènes in Parijs', fietsen wij en famille, opnieuw met gevaar voor eigen leven, naar La Grande Épicerie in het 6e, waar Van Dis woonde. Hij stelt het in zijn boek voor als de ultieme eetwinkel, waar niet alleen alles verkrijgbaar is, maar ook nog in de beste versie denkbaar (in Frankrijk, en dus de wereld). Met zoveel superlatieven moet het tegenvallen. La Grande Épicerie lijkt nog het meest op de food-afdeling van een Harrod's achtig warenhuis, maar wat ik me van Harrod's kan herinneren was toch echt een paar maten groter en decadenter, en zelfs in een winkel als WholeFoods in New York stond tien jaar geleden bijvoorbeeld iemand speciaal voor jou grote brokken chocola in het gewenste cacao-percentage te hakken uit een moederrots.
Dit neemt niet weg dat LT meteen gaat shoppen. Ik zoek op de meubelafdeling naar een plek waar ik met de peuter die op mijn borst pit aangenaam kan verpozen. 'Hoeveel denk je dat die gouden vogel kost, in die glazen stolp?' vraag ik aan mijn gymnasiast, wijzend op een object van de firma Vitra. Hij denkt vijftig euro. Ik denk driehonderdvijftig. Hij gaat checken. 'Duizend euro,' glimlacht hij.
Iets voor Adriaan van Dis.

Versailles



Komende uit een gemanicuurd bosje, stak ik mijn weinig gemanicuurde vuisten in de lucht en riep uit ten overstaan van mijn gezin, dat op een gemanicuurd gazonnetje de lunch gebruikte: 'IK HEB GEPLAST OP VERSAILLES.'
Mijn gezinsleden keken me schaapachtig aan. Zij hadden immers net zelf  o o k  geplast op Versailles. Zo'n prestatie was dat dus niet, plassen op Versailles. Poepen op Versailles, ja, dat zou nog wel enige indruk kunnen maken, maar vooralsnog had niemand het in zich, op dat moment, om te poepen op Versailles.
Trouwens, het zou een loos statement zijn.
We betraden het kasteel. Dat bleek een uitstekende zet, achteraf gezien, om laat naar Versailles te gaan vanuit Parijs, een late lunch te gebruiken in de beeldentuin (buiten het zicht van de tuinpolitie), en het sfeervol door laat licht beschenen chateau binnen te gaan als iedereen er uit ging.
Ook een goed idee: 3 seconden max per zaal.
Bij een relatief sobere salle à manger, waarvoor verder niemand interesse toonde, bleef ik staan. Aan één tafel, waarop vijf zilveren bordjes waren gedekt met kunstig gevouwde servetten erop, stond, aan de lange zijde één grote, met goud damast beklede zetel (de rugleuning naar de open haard gericht), plus twee krukjes links en twee krukjes rechts aan de korte zijden.  Een paar meter verderop waren in een halve cirkel naar de tafel toe nog acht krukjes gepositioneerd, voor de hofdames.
Dit leek mij nog helemaal niet zo'n gekke opstelling, maar iets in mij zei dat ik die er niet zonder slag of stoot doorheen zou krijgen.

Afscheid van correspondentschap

Gisteren mijn eerste vakantiemiddelvinger gekregen. Van LT. Ergens op een kruising in de Marais. Ik stak over op de fiets bij oranje, zij stopte voor rood, ik keek om met een blik van waar blijf je en toen kwam hij dus, die middelvinger.
Hij is een bekende van me. Hij wordt me niet alleen in de vakantie geserveerd. Op de Van Wou in Amsterdam zou ik hem ook hebben gekregen.
Fietsen door Parijs rond het spitsuur met drie kinderen in je kielzog op weg naar Centre Pompidou deed me denken aan mijn ouders die veertig jaar geleden op de Périférique stonden, in hun tot de nok toe met kroost en spullen gevulde Peugeot Familiale, koffers op een imperiaal op het dak, plus een zeilboot op een trailer er achteraan, en dan panne krijgen, maar dankzij GoogleMaps is er eigenlijk niets aan.
'Die kaart is ongeldig, meneer!' sputterde de man bij de ingang van de tentoonstelling van van David Hockney, wijzend op mijn Press Pass uit de tijd dat ik correspondent was in New York. 'En al heel lang zo te zien. Sinds 2005! U moet een kaartje kopen!'
Hij had gelijk. Beschaamd keerde ik om en kocht een kaartje. Mijn oude Press Pass boog ik dubbel en wierp ik van de balustrade van de vijfde verdieping van Pompidou. Dat voelde goed.
'Wat heb je dat ding weggegooid?' zei LT verontwaardigd.
Ik knikte, trots op mezelf. 'Ik heb definitief afscheid genomen van mijn correspondentschap. Na twaalf jaar gratis naar musea te zijn geweest, vond ik het wel mooi geweest. Partir est mourir un peu, weet je wel.'
LT bleef het zonde vinden.

Ruilen is



Ruilen is sympathieker dan airbnb'en omdat er geen geld aan te pas komt. Net zoals partnerruil geschiedt het op basis van vertrouwen. Beide partijen denken dat zij the better end of the deal hebben, maar wat je werkelijk hebt gekregen in ruil voor jouw woning, wat de huizenruilmarkt jouw huis waard vond, blijkt pas na aankomst en eigenlijk dan nog niet, want schijn bedriegt. Bovendien zit woongenot en -leed soms in kleine dingen. Zo geniet ik hier in deze ruime, avontuurlijke bovenwoning nog steeds van de onwaarschijnlijke hoeveelheid zeldzame boeken om mij heen, van een collectie kunstige flipbooks in de wc tot de Gallimard-klassieken in de werkkamer, en alles daar tussenin, zoals Russian Criminal Tattoo Encyclopedia, Volume 1 (zie hierboven), maar de luid krakende houten vloer is bijvoorbeeld niet bevorderlijk bij het wegsluipen uit de slaapkamer van de kinderen als je denkt dat ze slapen. De keuken is vreemd incompleet; thee kun je bijvoorbeeld niet zetten. Ernstiger, misschien, is dat dit een rookhuis is (ik telde dertien asbakken in de keukenkast). De hoofdkussens in de masterbedroom ademen de adem van een roker. Voordeel: bij elk minpuntje voel je je minder schuldig over wat wij onze ruilers in de maag hebben gesplitst.

