Onthoofding


Ben ik de enige die gebiologeerd is door onthoofding als cultureel verschijnsel? Is dat 'weer' mijn morbide interesse?

Een van de dingen die ik me afvroeg toen ik hoorde over de onthoofding van Samuel Paty was hoe die 18-jarige Tsjetsjeen dat in allahsnaam heeft klaargespeeld. Kennelijk had hij een flink mes bij zich, dat moet wel, een hakmes, waarmee hij de arme man eerst heeft neergestoken. Daarna is hij aan de slag gegaan om het hoofd van de romp te scheiden. Hoe dan?

Onthoofding blijft toch, dat hebben die moslimterroristen goed gezien, de meest effectieve, meest beestachtige manier om de westerse beschaving op zijn grondvesten te doen schudden.

In mijn verhaal De wraak van de bladomslaander probeert de ik-persoon iemand te onthanden; de hand van de onderarm te scheiden. Ik liet hem eerst oefenen op een varkenspoot. Zou de Tsjetsjeen ook hebben geoefend? Sorry, maar stel dat het niet lukt, dat de would be hakker niet door de nekwervels heen komt met zijn mes. Of dat het veel te lang duurt allemaal. Een mislukte onthoofding is misschien nog gruwelijker dan een gelukte. Misschien.

Frankrijk heeft altijd een bijzondere voorliefde gehad voor onthoofding. De guillotine, las ik tot mijn verbazing, is nog toe tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw gebruikt. De laatste man bij wie op die wijze in 1977 de doodstraf werd voltrokken was een Tunesische Fransman die een jonge vrouw had verminkt, verkracht en vermoord.

In Amsterdam hadden 'we' in 2016 het geval van de afrekening binnen het criminele milieu, die er in resulteerde dat het hoofd van een 23-jarige man werd aangetroffen op de Amstelveense weg. Een akelige ontdekking moet dat zijn geweest. Ik ontdekte jaren geleden een lijk drijvend in het IJ. Er zat al mos of iets dat erop leek op zijn jas. De politie gebeld, die het lijk eruit viste, en naderhand wist te melden dat het 'waarschijnlijk niet om een misdrijf' ging.

Onthoofding schijnt ook een populaire methode te zijn van de Mexicaanse mafia. Bruter kan niet. Of toch, misschien als het hart uit de borstkas wordt gesneden, maar dat vereist vermoedelijk meer chirurgische precisie.

Koppensnellen behoort tot de oudste rituelen ter wereld. Niet alleen door primitieve volkeren werd dit uitgevoerd tot pakweg een eeuw geleden, wetenschappers verzamelden minstens zo driftig specimen uit all uithoeken van de wereld. Geallieerde soldaten in Japan stuurden kennelijk soms een trofee naar het thuisfront dat bestond uit een afgehakt hoofd.

Ik krijg zin om Severed: a history of heads lost and found te gaan lezen.






Gesprekken met mijn schildpad (8)



Zo, dat was niet mals wat je schreef, gisteravond laat, over de vrijheid van meningsuiting. Mijn complimenten voor je moedige stellingname. 

Dank je.

Je begrijpt dat het ingewikkelder is? Dat er grenzen zijn aan de meningsvrijheid?

Je bedoelt dat je geen Brand! mag roepen voor de grap in een theater? Dat je de Holocaust niet mag ontkennen, Chinese mensen niet als spleetoog mag aanduiden en gays niet als vuile flikkers, tenzij ironisch of als geuzennaam?

Bijvoorbeeld. Het is een fine line tussen meningsvrijheid en laster.

Wat kan jou dat schelen, in je splendid isolation?

Het is maar wat je splendid noemt. Die aaibare moordenaar van jou zit me de hele dag aan te staren. Hij neemt plaats op een kinderkrukje en volgt elke beweging die ik maak.

Hij kan niet bij je, het ovenrooster werkt goed in dat opzicht. Kijken kijken kijken niet vissen, dat is zijn tragiek.

Ik ben er niet gerust op. Ik voel me als de geschiedenisleraar die, als hij de verplichte les maatschappijleer over de aanslag op Charlie Hebdo erbij pakt, bang is voor een klauw in het water. Of erger.

Dat wordt ook wel het chilling effect genoemd. Mooi woord.

Het gevoel is lelijk. Angst knijpt vrijheid af.

Goed gezegd.

Mag je gebruiken in je stukjes.

Wat ben je goedgeluimd vandaag.

Ja, wat zijn we het weer lekker eens met elkaar hè? Luister, ik zou ook graag het recht op beledigen willen verdedigen, al vind ik die cartoons in Charlie Hebdo eigenlijk nogal flauw en gemakkelijk. Je weet dat de nazi's dankbaar gebruik maakten van cartoons om de Joden te demoniseren? En in veel islamitische landen doen ze dit nog steeds.

Ik weet toch. Ik zag een cartoon van een moslim die een gruwelijk anti-semitische cartoon op de muur plakt en ondertussen woedend is op een niet-moslim met een onschuldig tekeningetje van Mohammed.

Onschuldig? Tja, dat vat het mooi samen. Onschuldig is een rekbaar begrip. Maar ik moet verder. Sterkte met je intellectuele gewetensnood.

(zwemt weg)




Artikel 7


Vanavond hebben we het glas geheven ter nagedachtenis aan de Franse leraar geschiedenis die het tonen van Mohammed-cartoons in de klas in het kader van verplichte maatschappijleer met de dood moest bekopen. Samuel Paty, ongeveer mijn leeftijd, een kind van ongeveer de leeftijd van mijn kind. Ik sta ook wel eens voor een klas. Ik zou ook wel eens opruiende cartoon kunnen hebben laten zien om een discussie op gang te helpen.

Moet ik die cartoons nu op mijn blog plaatsen om te bewijzen dat ik als verklaard vrijheidsstrijder van het woord mij heus niet de mond laat snoeren door moorddadige godsdienstfanaten waar ook ter wereld?

Nee. Potsierlijk. Dom. En trouwens, ik durf het niet.

