Zoom



Ik zit in een zoomvergadering met acht collega's te bomen over acht studenten van de Schrijversvakschool. Op het A'viertje dat mijn lieftallige meesteres me heeft toegeschoven probeer ik de sprekers te schetsen, maar ze zijn niet lang genoeg in beeld, of ik ben niet snel genoeg, dat kan ook. Ik denk het laatste. Snelschetsen met woorden gaat me beter af, maar dat ga ik niet doen, want als mensen ergens boos van worden, dan een onterechte fysieke beschrijving, zo van: Rogeria heeft een betonkleurige huid ('Ik hèb helemaal geen betonkleurige huid! Hoe komt die Frölke daarbij!') Overigens kon je uit de kwaliteit van het beeld van de gezoomde collega's afleiden dat het voor sommigen, ik noem geen namen, misschien tijd wordt voor een nieuwe computer. (Ik heb zelf net een nieuwe gekocht, vandaar.) Aan de andere kant: het gezicht van de vergaderaar veranderde hierdoor vanzelf in een soort fauvistisch schilderij.
Iedereen blijft over het algemeen keurig netjes zitten, behalve één docent, die steeds opstaat om thee te halen ('zonder thee kan ik niet nadenken'), en dan kijken we dus naar haar plafonnière (ik gok Ikea). Haar beeld vibreert nogal. Misschien komt het door haar uitspraken. Ze zegt bijvoorbeeld, off the cuff, als de beperkte belezenheid van sommige studenten aan de orde is: 'Ja, nou, ik lees ook geen boeken uit hoor. Alleen Harry Potter lees ik helemaal uit. Ja, na een tijdje lezen in de meeste boeken denk je toch: ik wéét het wel... Dan kom je in wat Renate Dorrestein heeft genoemd het zompige midden.'
Als schrijfdocenten geen boeken uitlezen, wie dan?
Achter haar, aan de muur, hangt een gedicht waarvan alleen de laatste twee regels leesbaar zijn: 'En het is lente en we deden het/ dezelfde nacht met alles wat dat zegt'. Was getekend Menno Wigman.
Als ze weer in beeld is probeer ik haar te schetsen, maar dat valt niet mee.
Ik zou haar toe willen roepen: 'Zing een lied!' Maar dan kom ik zelf in beeld, en dat is het laatste wat ik wil.