Dagboek van een gemondkapte



Het eerste wat opvalt als je met een mondkapje in de trein gaat zitten, zoals ik gisteren, is dat je wordt uitgelachen. In mijn geval, het kon erger, door een meisje met een koptelefoon op dat schuin tegenover me zat. Ze begon, nadat ze me gemonsterd had, vrij luid te lachen tegen haar telefoonscherm. Volgens mij heeft ze foto's en films van me gemaakt en die naar al haar vrienden gestuurd. 'Word ik uitgelachen?,' wilde ik vragen (omdat je het nooit zeker weet en het is de onzekerheid die knaagt), maar daarop zou ze denkelijk niet eerlijk antwoorden, dus vroeg ik: 'Waar luister je naar?' Eerst merkte ze niet op dat ik iets aan haar vroeg omdat ze niets hoorde; zij hield haar oren verborgen en ik mijn lippen. Toen ik mijn vraag herhaalde, met mijn smoelwerk als een schooiende hond haar richting op, antwoordde ze: 'Ja, heel toevallig, Walking in the sun.'
Op Station Eindhoven werd ik benaderd door een medegemondkapte. Voordat hij mij vroeg naar het 18 Septemberplein, schoof hij zijn kapje omlaag. Zo wordt het nooit iets.
Op de markt in Eindhoven toch dichtbij ground zero in de corona-crisis, was ik een van de weinigen die 'bescherming' van de luchtwegen nodig had gevonden. Door tenminste een groepje jongeren werd ik nagekeken en -gewezen. Een sensatie die ik eigenlijk niet meer kende sinds ik als foet door de stad paradeerde in mijn studententijd.
Bij de notenbar schrok ik: daar kwam mijn moedertje aan. Ze moest me tegemoet zijn gelopen. Toen ze me herkende bleef ze stokstijf staan met een verbaasde, cq. verrukte blik. Haar verrukking won het van haar verbazing. 'Nu kun je hem wel afzetten,' zei ze. 'Natuurlijk niet,' zei ik.
Toen ik het appartement betrad in Résidence Hemelpoort en op mijn puzzelende vader afliep, in zijn vaste stoel bij het raam, zei hij, met het stemgeluid van Marty Funkhauser: 'Even dacht ik: wat een enorme baard en snor.'
'Je weet toch dat ik nauwelijks baardgroei heb?'