Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?



Terugkerend van mijn avondlijke wandeling, die iets langer was dan gebruikelijk (ik werd afgeleid door de sterren), kwam ik mijn huis niet meer in. De sleutel deed het niet. Ik wilde niet op het raam bonken en moord en brand schreeuwen; LT lag al in bed.
Ik ging op het gevelbankje zitten en dacht na, daarbij mijn telefoon tevoorschijn halend. Het komt nog maar zelden voor dat ik zonder telefoon nadenk, naar mijn telefoon staren en nadenken, lijken steeds meer samen te vallen. Veel levert het doorgaans niet op.
Ik stond op en probeerde het opnieuw. Had ik de sleutel niet per ongeluk verkeerd om gehouden, met de baard naar boven? Nee. Hij paste nog steeds niet. Ik lichtte het sleutelgat met mijn telefoon bij. Aha, mompelde Sherlock Holmes, er zat al een sleutel in, dat wil zeggen, het afgebroken deel van een sleutel. Onmiddellijk deduceerde Holmes hieruit, dat er twee mogelijkheden waren. 1. Een dronken buurman had zich vergist in de voordeur en had zijn sleutel en daarmee mijn slot vernachelt; 2. Iemand probeerde mij een loer te draaien, te benadelen, buiten te sluiten. Een vijand. Een vijand was mij gevolgd, of had in elk geval gezien dat ik aan de wandel was, en had vervolgens mijn voordeur gesaboteerd. Ja, dat moest het zijn! Maar, waarom had ik ook alweer vijanden?
Naderende voetstappen in de gang. Een schim bewoog naar de deur en keek met een oog door het smalle raam. De deur ging op een kier. 'Wat zit je allemaal te prutsen?'
'Mijn sleutel werkt niet, het slot is kapot.'
'O. Nou. Kom maar gauw naar bed dan.'
De volgende ochtend waren de felicitaties niet van de lucht toen het me lukte het afgebroken sleuteleindje met een piepklein zaagje uit het gat te trekken (een oude truc).
Later die dag kreeg ik een sms van LT: 'Het was mijn sleutel die is afgebroken.'
De teleurstelling van de voor de hand liggende verklaring. Zonder paranoïa geen literatuur, laat staan detectives.