Afwijzingskunstenaar

Het is twaalf uur, weten we al wat we met de kinderen gaan doen? Niks, liefst, maar dat kan niet. 'Kinderen moet je uitlaten,' leg ik ongevraagd uit aan mijn gymnasiast. (Gymnasiasten ook trouwens.) Dus gaan we de straat op, want dat is toch vaak het aardigste – in Parijs en waar dan ook. Vooral hier in het tiende. Op Chateau d'Eau waan je je op een markt in Dakar. Bomvolle kapsalons en pruikenwinkels, en veel hangende mannen op straat, vrouwen nafluitend met oorhoepels zo groot als dvd's. Mijn blondjes blijven niet onopgemerkt. 'Nu zijn wij ook eens in de minderheid,' zegt lieftallige. Het voelt goed om in de minderheid te zijn.
'Waarom geven wij die geen geld?' wil de achtjarige weten, wijzend op een moeder met dochter en hond op de Rue du Faubourg Saint-Denis, uitgespreid op het trottoir, naast een jampot met munten. Wij geven alleen aan mensen die het hard nodig hebben, antwoorden wij, maar hoe weten wij wie het hard nodig heeft? De groepjes Syrische mannen die slapen in de parken? De sans papiers die hun tenten hebben opgeslagen langs Canal Saint Martin? De man in lompen die gisteravond in de regen voor ons huis zijn voorhoofd te rusten legde tegen de neus van een bestelbusje, alsof iemand hem in de rug geschoten had?
Sommigen bedelen uit gewoonte. Zoals die bebaarde vijftiger met vers ontstoken filtersigaret in de hand vandaag, die routineus de tafeltjes op het terras van ons café afgaat; in een andere context was hij columnist van Libération geweest. Her en der maakt hij met gedempte stem een praatje, dat steeds weer op hetzelfde uitdraait. Hij wordt beleefd aangehoord, maar hij krijgt niks. De afwijzing laat hem koud. Hij is een afwijzingskunstenaar. Soms zou ik willen dat ik een afwijzingskunstenaar was.

Een klein, hip museum

Je neemt je voor om niet te stressen, en er is ook niets om over te stressen. Dan ga je pakken, opruimen enzovoorts, je opmaken voor de Grote Vakantie, en voor je het weet loop je te schreeuwen tegen je geliefde dat zij niet zo moet schreeuwen dat jij zo chagrijnig bent, want je bent helemaal niet chagrijnig. Waarom begin je hier ook alweer aan? O ja, omdat niet op vakantie gaan grenst aan kindermishandeling, of laten we zeggen: opvoedkundige nalatigheid, en alsmaar thuis zitten ook zo, tja, statisch is.
Ineens in Parijs. Hectiek. Bij het eerste stoplicht vanaf de Périférique kleeft er een jongetje aan het raam. Hij zingt, maar je hoort hem niet, je ziet alleen zijn mond bewegen, en jij schudt van nee. Je geliefde wil graag weten of de achterklep goed dicht zit, maar jij zegt: 'Bedelen is geen diefstal,' en je denkt er achteraan, 'alleen van tijd'.
Dan het ruilhuis. Dat blijkt een klein, hip museum te zijn in het 10e,  met alle mogelijke curiosa, hoekjes en troepjes; een kleine bibliotheek ook, want overal waar je kijkt zijn/liggen/staan boeken. Veel stripboeken, en boeken over stripboeken – Fransen nemen strips serieus –; je slaat er een open: Premières fois (vertaald verschenen ook), met heftige en minder heftige scenes (getekend zijn ze beter te behappen). Maar ook kunstboeken. Een oversized fotoboek van een Franse hagio-fotograaf over James Brown. Een boek over Hokusai.
Dat is het mooie van huizenruil, het aftasten, het ontdekken. Dat heeft iets decadents. Legaal inbreken. Je zou bijna vergeten dat je op vakantie bent.

Twaalfde werkdag

Ik klop aan, en meestal hoor ik dan wel een zwak 'ja?' maar dit keer: niks. Dan ga je je toch zorgen maken. En je vraagt je af: moet ik degene zijn die de oud-bibliothecaresse ... aantreft? Maar dat blijkt allemaal academisch, want als ik de deur open, zie ik haar kiplekker rondlopen door de kamer. Ze schrikt zich een hoedje, maar ze weet heel goed wie ik ben.
'Wat een leuke vader ben jij!' roept ze uit, als ze in haar stoel is geploft en ik een eitje en kopje koffie voor haar heb bereid en heb verteld over mijn vakantieplannen.
'Hoezo?'
'Wij gingen nooit op vakantie.'
'Je vader had geen zin?'
'Nee. Mijn moeder ook niet.'
Ik pingel een stukje Ravel op de piano; het adagio uit een pianoconcert, bewerkt voor liefhebbers. Moeilijk, maar niet te moeilijk, geloof ik. Mijn vingers passen maar net, of eigenlijk niet, tussen de zwarte toetsen. Achter mijn rug hoor ik de oud-bibliothecaresse rommelen met de kranten die ik voor haar heb meegenomen van de trap.
Als mijn recital wordt overstemd door bouwvakkers die bezig zijn waarde toe te voegen aan het huis van de overburen, sluit ik de ramen. Tijd voor Poesjkin. De sneeuwstorm is een romantisch verhaal over een verboden liefde. De geliefden, een begeerlijk meisje en een militair, besluiten de afkeuring van hun ouders te omzeilen door in het geniep, in de nacht, in een naburig kerkje te trouwen. Maar als ze, ieder apart, vertrekken van huis komen ze in een sneeuwstorm terecht. Hij verdwaalt. Een dag later durft hij haar niet meer onder ogen te komen; uiteindelijk gaat hij naar het front, waar hij eerst gewond raakt, en vervolgens sterft. Drie jaar later is het meisje, nog mooi maar verbitterd en alleen, verhuisd. In haar nieuwe dorp komt ze een charmante man tegen. Iedereen zegt dat hij en zij voor elkaar gemaakt zijn. Langzaam raakt ze er zelf ook van overtuigd, maar hij doet haar maar geen aanzoek. Tenslotte, in een mooie scene, dwingt ze hem, door te volharden in haar stilzwijgen, tot een liefdesbetuiging. Die krijgt ze dan ook, maar hij bekent haar dat hij onmogelijk met haar kan trouwen, omdat...–  en hier houden de oud-bibliothecaresse en ik allebei onze adem in –... hij al getrouwd is. Dat zit zo. Op een nacht, drie jaar geleden, tijdens een sneeuwstorm was hij erop uitgegaan, hij was bij een kerkje aangekomen, naar binnen gegaan, de kerk was slecht verlicht, en daar had hij zich in de echt laten verbinden met een meisje dat flauwgevallen was omdat ze zo lang had moeten wachten op haar bruidegom. Hij schaamde zich voor zijn 'wrede grap'. 'O, dus jij was het!'
Schitterend, in al zijn onwaarschijnlijkheid.

Tafel-obsessie

Toen de glamourbejaarde haar hondje uitliet en ons huis passeerde, koekeloerde ze door de open deur naar binnen en zag in de gang een tafel in onderdelen staan. Ik legde uit dat die tafel was bedoeld voor de vluchtende medemens, maar omdat hij om een of andere reden niet was afgehaald mocht zij hem wat mij betrof ook hebben. Graag zelfs.
GB was niet geïnteresseerd. 'Veel te donker.'
Een dag of twee drie later werd de tafel alsnog afgehaald, voor een vluchtende of anderszins behoeftige medemens. GB kwam opnieuw langs met haar hondje en informeerde naar de tafel.
'Die is er niet meer,' zei ik.
'Wel potverdrie,' zei ze.
'Hoezo? Had je hem toch gehad willen hebben?'
Ze knikte.
Hierop was de Jacht op een Nieuwe Tafel geopend. GB raakte er zelfs door geobsedeerd, zoals ze zelf zei. Ze kon er niet van slapen. Wekenlang vonden we talrijke met breekbare stem ingesproken berichten op de voicemail met verhalen over tafels die zijzelf had willen regelen, of in antwoord op door ons gesuggereerde tafels.
Toen had ze er een gevonden in... Utrecht. De verlossing leek nabij. De Utrechtse tafel werd bezorgd, maar paste bij aankomst in Amsterdam niet door de deur, omdat de poten er niet afkonden. De tafel ging terug naar Utrecht en GB bleef de rechtmatige eigenaar. Daar had ze flink de p in; ze wilde eigenlijk  n i e t s  meer uitgeven aan een nieuwe tafel, totdat de Utrechtse tafel was doorverkocht (en zij haar geld zou terugkrijgen).
Dit was het moment waarop haar obsessie ook mijn obsessie werd.
Gratis tafels bestaan, maar of ze mooi en goed zijn, is de vraag.
Uiteindelijk vond LT, wie anders, een tafel à €20 binnen een straal van 10 km die aan M.'s vrij stringente esthetische specificaties voldeed. Vanochtend haalde ik hem op. Een half uur later had ik hem bezorgd en gemonteerd in GB's tamelijk volgestouwde flatje. 'Heel goed. Fantastisch. Dit is de perfecte tafel.'
Of het een perfecte tafel was wist ik niet, maar ik was opgelucht dat deze obsessie kon worden afgevinkt.

Dooie rat

Er lag een dooie rat op het fietspad, dus ik zei tegen mijn kinderen voor en achter: 'Kijk, een dooie rat.'
Ze zagen hem niet, we gingen te snel.
De volgende dag lag de rat er nog steeds, dus ik kwam weer met mijn dooie rat-alert. Nu had de achtjarige de dooie rat wel gezien, maar de peuter nog steeds niet, maar dat veranderde een dag later, toen ze hem wel zag liggen, vlakbij een perkje rondom een boom.
De rat, hadden we inmiddels kunnen zien, oogde nat en zompig. Misschien was hij uit het water gevist. Of hij was natgeregend, dat kon ook.
Het verbaasde mij dat het lijk niet was geruimd. Maar ik had zelf ook geen stappen ondernomen tot lijkruiming, dan wel -bezorging. Het schijnt me toe, dat de lijkbezorging bij ratten beter kan.
Hoe dan ook, vandaag fietsten we weer langs de rat. Nu was er iets nieuws: hij was kapot, zijn buik lag open. Het leek alsof er iemand overheen was gereden, bijvoorbeeld een scooter. Op een of andere manier leek het me waarschijnlijker dat een scooter hem had overreden, dan een fietser.
De vader sprak tot zijn kinderen: 'Ook wat. Lig je daar dood te zijn, word je nog eens overreden, alsof gewoon dood niet dood genoeg is. Mooie boel. Leuke wereld.'
De kinderen voor en achter wilden weten hoe het nu verder moest met de rat. Ik zei dat ik het niet wist. Het lijkruimen/-bezorgen werd er ondertussen niet aangenamer op. Misschien dat nog verder en langer platrijden, tot het lijk als het ware versmelt met het fietspad, nog de mooiste uitvaart is.