De discussie over de vrijheid van meningsuiting is een korte. Die is het grootste goed in een democratie en dient dus te vuur en te zwaar verdedigd te worden, ook en juist door de mensen die het woord voeren voor hun beroep. In de Nederlandse grondwet, ik heb het nog maar weer eens opgezocht, is dit geregeld in Artikel 7, dat vrij vertaald stelt: iedereen mag alles zeggen, met de gekmakende toevoeging, 'behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet'. Now, what's that supposed to mean? 

Veel mensen zullen ook nu weer denken: tuurlijk, het is vreselijk wat er is gebeurd met die Paty, neergestoken op weg van school naar huis en dan ook nog onthoofd, en eerder die vreselijke aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, en nog weer langer geleden, de afslachting van Theo van Gogh, maar vroegen ze er niet om? Door de moslimextremisten tegen de haren in te strijken, zochten ze de confrontatie.

De confrontatie misschien, maar niet hun eigen dood. Geen van deze mensen vroeg erom te worden vermoord.

De vrijheid van meningsuiting is een absolute, moet een absolute zijn, anders is hij geen knip voor de neus waard.

Dan maar iedereen extra bewaakt, er zit helaas nix anders op.




Het dochters Van Dijk criterium voor literatuur

'Elena Ferrante'

Ik ben gefascineerd door het criterium dat de dochters van Yra van Dijk, die Nederlandse letteren doceert in Leiden, naar haar zeggen (zo hoorde ik gisteravond in een helaas flinterdun item over de afkalving der Grote Drie in Nieuwsuur), hanteren voor de beoordeling van literatuur. 'Of er in het boek een gesprek voorkomt tussen twee vrouwen die het niet over een man hebben.'

In gedachten loop ik mijn eigen bescheiden oeuvre door. Overleven mijn romans het criterium van de dochters Van Dijk? In FAKE komen bij mijn weten geen gesprekken tussen twee vrouwen voor die het niveau van 'Mag ik een glaasje wijn?' 'Alsjeblieft.' ontstijgen. Er komen veel gesprekken voor tussen een man en een vrouw maar dat is 'dus' onvoldoende. Ik vrees dat het feit dat de gepensioneerde vrouwelijke psychiater in dat boek, Avodah, bij veel lezers als het meest sympathieke personage naar voren kwam, mij evenmin gaat redden.

Tegen Zalig uiteinde (met als meest sympathie-oogstende personage de moeder), Dagboek van een postbode (waarin een belangrijke rol voor Xaviera Hollander is weggelegd) en Het dispuut (bijna geen vrouwelijke personages, laat staan gesprekken tussen deszelven), kan een vergelijkbaar bezwaar worden aangevoerd.

Ben ik blind geweest voor het vrouwelijke perspectief? Ik bedoel, het intervrouwelijke perspectief, voorzover dat niet op mannen betrekking heeft? Heb ik überhaupt wel  v e r s t a n d   van vrouwen – zoveel dat ik in staat ben om over ze te schrijven op een manier die hen aanspreekt?

Stel voor je bent zwart en je hebt je hele leven alleen maar boeken van witte auteurs gelezen bevolkt door witte personages (denk: het verzameld werk der Grote Drie). Ga je dan een keer verlangen naar boeken geschreven door zwarte schrijvers bevolkt door zwarte personages?

Wellicht.

Maar de conclusie van dit alles waar ik moeite mee heb, is dat als het inderdaad zo is dat iedereen alleen maar over zijn eigen ras, sekse, leeftijdsgroep etcetera, mag schrijven, de rol van literatuur als grensoverschrijdend gesprek is uitgespeeld.


Polsbandje



Nieuwe Vriend P. videobelt uit Hong Kong – of, om meer precies te zijn, de compound op het eiland Lantau waar hij in quarantaine verblijft met Wereldberoemde J.

Let wel: dit is niet de beruchte HK Government Quarantaine: opgesloten in tot 'isolation centers' omgebouwde voormalige vakantieparken en/of gevangenissen.

P.'s compound ziet er fantastisch uit. P. ziet er fantastisch uit (hij fitnest veel) en de omgeving ook: bergachtig landschap, blauwe luchten, jungle. Als je dan in quarantaine moet, dan is dit zo slecht nog niet. Beetje netflixen, online krantjes lezen, muziek luisteren. 'We hebben wel meteen om een grotere flatscreen gevraagd.'

Maar je mag je huis 'dus' niet uit. Niet zonder trots laat P. zijn polsbandje zien met QR-code, die in verbinding staat met de StayHome-app op zijn telefoon, die zijn precieze whereabouts registreert. Dus even een ommetje maken om een bezoek te brengen aan bijvoorbeeld een boeddhistische tempel of een massage-studio, niet noodzakelijk in die volgorde, is er niet bij.

Misschien wil je op Lantau ook niet zo graag naar buiten want er zitten slangen, vertelt P., king cobra's, die zo ver omhoog kunnen komen dat ze je in je ogen kijken. 'Als je gebeten wordt schijn je binnen een half uur dood te zijn.'

Het spannendste moment beleefde P. toen hij 's nachts werd opgeschrikt door het geschreeuw van Wereldberoemde J. Er rende een hagedis door zijn slaapkamer.

Vanavond precies 1 minuut na middernacht loopt de quarantaine ten einde en wordt het polsbandje doorgeknipt en worden ze naar hun hotel in de stad gebracht – ook een soort quarantaine, maar dan anders. Iedereen die leeft is, op zijn of haar manier, in quarantaine, alleen de gradatie verschilt.



Partiëel drooggelegd



Ik was in de Albert Heijn op de Rijnstraat – dezelfde die in Rob van Essens laatste verhalenbundel, Een man met goede schoenen al in het eerste verhaal genoemd wordt (in De goede zoon figureerde dit filiaal ook al op de eerste pagina, er kan langzamerhand gesproken worden van Albert Heijn-literatuur, al hoewel de lezer natuurlijk niet kan weten  w e l k e  vestiging op de Rijnstraat; er zijn er twee) – om een pak melk te kopen.

Het was tien voor tien 'in de avond'.

Dit klinkt omineus, zo van: het was vijf voor twaalf, en zo voelde het ook. Er waren weinig mensen in de zaak. Als dit een verhaal van Rob van Essen was, zou de ik-persoon waarschijnlijk de enige zijn geweest (en wellicht was hij gekomen voor geitenmelk maar dat weet ik niet zeker).

