Kapot



Midden in de nacht word ik zwetend wakker. Nee, ik zweet niet en ik slaap niet, dus ik kan ook niet wakker worden. Het is midden in de nacht, dat wel. Of vroeg in de ochtend. Misschien is het wel het uur van de wolf. Het dode uur. Dat moet het zijn, anders weet ik het ook niet.
Ik pak mijn telefoon en schijn om me heen. Waar ben ik? In een ruimte, inderdaad – ik heb me altijd al in een ruimte bevonden, maar de vraag is wat ik er doe en hoe ik er uit kom. Ik zie een deur. Die kan open. Is dit mijn kamer? Ja en nee. Ik herken wat boeken en kleren, en zelfs mijn tandenborstel (een paars geval) en een schetsblok en een potlood waar ik mee heb geprobeerd te tekenen (zonder veel succes). Op het schetsblok, naast een puntenslijper, als een soort uitwerpselen van een klein gedrocht: een bergje slijpsel.
In mijn oren zoemt het insect, het grote, onzichtbare insect, dat daar al jaren woont en er niet meer uit wil.
Het wordt me wit voor de ogen. Ik sta op, pak twee boeken van tafel en smijt die tegen de deur. Voelt goed. Welke objecten laten zich nog meer feestelijk slopen? Het halogeenlampje. Ik gooi het op de vloerbedekking, leg er een handdoek op en stamp het met mijn hak stuk. Mooi geluid. De stoelleuning oogt als een handvat. Ik zwaai het ding tegen het raam. Dat geeft lawaai, maar de stoel, noch de ruit sneuvelt. Ik raap hem weer op, hef hem boven mijn hoofd, en sla het ijzeren onderstel op de wastafel. In de spiegel schiet een barst, en als ik de klap herhaal, vallen de scherven eruit. Wat is destructie toch fantastisch. Hoe verrukkelijk om dingen kapot te maken. In een klap gaat de lamp aan diggelen. Met trillende vingers pulk ik een sigaret uit het pakje, steek hem in mijn mond en overzie het strijdtoneel. Moet ik de boel in de hens zetten?
Vreemd dat er nog niemand naar mij is komen kijken.
Is er wel iemand?
Ik ga op bed zitten met het schetsblok op schoot en slijp mijn potlood. Dat doe ik wel vaker. De punt van mijn potlood slijpen, net zolang tot hij zo scherp is als een naald. Telkens als ik de punt op het papier zet, breekt hij. Ik moet het anders aanpakken. Ik moet de punt zo ver in mijn huid prikken, dat er bloed uit spuit.