Frauenkalender

'Ik ben blij dat hier nog wat bloot hangt,' zeg ik tegen mijn nieuwe garagist, terwijl ik knik naar een grote Würth-kalender met een geheel ontkleed, maar toch decent poserend wichtje. Mijn oude garagist voerde geen bloot op de werkvloer of in kantoor, en mijn bandenman heeft ook alleen maar keurige, blootvrije kalenders aan de muur hangen, en sowieso wordt bloot in het openbaar met uitsterven bedreigd – hetgeen wonderlijk is, gegeven de voortschrijdende ontbloting in de privésfeer.
'Ja, prima toch?' zegt de garagist, terwijl hij mij voorrekent hoeveel honderden euro's ik nu weer kwijt ben.
'Het hoort bij een garage.'
'Zo is dat. In al die jaren dat ik hier werk heb ik één keer een afkeurende opmerking gekregen. Van een vrouw. Zo van tsk-tsk-tsk. Toen heb ik gezegd: ik heb er geen problemen mee. Als u er wel problemen mee heeft, is dat uw probleem.'
Ik word tijdens zijn tautologische argumentatie nog eens afgeleid door al het gewassen vrouwenvlees aan de muur, dat zo'n contrast vormt met de troep in de garage en de monteurs die onder het smeer zitten. Oogsnoep, vermoedelijk, om ze te herinneren waarvoor ze het ook allemaal weer doen.
'Men vindt dat het niet meer kan,' zeg ik. 'Bloot op de werkvloer.'
'Wie? Waarom, in vredesnaam?'
'Weet ik ook niet.'
'Ik snap niet waarom het zo'n issue is,' drijft mijn nieuwe garagist zijn reeds gemaakte punt verder, alsof hij een bout vastdraait. 'Ik weet niet beter, ik  z i e  het niet eens meer.'
Als ik thuis achter de computer de Frauenkalender nog eens doorneem, strictly for research purposes, valt me op dat Würth ook braver is geworden, althans vergeleken met de jaren negentig, toen er nog volop werd geposeerd op en rond auto's en garages, met hier en daar zowaar een borst  i n c l u s i e f  tepel.

Psychologe

Ik zit met mijn peuter op een terrasje aan de koffie en raak in gesprek met de moeder van een peuter aan een belendend tafeltje; de peuters raken ook in gesprek. Ik was eigenlijk van plan me te verdiepen in De Gids, die must read voor literair angehauchten, maar het koffiegesprek gaat dieper dan verwacht (de moeder blijkt psycholoog).
Dan komt een grote man aangelopen met lichtbruine tanden die schots en scheef in zijn mond staan. Hij gaat op de vrije stoel aan mijn tafeltje zitten en speelt met het blauwe GVB-kaartje in zijn handen.
'Gaan jullie naar het strand?' vraagt hij opeens. De psychologe draagt een korte rok en teenslippers, dat heeft hem mogelijk op een idee gebracht. Helemaal niet zo'n rare vraag ook. Aan de andere kant is het wel een rare vraag. Ik sluit niet uit dat als ik ja had geantwoord, hij zou hebben gezegd: 'Mag ik mee?'
'Gaat u naar het strand?' vraagt de psychologe.
'Misschien,' antwoordt de man.
'Ik ga altijd misschien naar het strand,' breng ik naar voren. Waarmee het onderwerp strand lijkt te zijn afgerond.
De psychologe en ik pikken ons gesprek weer op, totdat de man ons opnieuw onderbreekt, nu dwingender, met de vraag: 'Horen jullie bij elkaar?'
Wij schudden van nee.
Hij bekijkt de pschologe nog eens goed en zegt: 'Jij bent anders wel mooi.'

Bericht van de cramping: Haiku (vrij naar Nescio)

Richtingloos drijf ik
Gods richting is de stichting
Van de inrichting

Nietzsches Schreibmashine


Stuitte ik op in een oud monografietje. Een ontroerend apparaat. Aanvankelijk liet Nietzsche zijn werk uitschrijven door zijn vriend Peter Gast omdat die zo'n mooi handschrift had, that's what friends are for, zou ik zeggen, maar deze machine heeft het pleit gewonnen. Op zo'n ding kun je haast niets anders filosoferen met de hamer. Je zou medelijden krijgen met het papier, als Nietzsche niet zo rigoureus korte metten had gemaakt met dat concept.