Enfin, om met Martin Bril te spreken. (Martin wie? Kunnen we ons nog herinneren hoe we om diens dood hebben getreurd? Ik wel, hoewel ik niet om zijn dood treurde.)

Ik begaf me naar de zuivelgang. (Mooie romantitel, Zuivelgang. Iets voor Marieke Lucas Rijneveld, maar ik dwaal hinderlijk af, merk ik zelf nu ook.)

Wie schetst mijn verbazing? 'Dan zal ik het zelf maar doen' (dit moet een Toon Hermans-grapje zijn geweest, of, als hij dit grapje nooit gemaakt heeft, had hij het moeten maken. Met zijn pretoogjes erbij was het misschien nog wel leuk geweest ook, op een Toon Hermans-manier dan.)

Landbouwplastic. En niet een beetje. Een hele muur, het zicht en de lust ontnemend, maar niet geheel de toegang versperrend, tot De Drank. 

Aha, de partiële drooglegging in de praktijk.

Dat ik dit nog mag meemaken.

Ik haast mij met mijn melk naar de zelfscan-kassa.





Zwarte lijst

Dali: Retrospective bust of a woman


Kunst gekocht – altijd leuk. Misschien is het kopen van kunst nog wel leuker dan de kunst zelf. Ik parkeerde voor de deur van de kunstenaar aan de Keizersgracht. (Deze kunstenaar woonde op stand.) De kunstenaar moest helemaal van achter komen. Hij boog diep toen hij mijn poet in ontvangst nam. 'Hebzucht is het grootste compliment,' mailde hij al toen ik interesse toonde.

Het beloofde taartje om de kunstaankoop te vieren moest wegens corona achterwege blijven.

A., mijn huis-, bed- en echtgenote, had zich solidair verklaard met mijn aanschaf, maar de rapen waren gaar toen ik op eigen houtje opdracht had gegeven de tekening in te lijsten.

'Had je dat niet even met mij kunnen overleggen?'

'Zeker,' zei ik, 'maar dat heb ik dus niet gedaan. Je mag straks kritiek leveren.'

Ik was meteen met het kunstwerk naar de lijstenmaker gegaan en had daar, op advies van de kunstenaar, gevraagd om een wissellijst, maar die hadden ze niet, en trouwens, het werk had ook geen standaardmaten. Het zou alleen passen in een passe partout (het woord zegt het al), in een fors grotere lijst. Dat was 1. Die lijst, besloot ik ter plekke, moest nu eens niet blank hout of anderszins zacht en vriendelijk ogen, maar zwart zijn en nog eens zwart (dit strookte met de grijs- en zwarttinten in de pentekening.)

Dat was 2.

Toen ik het resultaat liet zien brieste A.: 'Wat een afschuwelijke lijst. Echt een hele lelijke lijst. Hoe heb je in godsnaam zo'n verschrikkelijke lijst kunnen kopen?' En variaties op dit thema. 'En veel te groot!'

'Ben je klaar met je klachten, of komen er nog meer?'

'Dat vind ik nou zo flauw... Jij zegt: je mag eerlijk zeggen wat je ervan vindt, en dan doe ik dat en dan ben ik plotseling een zeurkous.'

Later dacht ik: is leven meer dan omgaan met verwachtingen? A. verwachtte (1) een kleine lijst, en (2) geen zwarte, en daarom deugt hij niet.

Terwijl hij zo mooi is. Schitterend zelfs. Als een rouwkaart.







Foggy brain


Is it me, or is it brain fog? Since I first read that brain fog was one of the lesser known, but scarier long term effects of Covid-19, I began to see it everywhere. I mean in my mind. Every hiccup in my thinking, every hesitation in my ordinarily smooth coordination (I guess), I thought: brain fog.

Theoretically, it was possible that our friend B., also known as Patient 0 in our neighborhood, also known as the Amsterdam Riviera, had infected my beautiful wife (this was actually highly probable), and that my beautfiful wife (I knew it) had infected me (back in March), and that I now was suffering from the virus, even without the regular 'mild' effects – only with a foggy brain.

Or was this all sheer and utter hypochondria?

Interestingly, my hypochondria could be a side effect of brain fog.

Sometimes I think brain fog would not be at all that bad, if it resembled a real fog, if it meant everything getting vaguer slowly, but what I know about it is that it's more like early onset dementia, in that one by one, certain cognitive functions fall out.

Memory, of course, is first affected. Is it me or am I constantly and desperately looking for my telephone during conversations to search for names, places and facts? Or am I 'just' rapidly growing digitally demented? And even the conversation itself feels like it is flowing less easily than it did before. What happened, in short, with my earlier effortlessness? Or was this just an illusion?

I also notice that when I am reading bed time stories to my children, (much longer always than I should) I stumble on words; or worse, I derail on a sentence and then it takes me a long time to get back on my verbal track, so to say.

Goodbye youth. Hello, old age.



Wopke


Ik ben nog niet binnen bij N. of ze begint over Wopke. 'Dat geloof je toch niet. Ik bedoel, er zo woest aantrekkelijk uitzien en dan ook nog heel pienter. Praeses van Minerva, twee studies, gepromoveerd, cum laude en alles. En zijn vrouw die er geweldig uitziet en die een drukke baan heeft als huisarts. Daar moet de duivel achter zitten, dat kan niet anders!'

N. is op dreef vandaag.

'En dan hebben ze vier kinderen... Alsof het niets is, hebben ze die er ook nog bij. En ze zien er zo prachtig uit als stel die Wopke en zijn vrouw, hoe heet ze? Liselot. Die Wopke en zijn vrouw zien er echt uit alsof ze gelukkig zijn met zijn tweeën.'

Zeker ook nog gelovig, die Wopke?

'O je bedoelt als CDA'er? Ja, dat zal wel. Anders hou je het niet vol.'

Ik heb het dossier Wopke niet paraat dus ik pak de iPad erbij en stuit al gauw op de foto waar N. over jubelt, waar ze niet over uitgepraat raakt, waarbij Wopke en zijn vrouw op Prinsjesdag blij rondhuppelen, hij in jacket en zij in een felrode jurk.

'Prachtig! En ze zijn niet eens getrouwd, dat vind ik ook zo sympathiek.'

O, dus toch niet zo christelijk, die Wopke.

