Invaltrainer


Er werd me gevraagd in te vallen als trainer voor het teampje waarvan mijn dochter (7) ook deel uitmaakt. Ik had gewaarschuwd dat ik, als gediplomeerd filosoof, niets van voetbal weet, nooit voetbal kijk en moeilijk aan iets anders kan denken dan de Monty Python-sketch waarin de Grote Filosofen het tegen elkaar opnemen (met desastreus effect). Ze wilden me nog steeds hebben.

Coronavoordeel: de ouders mochten er niet bij zijn, dus mijn voetbalkundige adviezen konden ook niet door deszelven worden belachelijk gemaakt, alleen nog door de collega trainers en de voetballertjes zelf.

Een trainingspak had ik niet aangetrokken, niet alleen omdat ik er geen heb, maar ook omdat ik niet te hoge verwachtingen wilde scheppen.

Dat de wereld er voor de dochter van de invaltrainer anders uitziet dan voor de invaltrainer zelf, bleek toen ze bij aanvang trots tegen een teamgenootje riep: 'Mijn vader is trainer!' Er kwam geen reactie.

Er waren vijf jongetjes – lees: vijf ongeleide projectielen die opvallend hard kunnen schoppen – plus mijn dochter. Ik probeerde er het beste van te maken. Orde houden bleek al een te hoog gegrepen doel.

Lastig om je eigen kind niet voor te trekken, en toch ook niet onnodig kort te houden. Niet te discrimineren, met andere woorden.

Toen ik had bedacht klein kopballetjes te oefenen (met een zachte bal), ging het mis. Ik wierp de bal met een klein boogje op. De jongetjes durfden te koppen, op één na, die liever in het gras bleef liggen. Mijn dochter ging er klaar voor staan, maar zodra ik de bal opwierp week ze naar achter waardoor de bal niet op haar voorhoofdje landde, maar op haar handen.

Hands!

'Je kunt het wel!' zei ik. En even leek het daar ook op.

Een van de andere trainers had me zien aanmodderen en zei: 'Koppen moet je niet aan beginnen.'

Weer wat geleerd.