Op zoek naar het kasteel

Nu ik eraan terugdenk bevatte mijn bezoek aan het kasteel toch wel enkele slapstick elementen.
'Kan ik mijn sandalen aanhouden naar het kasteel?' vroeg ik aan lieftallige voordat ik vertrok. Zij vond van wel. 'Het enige dat telt is dat je schone kleren draagt en niet stinkt.' Geur lijkt me iets subjectiefs, maar het linnen pak dat ik boven mijn sandalen droeg was vlekkeloos, of zo goed als vlekkeloos.
Het fysieke van het slapstick-achtige – zonder fysiek geen slapstick – bestond er uit dat ik met mijn auto keurig de route naar het kasteel volgde die Google aangaf, maar bij de oprijlaan was ik op mezelf aangewezen en raakte ik dus het spoor bijster. Ik reed een grindpad af dat  r o n d   het kasteel bleek te voeren, in plaats van ernaar  t o e . Ik zag, stapvoets, het kasteel ter rechterzijde in mijn blikveld opdoemen, maar ik zag het er ook weer langzaam uit verdwijnen. Ik stopte bij een wit hek waarop de naam van het kasteel prijkte. De artiesteningang? Ik parkeerde, klom over het hek en liep op een drafje door de tuinen, waar een robotje bezig was het gazon kort te houden, naar de voorzijde, de kasteelheer tegemoet. 'Je bent helemaal fout,' zei hij. 'Je moet bij de voordeur zijn.'
Ik holde terug naar mijn auto maar wist nog steeds niet hoe bij de voordeur te geraken. De kortste route, leek mij, was dwars door de landschapstuin, en dan over een paadje rechtsom naar de oprit van het kasteel. Dus dat deed ik. Toen ik het witte hek opende, kwam er net iemand uit de bossen aanlopen. Ik deed alsof ik precies wist waar ik mee bezig was.
Toen ik eindelijk de auto voor de voordeur had geparkeerd en aanbelde, werd er niet opengedaan, dus telefoneerde ik opnieuw de kasteelheer.
'Is die bel ook kapot?' zei hij niet heel, maar toch wel enigszins geïrriteerd door alle door mij meegebrachte onhandigheid.
Voor mij langs reikte hij nog eens naar de deurbel en drukte hem in.
Hij rinkelde.

Allebei bijna onder de tram

De eerste keer was, o ironie, toen lieftallige moest uitwijken voor mij, omdat ik uit een zijstraat kwam aanfietsen (ik dacht een kortere route te weten). Ze fietste de trambaan op terwijl lijn 4 van achteren aan kwam denderen. Hevig getingel, en het boven op de rem staan van de tram was het gevolg. Ik zag het allemaal gebeuren, omdat ik schuin achter haar fietste, op veilige afstand van de tram. Je moet er toch niet aan denken dat je niet alleen  g e t u i g e  bent van het onder de tram komen van je geliefde, maar ook nog dat je hiertoe de  a a n z e t  hebt gegeven (ook nog met een zekere hoeveelheid alcohol in je bloed).
Ik wilde naast haar gaan fietsen, voor het onderling contact, maar ook om haar duidelijk te maken aan welk onheil zij zojuist was ontsnapt. Maar toen ik haar inhaalde was het mijn beurt om bijna onder de tram te komen, want wie schetst mijn verbazing, nou, laat ik dat zelf dan maar doen: er kwam  n o g een tram. Ook al lijn 4, want dat is de enige lijn op dat traject. Weer hevig getingel en hevig op de rem trappen.
Samen sterven, het is een zwart-romantisch ideaal, maar ik zou het nog even uitstellen, en als het dan zonodig moet, dan graag onder dezelfde tram.

Lifter

Tenzij ze een bomgordel dragen, neem ik alle lifters mee. Dat is een principe van me dat nog stamt uit mijn eigen lifterstijd. Dus nadat ik gisteren koffie had gedronken bij een tankstation langs de A1 op weg naar Twente en er opeens een sprietige jongen voor mijn neus stond met een smoezelig T-shirt aan waarop slordig met viltstift HAMBURG was gekalkt, opende ik mijn raampje en zei: 'Ik kan je tot Almelo meenemen.'
Almelo zei hem niks, maar hij wilde wel mee.
Toch nog even schrikken toen hij de achterklep op eigen initiatief opende en zijn bomgordel, ik bedoel zijn rugzak, erin detoneerde, herstel deponeerde, en naast me plaatsnam. Filip heette hij en hij was scholier en hij kwam uit een Pools plaatsje op de grens met Rusland, legde hij uit in Engels met een zwaar accent. Amsterdam had hij erg druk gevonden. Het had hem vijf uur op de liftplek langs de A2 gekost om er vandaan te komen.
'Waar heb je geslapen?' vroeg ik.
'Buiten,' zei hij. 'Ik werd om 6 uur gewekt door een politieman, maar die was heel aardig.'
Het was een tijdje stil in de auto. Ik dacht na over de vrijheid die je hebt als je je door niemand iets in de weg laat leggen. Toen vroeg ik, om iets te vragen te hebben: 'Wat vind je van Rusland?'
'Het mooie is dat je daar nog voor minder dan een euro een pakje sigaretten kunt krijgen,' antwoordde hij. 'Alleen moet je dan wel eerst een visa aanvragen en dat kost driehonderd euro.'
Ik zette Filip af bij een oprit naar de snelweg. Hij was er heel blij mee, net zoals met het restje koffie dat ik hem had meegegeven. Benieuwd hoever hij komt.

Pony

De driejarige komt terug van de peuterspeelzaal zonder pony. Die heeft haar hartsvriendin afgeknipt. Ik zie dat ze zich schaamt over deze inbreuk op haar lichamelijke integriteit – en dat ze er trots op is, tegelijkertijd. Herkenbaar. Ik had nog wel wat vragen, zoals: wat doet een driejarige met een schaar op een peuterspeelzaal? Wat gaat de hartsvriendin met de schaar de volgende keer bij haar afknippen?
In de peuterspeelzaal, een dag later, beantwoorden de leidsters mijn vragen wel enigszins, en ze lijken zich ook enigszins te verontschuldigen voor het voorval. (Een vriendin vertelt over een moeder die bij de overdracht kreeg te horen dat het geweldig was gegaan de hele dag met de kleine, om thuis te constateren dat er een gat in zijn oor was gebeten.)
Ik bekijk de nieuwe coupe van mijn dochter nog eens goed. Door een ene bril bekeken doet ze denken aan white trash, door de andere aan een punk meisje, en als ze niet zo blond was zou je haar ook nog voor een orthodox joods jongetje kunnen houden.
Als vader, en ook als mens, doe ik alsof er niets aan de hand is, want er is ook niets aan de hand, maar als mijn gekortwiekte dochter bij haar judo-examen bespot wordt door andere ouders, vind ik die andere ouders stom, en voel ik een lichte steek in mijn eergevoel. Een kind is een verlengstuk van jezelf.

Vluchtelingen

Ik had hem al eens afgeblaft, de jongen die belde namens UNHCR, toen hij vroeg of hij gelegen belde. 'Nee,' had ik geblaft, onnodig streng, maar hij belde ook ongelegen, al weet ik niet meer waarom; het was niet dat hij me wakker belde. Gisteren rond 8 uur 's avonds belde hij opnieuw. Nu zat ik met een wijntje aan tafel en had ik alle tijd van de wereld. Vooral ook voor de vluchtende medemens. 'Allereerst hartelijk dank voor uw donaties...' 'U gaat me vast vragen om meer donaties,' onderbrak ik hem, niet blaffend, maar geamuseerd, 'en mijn antwoord daarop moet luiden dat ik me dat helaas niet kan veroorloven. Bovendien geloof ik dat de vluchtelingencrisis wel over zijn hoogtepunt – dieptepunt – heen is.' De jongen van UNCHR leek mijn interruptie niet gehoord te hebben; hij draaide rustig zijn scriptje af. 'Hartelijk dank voor uw donatie, ik zal u zo vertellen wat we allemaal bereikt hebben...' Zelfs mijn 'graag gedaan' kreeg ik er niet tussen. Toen hij klaar was met zijn scriptje, konden we het eindelijk ergens over hebben. Hij zei dat het een misverstand was te denken dat de vluchtelingencrisis over zijn hoogte- dan wel dieptepunt heen was. Integendeel, het ergste moest nog komen. Immers: 'er heerst op diverse plekken ernstige droogte die ook vluchtelingenstromen tot gevolg gaan hebben'. 'Afrika,' zei ik, en nipte aan mijn Pesquié. 'Tegen de tijd dat die Afrikanen de droogte en masse ontvluchten en mij in de Amsterdamse Rivièra komen vergezellen, moet u maar weer eens zo'n leuk meisje langssturen zoals u de vorige keer ook deed, de kans is groot dat ik dan weer een meervoudige, structurele donatie toezeg, ook al kan ik dat helemaal niet betalen.' De jongen, die licht stotterde, en daardoor extra sympatie opwekte, wenste mij nog een fijne avond toe, ik hem succes, en het gesprek was ten einde.

Staken

Een stakende schrijver. Een schrijver die staakt. Stopt met schrij –. Ja, daarover zijn veel flauwe grappen te maken. Mij doet de schrijver die staakt nog het meest denken aan een Pakistaanse polaroidverkoper die staakt. Om zo'n polaroid heb je ook niet gevraagd, gezeten aan tafel in een restaurant, maar als je in de stemming bent, laat je er toch een maken. Als de Paki pola-verkoper een dagje overslaat, omdat hij het oneens is met de gang van zaken, dan merken we daar niets van.
Het verschil tussen een schrijver als zeg, Adriaan van Dis en een Paki pola-verkoper, is dat een Paki pola-verkoper geen organisatie achter zich heeft staan en doorgaans ook geen petities ondertekent met mede pola-verkopers om opheldering te eisen over het vertrek van een gewaardeerde leidinggevende.
Echter! Uit solidariteit met de VBK-collega's zal ook ik mijn schrijfmachine opbergen (mijn vulpen hoef ik niet op te bergen want die heeft zichzelf een tijdje geleden al opgeborgen) en mijn laptop dichtklappen.
U, trouwe volger van dit blog, gaat hiervan natuurlijk wel iets merken. Als u niets merkt, kunt u er van uitgaan met een abjecte stakingsbreker van doen te hebben. Dan zit er niets anders op dan te staken met lezen.

Elfde werkdag

De oud-bibliothecaresse zat met een jas aan, maar zonder broek, bij de kachel. Ze had geen koffie in huis, en ook geen eitjes, dus ik bood aan boodschappen te doen. 'Heb je ergens geld?' Ja, dat had ze wel ergens, maar waar? Er lagen twee portemonnées op het dressoir, maar ik moest de grote hebben. Deze waren al groot, maar er was dus nog een grotere, die op de piano bleek te liggen. Overigens waren ze allemaal leeg. Er zaten pasjes in, maar daarvan wist ik de code niet, en zij ook niet, dus ik besloot maar voor te schieten.
Toen ik terugkwam, ik had behalve koffie en eitjes ook mandarijnen gehaald, zette ik koffie, en pelde een mandarijntje voor haar. 'O, lekker,' zei ze. 'Wat een ontzettend lekker mandarijntje.' Het is goed sloven voor een dankbaar mens.
Ik vertrok naar de zolder om daar mijn belangwekkende correctiewerkzaamheden voort te zetten. Ik opende het schuifraam, voor wat broodnodige frisse lucht, maar toen waaide mijn drukproef weg. Gelukkig niet de Jordaan in, want wat zouden voorbijgangers er wel niet van vinden? Vast iets. Toen ik weer beneden kwam had de oud-bibliothecaresse haar broek aan, en haar ogen dicht. Ik vroeg of ze zin had in een verhaal, of in een stukje piano. Ze opende haar ogen en zei: 'Het laatste.' Gelijk had ze. Muziek wast de ziel makkelijker schoon dan proza, ook als zij imperfect wordt gespeeld.

