Spoedeisende hulp



De spoedeisende hulp afdeling waar ik gisteravond enige uren doorbracht aan het bed van N., die eerder die dag een insult en een herseninfarct leek te hebben gehad (geen van beide nieuw voor haar, wel voor mij), deed denken aan een kantoortuin. Alleen de uniformen (rode katoenen werkpakjes met korte mouwen) en de piepende apparaten weken af. Wellicht zijn er kantoren waar de hele nacht door wordt gewerkt (ik hoop van niet), maar hier is het standaard.
Wat uiteraard niet wil zeggen dat er steeds spoedeisende hulp nodig is. Het is geen oorlog – nog niet.
Niet alleen voor mij zat er weinig anders op dan te wachten. Op uitslagen van scans en op een neurologiebed in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. N. wilde haar connecties inschakelen, maar ik had zo'n voorgevoel dat dat zinloos was. De tijden zijn eerlijker, en anoniemer.
'Wilt u een kopje koffie?' vroeg de vriendelijk verpleegster aan mij. Dat wilde ik wel, maar was die koffie te drinken?
Niet echt, maar om de hoek was een automaat met betere koffie. Ik ging koffie halen voor mezelf.
'Wil jij ook iets,' vroeg ik N. , toen ze wakker was, en helder.
'Een appel,' zei ze tot mijn verbazing, want ik heb haar nog nooit een appel zien eten.
'Kan ik hier ergens een appel krijgen voor mevrouw?'
Nee, dat zat er niet in. Het winkeltje was dicht. De automaat in Wachtkamer 1 had wel snoepgoed. Er werd net een man uit een taxi in een rolstoel geladen. Hij hing helemaal voorover, alsof hij moest overgeven, en hij steunde en kreunde, maar de receptioniste was niet onder de indruk.
Ik keerde terug met een Twix voor N. maar die bliefde ze niet.