'Nee. Nou, er kwam telkens iets tussen...Ze kennen elkaar niet eens van het corps. Hij zag haar op straat lopen en vroeg om haar nummer.'

Hij durft.

'En hij is ook nog heel sportief, Wopke. Gaat elke week met zijn vader van negentig of zo joggen. Echt ongelofelijk. Van dat kaliber vind je geen tweede hoor.'

Ik houd een foto van Wopke omhoog waarop hij, nou ja, iets minder oogt, iets minder Sexiest Man Alive, God's Gift to Women, etc. 'Ik vind hem te braaf. Te keurig. Zijn lippen zijn me te dun. Ik wil dikkere lippen.

'Ik geef toe lippen zijn belangrijk, maar wie heb je verder nog, die man die net is getrouwd –'

Grapperhaus?

'Die ja. Als ik de keus had tussen Grapperhaus en Wopke wist ik het wel.'

Maar wat dacht je van Hans van Mierlo, dat was een mooie politicus. Ik houd de iPad omhoog met een foto van Hans van Mierlo waar je u tegen zegt. Een man met lippen.

'Zeker, Van Mierlo had het ook. Het zou best eens kunnen dat ik om Hans van Mierlo D66 heb gestemd destijds.'

Natte worst



Mijn armoedehart maakt een vreugdesprong als ik dankzij mijn Stadspas voor €1, - , per persoon nochtans, incheck bij het De Mirandabad met de kinderen.

Heb ik me ooit geschaamd voor mijn armoede? Heb ik me ooit voor wat dan ook geschaamd?

Jazeker, ik geloof dat ik mij schaam voor mijn domheid.

Terug naar het zwembad waar het dankzij de verplichte reservering 'lekker rustig' is. Hoewel, in de zwemzaal staat een enorme opgeblazen worst opgesteld met een zwembadmedewerker ernaast die de worst natspuit opdat je er prettig in de lengte overheen glijden kunt. Een andere zwembadmedewerker bedient de geluidsinstallatie, waaruit zeer luid kinderen voor kinderen bonkt. De akoestiek in de zwemzaal is niet die in het Concertgebouw. De medegebrachte roman uitlezen terwijl de kinderen zwemmen zal (weer) niet lukken.

Nietsvermoedend loop ik langs de worst, intern hoofdschuddend en het ding verfoeiend, waarom moet kinderpret tegenwoordig zo luidruchtig zijn?, enzovoorts, totdat de zwembadmedewerker haar – koude – spuit ineens op mijn lijf richt.

Kan ze gedachten lezen?

Er zit niets anders op dan met een pokergezicht een fikse aanloop nemen en mij op de worst storten. Ik kom een heel eind.

Snel Naar De Bel heet deze attractie maar er is geen bel. Wel is er een badje aan het eind, waarin de buikschuiver geacht wordt een zachte landing te maken.

De kinderen joelen. Ze willen nu ook. Meteen staat er een rij.

Het roetsjen doet me goed. Alle vooruitgang is vooruitgang, de rest is stilstand.

Gesprekken met mijn schildpad (7)



Pfoe! Dat was een close call.

Ja, sorry.

Die aaibare moordenaar van je had me bijna in zijn klauwen. Hij was gewoon aan het vissen. Zoals een beer in de rivier vist naar zalm.

Ik weet het, ik heb hem net op tijd aan zijn nekvel gepakt. Ik beloof dat ik het anti-katten-rooster beter zal installeren.

En die vitaminen die je op mijn vishapjes druppelt...

Vind je vies?

Ja.

Alweer sorry. Er zit niks anders op. Die vitamines, heb ik me laten vertellen door Mark, zijn van essentieel belang. Eigenlijk moet ik je een met vitaminedruppels doordrenkt stukje vis met een pincet voeren.

Met een pincet?

Anders trek je de vis mee het water. Weg vitamines.

Je hebt het er maar druk mee... Wie de hel is trouwens Mark?

Mark de Vissenman. Die hebben we leren kennen in de dierenwinkel. Die heeft achthonderd vissen, naar schatting, maar ook zes moerasschildpadden, veel ouder en groter dan jij. Hij vertelde over een vriendin met een schildpad van 89 jaar oud.

Mooie leeftijd.

Dat kun je wel zeggen. Die vriendin had de schildpad van haar biologieleraar van school overgenomen die er vanaf wilde.

Geadopteerd dus.

Inderdaad... Jij wordt geloof ik niet zo oud Koos, maar de kans dat je mij overleeft is vrij groot, zeker in deze tijden.

Daar verheug ik me op.

Hoe kom jij zo cynisch?

Op maandag ben ik altijd cynisch. Naarmate de week vordert word ik minder cynisch.

Mark vertelde ook nog over hoe wij jou kunnen seksen.

I beg your pardon?

Hoe wij kunnen zien hoe jij een mannetje of een vrouwtje bent.

Je doet je best maar.

Bij het mannetje zit het geslachtsorgaan vlakbij het staartje. Bij een vrouwtje zit het iets verderop, en goed verborgen.

Niks nieuws dus. Zeg, ik moet verder. En hou die moordenaar van je in de gaten.

Will do.

(zwemt weg)


Dear Halina Reijn,


Vergeef me dat ik je film Instinct net pas zag op NPOStart en niet toen hij uitkwam in de bioscoop. Vergeef me ook dat ik vooral benieuwd was naar de manier waarop je de dierlijke scenes had vormgegeven in je film. Niet alleen tussen de forensisch psycholoog in het verhaal (Carice van Houten) en haar Vlaamse collega (Pieter Embrechts), maar ook en vooral de balts die de psychologe uitvoert met haar patiënt 'veroordeeld wegens de meest extreme seksuele delicten' (Marwan Kenzari die mij meer doet denken aan iemand van de buitenschoolse opvang).

Om met die laatste te beginnen. Ik heb zelden twee acteurs gezien tussen wie zo weinig chemie was. Noch Carice, noch Marwan vond ik geloofwaardig in haar/zijn rol (maar dat is een casting probleem), en hun samenspel ontbeerde iedere spanning, terwijl het gegeven – psychologische oorlogsvoering tussen de seksen en de aantrekkingskracht van het beestachtige – juist zo veelbelovend zijn.

Als in aanleg geëmancipeerde man vond ik het jammer om te zien dat de vrouw toch weer de ondergeschikte rol leek te spelen in dit machtsspel. Had het eens omgedraaid, had de therapeut de dominatrix laten zijn over de patiënt en de patiënt zich ondanks zichzelf laten meeslepen (en op het gevaar af zijn vrijheid te verliezen). Dat was kinky'er geweest, maar misschien ben ik een masochist.

'Vrouwen hebben meer verkrachtingsfantasieën dan mannen,' heet het, in je film. Wat bewijst dat?

Nu vond ik de therapeute vooral weerloos in de handen van de psychopaat. Dat hij haar een likje van zijn beplaste vinger aanbiedt is mooi, maar zij had hem daarop ten antwoord haar slipje in zijn mond kunnen proppen, of aan zijn tepels of ballen door de duinen kunnen trekken (ik noem maar wat).

Dan de one night stand tussen de twee collega's – zij sleurt hem mee na een avondje uit. Casual sex tussen consenting adults: altijd leuk zou je denken, vooral omdat jouw script voorziet in de hongerige geilheid van de vrouw (die, weten we, helaas voortkomt uit een dysfunctionele en onbedoeld lachwekkende verhouding met haar moeder).

Twee mooie mensen seks zien hebben is saai, tenzij de een als een konijntje op haar buik gaat liggen in de gang en met haar kontje omhoog wipt. Hij weet er geen raad mee.

 

Vuilnisbelt



Denk je dat je een diepte investering doet in het huishouden, meer in het bijzonder de kookbenodigdheden door een friteuse aan te schaffen, een Belgisch geval van het merk FriFri, semi-professioneel ook nog, is het weer niet goed.

Allereerst: een extra apparaat. Kan niet, mag niet, moet niet, in een poppenwoning als de onze, meent A.. Op zich heeft ze daar wel een punt, maar ja, vooruitgang enzovoorts. De vraag is niet of we ons leven machinaliseren, maar hoe en wanneer.  'Waar wou je dat ding laten?'

'In de tuin.' Daar wilde ik ook gaan frituren, opdat de aldus vrijkomende geur, ook wel stank genaamd, wordt prijsgegeven aan de buitenlucht, in plaats van aan de binnenlucht waardoor wij er 24 uur of langer in leven. Hoe lekker de friet ook, zo lang wil je er niet aan worden herinnerd.

'Als je dat ding maar niet in het zicht laat staan, de tuin is geen vuilnisbelt.'

Ook een goede. De tuin is thans wel een vuilnisbelt maar met artefacten die zij er heeft neergezet. Als ik er iets neerzet is het meteen fout.

Vanavond wil ik mijn gezin verbijsteren met perfect gebakken zoete aardappelfriet, ik wil A. overbluffen en aftroeven zodat ze zag zeggen, onderuitgezakt, met haar buikje rond: 'Ik ben blij dat we eindelijk een semi-profi FriFri-friteuse hebben en dat je niet meer zo primitief frituurt in een gietijzeren pan zoals je de afgelopen tien jaar hebt gedaan of langer met alle gevaren voor onze gezondheid van dien.' Maar dit zegt ze niet. Ze zegt niets.

'Lekker krokant toch?' probeer ik nog.

Mijn eega haalt haar schouders op.

Na het eten probeer ik een plek te vinden op de vuilnisbelt, ik bedoel in de achtertuin, voor de FriFri om af te koelen. Over een opbergplek heb ik nog niet nagedacht.

Ik heb heel lang over deze aanschaf gedaan, ik doe altijd heel erg lang over een aanschaf, en sloeg 'dus' mijn slag toen het ding in kwestie bij Duikelman onlangs een tientje in prijs naar beneden was gegaan, van 120 naar 110 euro.

'Op Marktplaats, schampert A., 'zag ik precies dezelfde voor zestig euro. Nieuw.'



Christina †



'Viktor. Wat goed je te zien. Wat zie je er geweldig uit. Je vrouw en kinderen ook. Jullie zijn echt een prachtig stel bij elkaar... en je nieuwe boek dan, wanneer komt dat uit? Ik kan echt niet wachten... Anders heb ik niets te lezen. Je voorgaande boeken – god o god wat heb ik daarvan genoten.' Enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen.

En dat dan uitgesproken met een doorrookte, door de leeftijd lager geworden stem, door een vrouw met roodgeverfd haar, en dikwijls blauw gelakte nagels aan altijd mooi gebleven, slanke vingers.

Nee, niet tot in de eeuwigheid, want Christina, mijn grootste fan, van wie bovenstaande woorden kwamen, zonder uitzondering als ik haar op de kade tegenkwam, al dan niet met mijn gezin in mijn kielzog, wordt vandaag begraven.

Haar dochter en kleindochter kwamen van de week haar dood aanzeggen. Zevenenzeventig jaar jong, maar ziek en op. Ik zal haar missen.

Zeker nu, zeker nu is er enorme behoefte, niet alleen bij schrijvers, maar ook en vooral bij uitvoerend kunstenaars, wier hele of halve beroepspraktijk door de plee wordt gespoeld, aan complimenten zoals Christina die kon geven. 

Complimenten zonder mitsen, maren, echters, evenwellen en goedbedoelde kritiekpunten. Gewoon lekkere, zuivere lof, en niets dan lof. En niet heel eventjes tussendoor. Nee: lang en uitgebreid en met veel herhalingen.

Er zou een markt voor zijn, denk ik: een Lofstraat. Eventueel meteen na of naast de Teststraat, waar je complimenten kan tanken. Je hoeft er niet eens voor uit je auto te komen, maar het helpt wel. Als er meer van je te zien is, valt er ook meer te complimenteren.

Christina hield van haar wietje en haar wijntje – op weg naar haar stamkroeg De Rijnbar was ze een stuk helderder en stond ze een stuk steviger op haar benen dan op de terugweg – maar haar complimenten waren altijd gemeend. Tenminste dat wil ik graag geloven, daar hangt mijn eigenwaarde van af.

Ik complimenteerde haar zoveel mogelijk terug. Hopelijk is daarvan ook iets bij haar blijven hangen.

