Het Uitmesten der Ouderlijke Boekenkasten (III, en nu houd ik echt op)



Ik ben OK, jij bent OK. En: Wie is van hout? Twee psychiatrische klassiekers tegen wier brede rug ik mijn hele jeugd heb aangekeken, zonder ze uit de kast te trekken en ter hand te nemen. Bij de eerste titel dacht ik als puber: Oké, als we allebei OK zijn, waarom zou ik dat boek dan lezen? Where's the drama?
Het antwoord op de vraag in de tweede titel meende ik ook al te weten. (Ikzelf, en dat probeer ik middels ochtendgymnastiek en dergelijke juist een beetje te verminderen.)
Ach ja, jaren zestig psychiaters... Ontroerend hoe psychiaters toen, zou je kunnen zeggen, ineens de geest kregen. Ze zagen mogelijkheden... Maar de praters werden ingehaald door de pillen, en de trippers werden teruggefloten door de tuchtcommissies. Inmiddels krijgen psychiaters weer de ruimte om van alles te beweren, maar het idealisme is er vanaf.
Welke boeken heb ik  w e l  gelezen? Minder dan ik had gehoopt. De blikken trommel, cadeau gedaan door Medische Broer, zie ik. Dezelfde broer die eerst mij en daarna ook mijn ouders verrijkte met het werk van Louis Ferdinand Céline (werk dat bij mij insloeg als een bom). Hoe kwam hij daaraan? Maar ook een titel als Van geluk gesproken door Marijke Höweler, zo'n boek dat iedereen gelezen had, maar waar mij niets van is bijgebleven behalve dan dat deze umlautgenote een prettig ironische schrijfstijl had, wat je niet van alle schrijvers in de ouderlijke boekenkasten kan zeggen.
Het meest tot de verbeelding sprekende boek dat ik ben tegengekomen, is Het bloedend hart van Marilyn French. Terwijl mijn vader steeds meer opschoof naar de non-fictie, zoals zoveel mannen (daar zou eens een studie naar moeten worden gedaan), las en leest mijn moeder de ene na de andere roman, en deze las ze volgens mij stuk. (Letterlijk. Ze heeft hem nog met tape proberen te redden. Daarom verhuist hij mee.)
De eerste scene die ik me nog zo goed herinnerde, namelijk die waarin een vrouw in een treincoupé zit en zwijgend een man mee naar huis neemt om hevig met hem de liefde te bedrijven, blijkt, zo lees ik al meteen in de eerste zin, een droom te zijn.
Jammer.