Bescherming



Eerste corona-taxirit in tijden. Ik neem plaats op de achterbank achter een spatscherm, het woord alleen al heeft iets onsmakelijks. 'Sorry,' zegt de chauffeur, een compacte, breedgeschouderde man. Het doet mij denken aan New York, waar veel taxi's een zogenaamde partition hebben – niet zozeer tegen besmetting, als wel tegen opdringerige passagiers. Ik herinner me een golf van taximoorden, moorden op taxichauffeurs, in de jaren negentig. De taxi stopt voor een man langs de weg, de man stapt in, rijdt een eindje, en laat de taxi vervolgens op een stil stukje stoppen. De chauffeur wacht op betaling, of op verdere instructies (zo stel ik me voor). De passagier haalt een wurgdraad tevoorschijn, of een pistool of een mes, en slaat toe. Een laffe daad.
Ik betwijfel of het spatscherm ook geschikt zou zijn tegen zulke vormen van agressie. Daarvoor is het te slap, je zou het zo opzij kunnen duwen, of, nog makkelijker, er dwars doorheen schieten met een krachtig vuurwapen.
Die partitions in New Yorkse taxi's hebben een schuifraampje, herinner ik me, dat vrijwel altijd open staat (of misschien alleen bij mij; zo ongevaarlijk zie ik eruit).
Ik kan me voorstellen dat het spatscherm ook voordelen heeft; bijvoorbeeld als passagiers met een kegel instappen, of met heel erg veel knoflook achter de kiezen. Waarschijnlijk allemaal academisch, deze voordelen, want er valt nauwelijks iets te taxiën zolang de restaurants en theaters dicht zijn, de toeristen weg blijven en de vermogende ex-pats naar huis zijn gegaan.
In een mum van tijd hebben we het over iets anders: boksen. De chauffeur vertelt dat hij twintig jaar bokste. Ben je wel eens knock out gegaan? vraag ik. 'Ja, maar buiten de ring,' zegt hij. 'Ik was zestien. Het gebeurde bij de FEBO. Ik deed de deur achter me dicht. Een man die net naar binnen wilde dacht dat ik de deur in zijn gezicht sloeg.Toen ik bijkwam keek ik naar de onderkant van de koelkast.'