Yo




Tussen de diverse aanbieders van voedsel op Den Haag Centraal, met namen als Smullers en Julia's, kies ik voor Yo, een Japanse variant.
Ik dacht dat Yo Spaans was voor 'ik', of anders een Amerikaanse variant op 'yeah', maar misschien betekent het in het Japans ook iets. (Google: 'Yo indicates the speaker's assumption that the listener doesn't share the speaker's opinion or information. Yo is used when the speaker wishes to emphasize new information.')
Juist.
Uit het menu van Yo kies ik de vegetarische gyoza (dumplings). Terwijl ik wacht krijg ik een klein bakje, zo'n plastic kuipje waarin ook wel gari (ingemaakte gemberlapjes) wordt geserveerd, met sake, om te proeven. Misschien wil ik daarna een flesje kopen.
Ik open het bakje. 'Beetje Haags bakje,' klaag ik tegen de vrouw achter het spatscherm op de toog. Ze glimlacht en geeft me een vol bakje.
Zoet, dit spul. Te zoet naar mijn smaak.
'Niet zo zoet als de meeste sake,' zegt de vrouw achter het spatscherm. 'Ik kan het weten want ik werkte jarenlang in een drankzaak.'
Ik waag dit te betwijfelen. Alles moet tegenwoordig zoet, denk ik, anders is er geen markt voor.
Ondertussen zie ik vanuit mijn ooghoek dat mijn trein over 'enkele minuten' vertrekt. Ik zie hem staan, op hemelsbreed honderd meter, maar ik zit er 'dus' niet in.
Terwijl ik toekijk hoe de man in de keuken bezig is met mijn dumplings – alles wordt vers bereid hier; wij vragen uw geduld, lees ik op een bordje – rekt de tijd zich uit, lijkt het. De secondes worden langer, alles gaat in slow motion. Nog steeds is mijn Gyoza niet klaar. Waarom heb ik ook weer voor iets ingewikkelds gekozen? Ook de vrouw achter het spatscherm wordt ongeduldig, kijkt de man in de keuken bijna verwijtend aan. Ondertussen vertelt ze dat ze bang is dat haar jaarcontract dat afloopt in december niet wordt verlengd, hoe deze keten is overgewaaid uit Engeland, hoe zij en haar medewerkers een spoedcursus sushi rollen kregen van een meneer uit de Philipijnen, maar ik wacht nog steeds op mijn Gyoza. 'Ik heb er een extra dumpling in gedaan,' zegt de man in de keuken, 'eentje ging stuk.'
Yo. Ik ren naar mijn trein en zit ruim op tijd in de lege stiltecoupe, als een uitgehongerde rat, mijn hapje op te peuzelen.
Lekker.



Heb ik ooit mijn handen gewassen?


Ik ben in een overheidskolos te 's Gravenhage. De maatregelen zijn strikt en worden hier zelfs op directeursniveau afgedwongen. Het zal mede verklaren waarom er bijna niemand is en dat je zelf aan de beveiliging moet uitleggen welke afdelingen er in dit gebouw zoal te bezoeken zijn.

Op de WC  een handenwas-instructie.

Eindelijk! Volgens mij hebben mijn ouders/verzorgers op dit punt wat steken laten vallen. Ik kan mij bijvoorbeeld niet herinneren dat ze hamerden op wassen na wc-bezoek (wel voor het eten, trouwens). Of ik betuigde me ook op dat punt ongehoorzaam, dat is mogelijk.

1. Gebruik zeep. Dit kan ik volgen. Doe ik ook.

2. Palm tegen palm. Idem. Tot hier geen vragen. Dit is wat ik handenwassen zou noemen. Spoelen en klaar.

3. Rug tegen rug. What the? Dit voelt alsof je twee willekeurige pubers opdraagt elkaar te zoenen. Waar is de winst, Vendor? Palm tegen rug: ja. Rug tegen rug is geen hygiëne maar poëzie.

4. Tussen je vingers. Kan ik inkomen en heb ik, bij grondige besmeuring, ook heus wel eens beoefend.

5. Je hele duim. Pervers!

6. Schrob je nagels. Goeie, maar hoeveel virus zich doorgaans onder de nagels schuilhoudt weet ik niet.

7. Polsen. Vendor, wat denk je dat ik uitspook op de WC?

8. Spoel je handen. Je hebt me weer. Dit pas ik zelf ook vaak toe (zie 2).

9. Droog ze goed. Een leermoment. Ik ben dikwijls te ongeduldig om de droging der gewassen handen tot het eind toe af te wachten, waardoor ik toch weer met natte jatten terugkeer naar waar ik vandaan kwam, ze onderweg afdroog aan mijn broek of aan het jasje van een passant, en dat kan niet de bedoeling zijn.


Zijn mondkapjes sexy?

Is het al toegestaan, of is het ooit opportuun, om mondkapjes sexy te vinden? Ik vroeg me dit af, toen N. en ik bij de lunch werden bediend door een serveerster met een knotje wier neus, mond, wangen en kaak achter een masker schuilgingen, en ik, ook al zag ze er verder gewoontjes uit, enige titilation voelde. Mijn verbeelding werd geprikkeld. Was deze serveerster misschien sexier met, dan zonder mondkapje?

Als ik zelf een mondkapje draag heeft dat in elk geval als voordeel dat mijn gebit, waar ik niet trots op ben (de zegeningen van het Orthodontistisch Industrieel Complex zijn aan mij voorbijgegaan), alsmede mijn tong, die A., wanneer zij hem in de smiezen krijgt, zelden nalaat te bekritiseren, aan het oog der buitenwereld onttrokken blijven.

Een niqab kan sexy zijn, een sluier kan sexy zijn, om nog maar te zwijgen van maskers. Er bestaat een hele (sub)cultuur rondom het idee dat partiële onzichtbaarheid een meerwaarde heeft, juist iets toevoegt, in plaats van in mindering brengt.

Zo zou ik ook weinig bezwaar aantekenen tegen de permanente afdekking van het smoelwerk van Trump. Dat verontwaardigde apebekje. Hooguit Macron heeft volgens mij een neus en mond die het waard zijn om te tonen.

Hoeveel kan een gemondkapte zeggen met zijn of haar ogen? In een gemondkapte wereld worden we teruggeworpen op de zeggenschap van onze blik. 

De serveerster in het lunchrestaurant deed het ding niet één keer af, hing hem ook niet op half zeven terwijl ze in het keukentje espresso stond te brouwen. Nadat N. en ik het restaurant hadden verlaten, werd ik gebeld omdat ik mijn pinpas had laten liggen. (De serveerster had mijn nummer dankzij het contactonderzoekformulier.) Naomi heette ze, wist ik nu, maar ik wist nog steeds niet wat er onder dat mondkapje zat.

'Naomi?' zei ik, toen ik binnenkwam in het lege restaurant.

Ze schrok. Dat leidde ik af aan het knotje, dat op en neer bewoog. Leuk.



 


Eigenwijze moeders


Weduwe M., de moeder van mijn raadsman, die opmerkelijke overeenkomsten vertoont met mijn eigen moeder, kwam het café binnen voor de afterparty van Marieke Smithuis' boekpresentatie van De Koning van de flat met een gelaatscherm op.

Wat of wie komt ze lassen, dacht ik. De tweede: ben ik wel verstaanbaar, want haar kon ik niet horen, het is toch een beetje alsof je tot een loketmedewerker spreekt zonder spreekgaatjes of microfoon, totdat M. haar stem verhief en zei: 'Jawel, hoor, je bent prima te verstaan.'

Ik ben een beetje doof (dat heb ik dan weer met mijn moeder gemeen).

'Is dat jouw date?' vroeg ze, wijzend op een blonde vrouw aan een belendend tafeltje.

'Dat is mijn vrouw.'

Toen M. haar bril wilde opzetten, moest ze het spatscherm vijfenveertig graden openklappen, en dan nog ging het vrij onhandig. Een glas wijn naar je mond brengen en er een slok uitnemen is al helemaal een uitdaging.

Je kunt je niet tot de tanden toe wapenen tegen een pandemie, lijkt het, en tegelijk van het leven genieten.

Eindelijk zette M. het ding af en kwam ze naast me zitten, op ik schat minder dan een meter. Net zoals mijn moeder zou kunnen doen, plukte ze tijdens het gesprek aan mijn schouder en arm. Ze heeft die handtastelijke manier van spreken die de Fransen zo mooi frotti frotta noemen. Ik houd er wel van. Het virus ook.

Corona had ze desgevraagd in het stadje waar ze woont niet zo gek veel van gemerkt. Ze kende niemand die het had of heeft gehad. Wel had ze een vriend bij wie een been moest worden afgezet nadat hij vier dagen voor pampus had gelegen achter de voordeur. (Ik wees haar niet zonder trots op het artikel van Medische Broer in NRC van vorige week over diens prothese kunst, misschien had hij er wat aan.)

'Een goede reden om een touwtje met een alarmknop om te doen,' zei ik. 'Om te voorkomen dat je zelf vier dagen achter de voordeur ligt.'

Ze keek om zich heen met een air alsof ze dat advies lekker in de wind ging slaan.

Ik keek naar mijn raadsman. Wij rolden met onze ogen. Eigenwijze moeders. Maar ze worden 'dus' wel oud, in goede gezondheid bovendien. Een raadsel.

Gesprekken met mijn schildpad (6)


Koos, hoe gaat het.

Naar omstandigheden goed.

Die indruk kregen wij ook... hoezo naar omstandigheden?

Nou, die pandemie enzovoorts.

Maar jij hebt toch helemaal geen last van de pandemie?

Ik merk dat jullie gespannen zijn. Ik word er meer uitgevist dan vroeger, ik word uitgebreid bepoteld, jullie zijn meer dan normaal op mij gefocust.

Maar Koos, we houden van je! Dat wat jij ziet, dat is liefde!

Ik krijg sterk het idee dat ik jullie troostmeisje ben. Ik herinner jullie aan een mooie, onschuldige wereld of zoiets. Ja weet ik veel, ik ben ook maar een psycholoog van de koude grond.

(Schept viezigheid uit het water) Verder alles naar de zin in de bak?

Ik ben erg blij met het anti-kattenrooster dat je hebt geïnstalleerd, maar...

Maar wat?

Het is niet groot genoeg, er blijft een stuk open. Daar steekt hij zijn poot doorheen. Als ik even niet oplet, plukt hij mij zo van het eilandje. Ik ben al eens voor hem op de vlucht geweest toen jullie er niet waren. Geloof me, dat waren angstige momenten.

Katten zijn bang voor water. Water is jouw redding. Wat me trouwens doet denken aan een gruwelijke anekdote.

Hè ja... Ja, nu moet je hem vertellen. Ik laat je niet gaan voordat je hem hebt verteld.

Een rijke man, die in een groot huis woonde, kocht een schildpad voor zijn dochtertje. Ze speelde er leuk mee.

En?

Na een paar maanden bewoog de schildpad niet meer. Het dochtertje was verdrietig. De man deed de schildpad weg.

Ik voel hem al aankomen.

De man kocht een nieuwe schildpad. Zelfde liedje. Weer terug naar de dierenwinkel. Toen dacht die man, misschien moet ik toch eens informeren of ik iets niet goed doe. Weet je wat hij kreeg te horen?

Ik weet het wel, maar zeg jij het maar, ik vind het te erg.

Uw schildpad hield een winterslaap.

Ach ja, de domheid van de mens. Die is oneindig. Telkens als je denkt dat je alle domheid hebt gezien, komt er weer nieuwe domheid bij. Salut!

(zwemt weg)




Restaurant Conserve


Vanaf Eindhoven 'Centraal' loop ik dwars door het ghetto naar Résidence Hemelpoort. Mijn ouders zouden me tegemoet komen. Halverwege hoor ik mijn moeder roepen: 'Hé, hallo!'

Ze zit op zo'n bankje waar je eerder lokale dronkelappen zou verwachten. Stalend. Mijn vader heeft zich verschanst in zijn scootmobiel, – een nieuwigheid –, met zijn pet op en geeft geen kik.

Ik complimenteer mijn vader met zijn nieuwe vervoermiddel en mijn moeder met haar geheel uitgegroeide, zilvergrijze haar. Ware ik een filmregisseur, zou ik haar casten.

Mijn moeder is nog niet opgestaan of mijn vader scoot er vandoor. 'Hé, wacht nou even!' roept ze. Pappa scoot toch niet zo snel wil ik zingen. 'Kleine motormuis,' zegt mijn moeder, hoofdschuddend.