Eigenaardige dieren

Wat een eigenaardig dier is de mens toch, dacht ik toen ik op het vreetplein van het North Sea Jazz Festival aan een kibbeling zat te knagen en het voorbij stiefelende, overigens wonderlijk gemêleerde publiek aanschouwde, dat hij met duizenden opeengepakt naar muziek gaat zitten 'kijken' die hij thuis veel beter – en vrijwel gratis – tot zich kan nemen.
Het gaat om de beleving, wist Gesprekspartner sinds 1983, deskundig op dit terrein, want zelf podiumartiest en meermalen te gast op North Sea.
Ik was er omdat Broer de Miljonair mij royaal twee kaartjes had doen toekomen, voor mij en LT, en heel lang zou LT ook meegaan, totdat ze een andere afspraak bleek te hebben en ik haar ervan had overtuigd dat dit fest te massaal voor haar zou zijn. Dat was het moment waarop mijn gesprekspartner sinds 1983 in het vizier kwam – een natural fit, zogezegd. (Zíjn geliefde zag een complot.)
Omdat ik de kaartjes had, dacht ik dat ik de voorwaarden kon scheppen, maar mijn voorwaarde – per openbaar vervoer – werd op het laatste moment overruled door Sinds '83. We vertrokken om half vijf en belandden meteen in de file; op de terugweg, midden in de nacht op de A4, hadden we een bijna-botsing. Afgezien van de muziek, nu eens groovy (Usher en the Roots), dan weer verstild (Avishai Cohen), bleef mij het meest bij het wandelingetje van de straat in Charlois waar we geparkeerd hadden, naar Ahoy. De term achterstandswijk leek hier gerechtvaardigd. 'Kijk, daar gaat het proletariaat,' zei Sinds '83, wijzend op een moeder met kind en kleinkind, die me deden denken aan die beroemde Amerikaanse zwart-wit foto's uit de depressie.

Bericht van de cramping: Blote bast

Een aantal zomers geleden schreef ik een vlammend betoog tegen de blote bast voor de opiniepagina van NRC Handelsblad. Mijn fillipica werd afgedrukt als ingezonden brief, maar de impact was er niet minder om.
Nu fiets ik echter in mijn zwembroek door de duinen op weg naar het strand, terwijl ik af en toe in mijn pens knijp en naar mijn meelijwekkende 'moobs' kijk.
Wat is er in de tussenliggende tijd gebeurd? Zijn de zeden veranderd? Zijn mijn zeden veranderd? Ik geloof het niet. Hooguit zijn er meer mannen met inkt op, dan wel en ijzer in, hun huid bijgekomen, hetgeen leidt tot meer exhibitionisme. Maar dat geldt dus niet voor mij. De enige reden die ik kan bedenken is dat het heet is, maar niet eens zo heet, en trouwens, als het heet is, blijft het verstandiger je niet aan de zon bloot te stellen.
Ik plof in een strandstoel. Rechts van me zit een grijsbehaarde hangbuik die me nog het meest aan Ugly Fat Bastard doet denken uit Austin Powers, links een strak gebronzeerde watermeloen met een petje op. Volgende keer toch maar weer een hemd aan.

Bericht van de cramping: Muizenhuis

De vloer van het tenthuisje is totaal bespikkeld, alsof iemand een pak hagelslag heeft leeggegoten. Een slecht opgeborgen reep chocola is helemaal weg. Een pak koffie is links en rechts doorboord. Een stuk zeep is van alle kanten aangevroten, waardoor toch een soort kunst is ontstaan; muizenkunst zo je wilt.
Verrassend wordt het in de 'kinderkamer': daar hebben ze geprobeerd zich door een matras heen te knagen, een beetje zoals IS door Syrië – overigens met even weinig succes.
In mijn ooghoek zie ik een muis in een houten bakje stappen. Leuk diertje, zo'n bosmuis, leuker dan een huismuis, die zijn toch saaier. Een doek erover en naar buiten ermee. Dat is de humane en ook effectieve methode. Maar dan zie ik nog een muis, een ander, hoger bakje in stappen. Dat blijkt dienst te doen als urinoir: het bakje is doordrenkt met muizenpis. Ik verplaats beide woonlagen naar buiten en stuur de knagers het bos in; veel haast om te reïntegreren lijken ze niet te hebben.
'We moeten vaker komen,' zeg ik tegen LT tijdens de Grote Muizenzuivering. 'We komen te weinig. We moeten er voor zorgen dat wij een groter probleem voor hen vormen dan zij voor ons.'

