Sonnetisten

Bertus Aafjes door Diana Huijts

Stiefelend over de K-gracht, – zonder rollator! – begint N. uit het niets Bloem te citeren. 'En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos ter grootte van een krant, een heuvel met wat villaatjes ertegen.'
Waar komt dat opeens vandaan? Dat weet ze niet. En ook niet hoe het verder gaat, behalve dan opeens dit weer: 'Alles is veel voor wie niet veel verwacht.' Een beroemde dichtregel, zover ben ik ook wel, en niet alleen dat, een behoorlijk goed adagium, vinden we. 'Daar zou de jeugd van tegenwoordig een voorbeeld aan kunnen nemen,' zegt N., en ik ben het roerend met haar eens – en niet alleen de jeugd, ook de volwassenen, en het meerendeel van de ouderen, en waarschijnlijk zouden ook de buitenaardsen en de ondergrondsen zich naar deze levenswijsheid moeten voegen.
Als we aan de lunchtafel zitten spuugt ze de rest eruit, dat laatste stukje dat nog ergens in de bocht van een hersenwindsel verborgen lag: Dit heb ik bij mijzelve overdacht, verregend op een miezerige morgen, domweg gelukkig, in de Dapperstraat.'
Wie schreven er vorige eeuw nog meer sonnetten? Ik kan niemand noemen behalve het wel erg makkelijke sonnet van Lucebert.
N. begint, tussen de muizenhappen door, opnieuw te citeren. 'Toen het herbegon, achter de grijze lijn der horizon, het bulderen goedmoedig der kanonnen...' en dan valt ze weer stil. Ik kan haar niet aanvullen. Dit gedicht zegt me niets.
Het is even stil. Dan kruipt weer een flard omhoog: 'Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: liefste, de oorlog is nog niet begonnen.'
Bloem?
Neen. De laatste brief, van Bertus Aafjes. Nog een sonnetist.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten