Abo



Men moet ergens abonnee van zijn, men kan niet een leven leiden zonder abo, zeker niet als zich noemende srijver, men moet aan minstens een periodiek zijn zegen geven, dus ik heb mijn zegen gegeven aan De Revisor, een literair tijdschrift waar ik ook wel eens in heb gepubliceerd, en ook wel in de toekomst in hoop te publiceren, maar ik heb nog geen nummer mogen ontvangen. Wel van The New Yorker, dat ik nota bene gelijktijdig had opgezegd. Ben ik niet alweer vijftien jaar woonachtig in de grote stad A.? Is niet iedereen het er over eens dat Amerika steeds onbelangrijker wordt (door eigen toedoen)? Heb ik ooit de moed gehad om mij te abonneren op een Nederlands literair tijdschrift?
Uit De Revisor-droogte en de New Yorker-overvloed kan worden afgeleid dat het moeilijker is om ergens bij te komen dan om ergens onderuit te komen.
Lichtpuntje: van De Revisor ontving ik, nadat het mij eindelijk was gelukt de somma van 45 euro over te maken naar Singel Uitgeverijen, een welkomstgeschenk in de vorm van een dichtbundel van Radna Fabias. Die heb ik doorgestuurd naar de informaticus, die om poëzie vroeg. (Wanneer een informaticus om poëzie vraagt, moet men hem onmiddellijk bedienen.)
Vandaag zat het welkomstgeschenk van The New Yorker in de bus – want zeg maar eens nee tegen het aanbod voor een proefabonnement dat die lui je doen als je net hebt opgezegd –: een tote bag. Een mooi ding (gek woord ook), maar ik ga hem niet gebruiken. Een tas van The New Yorker in Amsterdam is zoiets als in pyjama rondlopen op de Noordpool. Het wachten is op het De Revisor-trainingspak.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten