There is a crack in everything



Gistermiddag droeg ik voor het eerst en plein public een gedicht van eigen hand voor. Je zou hieruit kunnen afleiden dat dit mijn debuut was als dichter, maar dat is niet zo, omdat eerder gedichten van mij zijn gepubliceerd in heuse tijdschriften van papier en nietje (onder pseudoniem, dat dan weer wel). Ik had voor de gelegenheid een wit pak aangetrokken – als het gedicht niet beviel kon ik meteen een nieuw schrijven op mijn broekspijp – en mijn lentehoed opgezet. Onderweg naar het Thérèse Schwarzeplein, waar de voordracht zou plaatsvinden, kwam ik een man tegen die zei: 'You're too late.'
Hoe kon hij dat weten? Was mijn naam mij vooruit gesneld?
Aangekomen bij het pleintje, eigenlijk meer een parkje, en een pittoresk parkje at that, zag ik, temidden van een wijdverspreid publiek van naar schatting twee dozijn mensen, een kale man met een microfoon op een podium staan. In het gras naast het podium, bij de geluidsinstallatie, ontwaarde ik Mark van het Bruggehuisje, de organisator, die mij had geboekt, en zijn zoon, die de knoppen bediende. Mark lag er wat landerig bij, maar dat mag, als organisator van een poëzie-manifestatie mag je elke houding aannemen die je goed dunkt.
De spreekstalmeester riep een meisje naar voren om een gedicht voor te dragen. Het meisje, ik schat haar een jaar of twintig, liep op hoge plateauzolen naar het podium. Ze verontschuldigde zich dat ze haar voet had gebroken. Zittend droeg ze twee gedichten voor, een over het Thérèse Schwarzeplein en een over de Nieuwmarkt, waar ze zelf woont. Beleefd applaus viel haar ten deel. Toen ik haar in het voorbijgaan wilde vragen hoe ze aan die gebroken voet kwam, en of plateauzolen het aangewezen schoeisel zijn in zo'n geval, liep ze zonder te antwoorden door naar een bebaarde jongen die zich achter mij schuilhield.
De beurt was aan een vrouw met gitaar die een lied zong van Leonard Cohen, getiteld Anthem, met de gedenkwaardige regels: 'There is a crack in everything/ that's how the light gets in.' De vrouw vroeg of ze nog een liedje zou spelen, maar de spreekstalmeester moedigde haar aan dat niet te doen.
Toen hoorde ik mijn naam, en de titel van mijn gedicht, 'De beschrijving van een baan'. Toch nog nerveus, en met plotselinge spijt over mijn overdressed-zijn, besteeg ik het podium. Binnen een minuut stapte ik er weer van af. Geklap. Ik bleef tot het eind, omdat het niet aangaat om alleen voor jezelf te komen, maar toen alles voorbij was, voelde ik mij opgelucht als iemand van wiens schouders een last is afgevallen.