Prosper Luizinga bij de uitgeverij

Uitgever: 'Zo, Prosper, welkom bij uitgeverij Heller.'
Prosper: 'Dank je, het is erg fijn om hier te zijn.'
Redacteur: 'Prosper, we zijn erg blij met je manuscript.'
Uitgever: 'En we willen het graag uitgeven. Ons algoritme zegt dat het een bestseller zou kunnen worden. Dat wil zeggen: géén worstseller, wat in zekere zin op hetzelfde neerkomt.'
Prosper: 'Een hele geruststelling. Een worstseller heeft niemand iets aan.'
Uitgever: 'Zo is dat... we moeten aan onze bottom line denken... Er is alleen een klein dingetje, Prosper.'
Prosper: 'En dat is?'
Uitgever: 'De titel.'
Redacteur: 'Ja, de titel, Prosper. Bloedmaan is niks.'
Prosper: 'Ik vond het wel een pakkende titel. En een mooi woord.'
Redacteur: 'Natuurlijk is het een mooi woord, Prosper, maar hij wekt de verkeerde verwachtingen.'
Uitgever: 'Ons algoritme sloeg op tilt. Voorspelde een nothing-at-all-seller.'
Redacteur: 'Vergeet niet: een titel van een boek, zeker een debuut, is een merk.'
Uitgever: 'Van een nieuw produkt. Denk aan een nieuw speciaalbiertje in de schappen bij de Appie. Bloedmaan zou een nieuwe tripel kunnen zijn. Maar geen boek dat wij willen uitgeven.'
Prosper: 'Oké, ik zal erover nadenken. Ik heb al een ideetje.'
Redacteur: 'Mooi.'
Uitgever: 'Anders verzint het algoritme wel iets.'
Redacteur: 'En dan nog iets, Prosper.'
Prosper: 'Het contract? Ik heb een standaardcontract gezien, maar daar zou ik graag...''
Redacteur: 'Gaan we het nog over hebben. Komt allemaal goed. Nee, we bedoelen iets anders.'
Prosper: 'Ik luister.'
Redacteur: 'Je naam.'
Prosper: 'Mijn naam?'
Uitgever: 'En je biografie.'
Prosper: 'Mijn naam en mijn biografie?'
Redacteur: 'Juist. Als we een andere titel kiezen dan Bloedmaan, dan kunnen we ook in een moeite door je naam veranderen. En bij een andere naam hoort vanzelfsprekend ook een andere biografie.'
Uitgever: 'Airing Zeros Pulp is wat ons anagram-algoritme bedacht, maar we hoeven ons uiteraard niet aan jouw letters te houden.'
Prosper: 'Airing Zeros Pulp? Dat vinden jullie een veelbelovende naam?'
Redacteur: 'Geboren te Brooklyn uit Thais-Joodse ouders. Schaakgrootmeester op haar achtste. Airing werkt thans aan haar eerste libretto voor Robert Wilson.'




Feestmutsen

Op de dag dat mijn vader zijn 88ste en mijn moeder haar 83ste verjaardag zou vieren, verordonneerde de driejarige: 'We moeten feestmutsen maken. Maar dan wil ik er ook een.' Aldus geschiedde. Lieftallige, die kunstacademie heeft gedaan, wierp zich op als leider van Project Feestmuts. Ik knipte zwaar papier in repen, die LT aan elkaar niette, daarbij mijn schedel als mal gebruikend. 'Nietjes met de puntjes naar buiten!' gilde ik, nog net op tijd, anders blijft het haar van de (bijna)jarige, – indien aanwezig –, er aan hangen, en dat wil je niet. De driejarige was ondertussen halve cirkels vouwpapier getooid met "83", "88" en "3 3/4" aan het inkleuren. Bezigheidstherapie, met dank aan het kinderopvang-industrieel complex.
Bij aankomst op het feest gingen de mutsen meteen op, en het leek wel, maar zoiets kun je nooit bewijzen, alsof hiervan een sfeerverhogende werking uitging. In elk geval werd er gedanst (door de 83-jarige, de 3 3/4-jarige, en mijzelve, op 'Revolution'), dus het feest was geslaagd.

Vreselijke droom

‘Ik had een verschrikkelijke droom vannacht.’
‘O ja, wat dan?’
‘Ik werd huilend wakker.’
‘Je droomde dat je huilde of je huilde omdat je droomde?’
‘Ik werd huilend wakker.’
‘En waarover ging je droom dan?’
‘Ik had kanker. Ik stond bij de balie van het ziekenhuis, zonder schoenen, want die was ik in de haast vergeten. Ze zouden me pas over een half jaar kunnen behandelen omdat er voor die tijd geen plaats was.’
‘Wat verschrikkelijk.’
‘En mijn moeder had alle bloemen in mijn tuin afgeknipt.’
‘En ik had zeker ook iets vreselijks gedaan.’
‘Nee. Jij kwam in het hele verhaal niet voor. Jij bestond niet.’


Tiende werkdag

In de gang bij de voordeur ligt alleen de middagkrant; geen ochtendkrant. Dat is slecht nieuws voor deze mantellezer, want dat betekent dat er al iemand is. En inderdaad klinkt als ik op de deur klop niet de wat gebarsten stem van de oud-bibliothecaresse maar de opgewekte stem van, naar blijkt, de jongere vriendin van de oud-bibliothecaresse, die zelf trouwens ook oud-bibliothecaresse is, maar die, om volgens mijn oud-bibliothecaresse onnaspeurbare redenen, de stad heeft ingeruild voor een gehucht in het Oosten. Nu is ze in de stad voor een feestje (van wéér een andere oud-bibliothecaresse), en staat op het punt te vertrekken, maar niet dan nadat ze mij koffie heeft geserveerd op zolder, waar ik de drukproeven van Het dispuut doorneem, aangestaard door twee identieke kastanjebruine katten aan de overkant van de straat.
Er is ook nieuws: mijn oud-bibliothecaresse heeft eindelijk haar verstelbare ligstoel. Een reusachtig zwart ding.
'Weet je hoe hij werkt?' vraag ik.
'Nee.'
Op de afstandbediening zitten twee knoppen: één voor naar beneden en één voor terug omhoog. De complexiteit van dit systeem lijkt me zelfs voor een ietwat mistige octogenarian nog wel te behappen, maar ze staart me schaapachtig aan als ik een en ander uitleg. Ik doe de leuning naar achter. Ze schrikt even van de beweging, maar ontspant dan.
'Zal ik wat voorlezen?'
'Ja.'
Na twee bladzijden Poesjkin wordt mijn voordracht overstemd door haar hevige ademhaling. Met wijd open mond ligt ze te ronken. Mijn werk zit erop.