Bij het stoplicht wachten we weer samen. Bij groen schiet mijn vader weer weg. Hoe traag deze negentiger ook is geworden, qua motoriek, met dit ding heeft hij zijn oude snelheid terug. Niet meer duwen of hoeven te worden geduwd: hoe bevrijdend!

Als we ons eenmaal op de bank hebben genesteld met een drankje gaat de telefoon. Het is de keuken, waar we blijven. Mijn moeder heeft gereserveerd in Restaurant Conserve, beneden. Die reservering was om 17.30, en het is nu 17.33.

Wij haasten ons naar beneden. We worden begroet, of nou ja toegeknikt, door een zee van zwijgende eters, keurig tegenover elkaar opgesteld op anderhalve meter aan een rechthoekige tafel.

Wij mogen aan een ronde tafel. Het voorgerecht bestaat uit een bakje champignon-ragout. Mijn vader en ik bestellen er een glas rode wijn bij. Het hoofdgerecht is kippenpoot, erwtjes-mais met ongare pommes dauphine. 'Lekker hoor,' zegt mijn moeder. 'Hoe vinden jullie het?'

'Alles is lekker voor wie niet zelf hoeft te koken,' zeg ik.

Een vrouw die klaar is met eten draait zich om naar ons tafeltje en zegt tegen mijn moeder: 'Uw dochter lijkt sprekend op u.' Ik ben vereerd.

Een eindje verderop zit een man alleen in een rolstoel met gigantische oren. Zulke grote oren heeft mijn vader (nog) niet, hoewel zijn vader, mijn grootvader, op die leeftijd wel grote oren had.

Als de gasten van tafel opstaan maken de over de vloer schurende stoelpoten een geluid dat nog het meest lijkt op iemand die zijn neus heel hard ophaalt. Viltjes lijkt de oplossing, maar ik woon hier niet.

'Omdat jullie zo aandringen zal ik nog wat piano spelen.' Ik zou Satie spelen, maar ik ben mijn Satie-boek vergeten, dus speel ik Beatles, altijd goed. Ook minder kans dat het publiek in slaap valt. Het is al tien voor zeven.




Zij Die De Wereld Besturen Hebben Haast

Toyin Ojih Odutola


Het was laat op de avond, we waren moe, er was drank en we hadden behoefte aan een gespreksonderwerp (dit was voordat Donald 'Covid' Trump zijn opwachting maakte in de nieuwscyclus).

Tot zover de verzachtende omstandigheden.

Want wat de nieuwe vriendin van Nieuwe Vriend P. –  gestudeerd, belezen en gezond van lichaam en geest – te berde bracht was en bleef een samenzweringstheorie.

'De Grote Bedrijven,' je hoorde de kapitalen in haar stem, 'zijn er op uit om de kleine bedrijven weg te vagen. Dat is de hele reden van al die coronamaatregelen.'

'Maar dat gebeurt toch sowieso?'

'Ja, maar nu sneller.'

Zij die de wereld besturen hebben haast.

Ja, ze wist het ook niet hoor, maar ze had het van haar geleerde zuster, de infectioloog. 'Mondkapjes werken helemaal niet, die geven alleen maar schijnveiligheid. Ze verergeren het in zekere zin, omdat mensen met een mondkapje dichter bij elkaar komen.'

Samenzweringstheorieën zijn besmettelijker dan het virus zelf. Ze vullen een leegte, ze nemen de functie over van religies, die het ernstig laten afweten. We leven in complexe tijden; zelfs de wetenschappers zijn het niet met elkaar eens, niemand weet of hij of zijn dierbaren over drie maanden nog leven – ziedaar de vruchtbare voedingsbodem voor uitzinnige theorieën, die datgene bieden waaraan wij angstigen thans erg veel behoefte hebben: helderheid.

Meer nog dan religie geeft zo'n complottheorie, juist omdat hij geen hoop geeft maar doem voorspelt, een perverse bevrediging. Noem het masochistisch leedvermaak.

We gaan samen ten onder, daar is geen twijfel over mogelijk, en wij complot-theoretici weten hoe. Heerlijk.



Invaltrainer


Er werd me gevraagd in te vallen als trainer voor het teampje waarvan mijn dochter (7) ook deel uitmaakt. Ik had gewaarschuwd dat ik, als gediplomeerd filosoof, niets van voetbal weet, nooit voetbal kijk en moeilijk aan iets anders kan denken dan de Monty Python-sketch waarin de Grote Filosofen het tegen elkaar opnemen (met desastreus effect). Ze wilden me nog steeds hebben.

Coronavoordeel: de ouders mochten er niet bij zijn, dus mijn voetbalkundige adviezen konden ook niet door deszelven worden belachelijk gemaakt, alleen nog door de collega trainers en de voetballertjes zelf.

Een trainingspak had ik niet aangetrokken, niet alleen omdat ik er geen heb, maar ook omdat ik niet te hoge verwachtingen wilde scheppen.

Dat de wereld er voor de dochter van de invaltrainer anders uitziet dan voor de invaltrainer zelf, bleek toen ze bij aanvang trots tegen een teamgenootje riep: 'Mijn vader is trainer!' Er kwam geen reactie.

Er waren vijf jongetjes – lees: vijf ongeleide projectielen die opvallend hard kunnen schoppen – plus mijn dochter. Ik probeerde er het beste van te maken. Orde houden bleek al een te hoog gegrepen doel.

Lastig om je eigen kind niet voor te trekken, en toch ook niet onnodig kort te houden. Niet te discrimineren, met andere woorden.

Toen ik had bedacht klein kopballetjes te oefenen (met een zachte bal), ging het mis. Ik wierp de bal met een klein boogje op. De jongetjes durfden te koppen, op één na, die liever in het gras bleef liggen. Mijn dochter ging er klaar voor staan, maar zodra ik de bal opwierp week ze naar achter waardoor de bal niet op haar voorhoofdje landde, maar op haar handen.

Hands!

'Je kunt het wel!' zei ik. En even leek het daar ook op.

Een van de andere trainers had me zien aanmodderen en zei: 'Koppen moet je niet aan beginnen.'

Weer wat geleerd.