Op zoek naar de uitgang van het kerkhof



Ik zou het bijna vergeten, maar ik had mijn vadertje naar het kerkhof gebracht. Per ongeluk, wil ik eraan toevoegen, alsof toeval bestaat in menselijke verhoudingen (je zou willen van wel, maar ik betwijfel het). Ik stelde voor met hem te gaan wandelen in de rolstoel en op mijn telefoon had ik gezien dat er een stukje groen was niet ver van Résidence Hemelpoort vandaan. (Waarschijnlijk had ik, toen ik het opzocht, heus de woorden RK Begraafplaats zien staan; die informatie bevond zich in mijn onderbewuste of zoiets.) De begraafplaats, midden in de stad, was open, maar werd kennelijk niet vaak gebruikt voor wandelingen, want de paden waren dikbemost, overwoekerd door boomwortels of onvindbaar. Mijn vader liet zich zonder protest tussen de graven door manoeuvreren. 'Zie jij jezelf hier liggen?' vroeg ik, toch maar, hoewel ik het antwoord wel kon raden. 'Nee. Wij willen worden gecremeerd.' Ook dat wist ik, maar nu wist ik het zeker. Was dit mijn doel geweest? Wilde ik hem bang maken? Het was een onschuldig uitje, hoewel die misschien niet bestaan; zeker niet in deze tijden.
We passeerden een grote grafsteen met daarop twee namen. Vader en zoon. De zoon, Daniël heette hij, was op dezelfde dag als ik geboren, een jaar eerder. Zijn vader bleek hem ruimschoots te hebben overleefd.
Omdat het onbevredigend is om dezelfde weg terug te moeten wandelen, zochten mijn vader en ik naarstig naar een uitgang, een andere kant, waar we het kerkhof konden verlaten. Die vonden we gelukkig, maar niet dan nadat we op een achter bomen verscholen plaatsje uitkwamen met kiezelsteentjes en een groot Christusbeeld.
'Wil je nog een schietgebedje doen?'
'Nee,' zei mijn vader. 'Ik heb mijn pistool niet bij me.'